Erfgoeddrager: Merlijn

‘Ik was nieuwsgierig en wilde Europa zien’

De kleine huiskamer van Orelia Blinker zit meteen vol, wanneer Jayden, Shevany, Anna Lieve, Merlijn en Welmer van het Vox-College binnenkomen om haar te interviewen. Mevrouw Blinker vindt het gezellig: al die leerlingen over de vloer. Als het maar niet te persoonlijk wordt, zegt ze gekscherend. Maar het wordt een warme ontmoeting.

Heeft u een leuke jeugd gehad?
‘Ik heb een hele fijne jeugd gehad. Ik ben geboren in Suriname, op een plantage die Vacomjetepousse heette. We waren thuis met zes kinderen. Rond mijn tweede verhuisden we naar de plantage ertegenover, Jedesire. Hier woonden ook veel familie, neven nichten, ooms en tantes. Ik heb een jeugd gehad als een schipperskind. Jullie weten wat dat betekent? Die ouders varen, maar de kinderen moeten naar familie of internaat want aan boord is geen school. Zo’n jeugd heb ik ook gehad. Op de plantage was geen school, dus ik kwam terecht bij familie in Paramaribo. Elke vakantie ging ik terug. En dat was dan altijd feest voor mij als ik terugging. Iedereen kwam dan thuis want al die nichten en neven woonden de rest van het jaar ook in een andere stad, bijvoorbeeld in Moengo. We waren wel met z’n twintigen, dat was echt fantastisch want we genoten van elkaar.’

Merkte u er iets van dat Suriname een kolonie van Nederland was?
‘Net als de kinderen hier in Nederland kregen wij op de lagere school ook rekenen, geschiedenis, Nederlands, aardrijkskunde: alles in het Nederlands. Op straat waren veel militairen uit Nederland. Als ze dienstplicht hadden, was Suriname favoriet. En ja, we vierden ook Koninginnedag, dan hadden we kermis. We hadden eerst Juliana als koningin en later kregen we Beatrix. Sinterklaas vierden we niet, niet in mijn jeugd. Ik heb nooit Sinterklaas of Zwarte Piet gezien. We wisten wel dat het bestond, misschien uit boekjes, en we noemden dit feest Pieterbaas. Maar die kwam nooit bij ons op school.’

Hoe oud was u toen u naar Nederland kwam?
‘Ik was 24 jaar. Veel mensen om me heen vertrokken naar andere landen. Dus ik was nieuwsgierig geworden en wilde weten wat er in Europa was en in al die andere landen. Ik was niet van plan om hier te blijven, ik wilde eigenlijk teruggaan naar Suriname. Maar mijn man wilde wel hier blijven, daarom ben ik gebleven. Ik heb veel landen gezien in Europa en daarbuiten.’

Merkte u iets van discriminatie toen u naar Nederland kwam?
‘In het begin, nee. In de tijd dat ik naar Nederland kwam, was er geen discriminatie. Discriminatie is veel later gekomen. Pas nu in jullie tijd. Iedereen vond je leuk want er waren nog niet veel donkere mensen. In de Dapperbuurt bijvoorbeeld waar ik woonde, waren maar twee donkere gezinnen. En toen ik in de jaren ’60 naar Amsterdam-Noord verhuisde, woonden hier ook maar drie donkere gezinnen. Grapjes werden er wel gemaakt over je huidskleur. “Je hoeft je handen niet te wassen want die worden toch niet schoon”, zoiets. Ik schonk er geen aandacht aan en het deerde me niet. Ik dacht: er zijn altijd domme mensen die domme opmerkingen maken.’

Heeft u nog contact met familie in Suriname?
‘Mijn moeder heeft grond in Suriname, daar wonen mijn zussen nu op. Ik wil niet terug naar Suriname want ik wil bij mijn kinderen blijven. Mijn broer stuurt elke dag een app. Dat zijn 365 plaatjes op mijn telefoon, met een tekst of een bericht. Dat vind ik erg leuk. Als ik in Suriname ben, wil ik bij mijn familie zijn. Niet in een hotel, dat is belangrijk. Want als er iets met me gebeurt, weten zij precies bij welke dokter ze moeten zijn. Ik houd erg van de natuur, wandelen en buiten zijn. Als ik naar een ander land zou kunnen, dan zou ik nog wel naar Kenia willen. Laatst kreeg ik via de app een liedje toegestuurd van de Zuid-Afrikaanse zangeres Miriam Makeba. Het liedje heet Malaika. Ik herkende een paar woorden. Mijn grootmoeder zong toen ik klein was altijd een liedje voor me in het Swahili. En ineens herkende ik die taal in het lied van Miriam. Ik heb het via Google Translate vertaald. Het is een sprookje over drie vrienden die als slaven naar Suriname werden gebracht. Ze konden vliegen en wilden naar Afrika. Maar ze mochten geen zout eten. Dan werden ze te zwaar. Want zout houdt vocht vast. Een van hen had een vrouw leren kennen en die hem toch zout had gegeven zodat hij niet meer weg kon. Hij zegt letterlijk: ik kan niet, mijn geluk is weg. Hij is achtergebleven en de anderen zijn gegaan. Dat zong mijn oma dus altijd en nu begrijp ik het.’

 

Erfgoeddrager: Merlijn

‘Ze huilde. Ze huilde van de kou.’


De hele oorlog is voor ons geen verschrikking geweest. We hebben heel veel geluk gehad. Het was voor ons een ‘ver-van-ons-bed-show’. Als de oorlog begint woont Rob in de Perziklaan 21 en Liet op de hoek van de Valkenboskade.

Veranderde de oorlog veel voor u?
Rob: De eerste vier jaar heb ik er weinig van gemerkt. De school op de Hyacintweg, ging gewoon door en het werk van mijn vader ook. Hij werkte bij de bank van 9 tot 5 en de Duitsers vonden het belangrijk dat het bankverkeer bleef draaien. Hij kreeg als het ware een soort vrijstelling. Maar dat hing wel een beetje af van welke commandant je trof. Mocht het nodig zijn dan had mijn vader wel een hok in de schuur om zich te verstoppen. Achteraf was die gedachte wel erg optimistisch.
Uit de krant haalden we weinig informatie en wat erin stond bleek ook niet altijd betrouwbaar. We hadden nog geen mobiele telefoons en eigenlijk kwamen we niet vaak op veel verschillende plekken. Dus onze wereld leek klein en veilig. Op 1 juni 1943 ben ik lid geworden van de voetbalclub en daarbij heb ik met veel plezier kunnen spelen. Het laatste jaar van de oorlog merkten we er veel meer van. Toen was er maar weinig te eten en het was ook koud.

Liet: Ik was heel klein tijdens de oorlog. Iedereen van de familie heeft het overleefd, zelfs onze kat. We hielden hem veilig binnen. Wel heb ik als klein meisje gezien dat mijn vader en een paar vrienden zich verstopten onder een luik in de vloer van de slaapkamer bij mij thuis. Ik werd toevallig wakker en had dit niet mogen zien. Mijn moeder was doodsbenauwd. De razzia zou morgen of de dag erna komen, dus mijn moeder drukte mij op het hart mijn mond te houden. Dat heb ik gedaan.

Kunt u beschrijven hoe de hongerwinter voor u was?
Rob: In 1944- 1945 was er geen eten en geen brandstof. Ik ben met mijn vader een keer naar Poeldijk gelopen, naar een boer. Hier gingen we eten halen. We hebben denk ik wel 8 adresjes bezocht tijdens de hongerwinter. Tulpenbollen en suikerbieten aten we. Van tulpenbollen maakten we een soort chips. De suikerbieten kookten we eerst, het water werd er zoet van. Daarna klopten we het op en dat noemden we ‘klopklop’. Met voedselbonnen kon je eten kopen. Dat eten werd gemaakt in gaarkeukens en als je langs ging, kon je met een bon een portie krijgen. Er werd ruw opgeschept. De kunst was als de pan bijna leeg was, met je hoofd in de pan te hangen om de restjes eruit te lepelen en mee naar huis te nemen. Je was trots als dat je lukte.

Liet: Ik was nog klein. Ik herinner me wel dat ik een jaar of 4 was en een wit jasje van konijnenbont aan had. Ik zat op de slee en mijn moeder nam me mee. Ze huilde. Ze huilde van de kou. In de hongerwinter was er niet veel te eten. Hierdoor herinner ik me nog goed dat mijn moeder een sinaasappel had weten te bemachtigen, net na de oorlog. Ze was blij dat ze ons iets gezonds kon geven. Maar we vonden het vies, we kenden helemaal geen sinaasappels.

Wanneer was u erg bang?
Rob: Op nieuwjaarsdag, 1 januari 1945. Ik weet het nog goed. Opa en oma waren op bezoek. We hoorden een raket, een V1, en als jonge knul vond ik het stoer en spannend om te kijken. Maar  mijn moeder joeg me weg van de ramen. Als het geluid ophield, wist je dat de raket zou neerstorten. En als de raket op je neerkwam, was je dood. Als alleen de ruiten sprongen kon je maar beter onder een tafel zitten.

Liet: Ik hoorde ook die V1 raket op 1 januari 1945. Mijn ouders doken allebei onder de tafel en dachten dat ze een arm van mij en een arm van mijn broertje beet hadden. Het bleek dat ze allebei een arm van mijn broertje beet hadden. Ik stond voor het raam. Gelukkig sprongen de ruiten niet en bleef ik ongedeerd. We hebben dit moment van de V1 raket op 1 januari 1945 apart van elkaar intens beleefd, zonder elkaar te kennen. Gelukkig kunnen we het nu samen navertellen.

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892