Erfgoeddrager: Marouan

‘Alle grote kranen hebben ze opgeblazen, alle machines gestolen en meegenomen naar Duitsland’

De vader van Marten Wijbenga werkte als schipper op de pont. Ook in de oorlog kon hij op de pont blijven varen. Marten ging
later werken op de NDSM-werf en weet daarom veel over de oorlogsgeschiedenis van de werf.


Was het moeilijk voor uw familie tijdens de oorlog?

“In vergelijking met anderen hadden wij het relatief goed. Dat hadden we te danken aan mijn vader. Hij werkte als schipper op de pont, en in de ogen van de Duitse bezetters was dat een belangrijk beroep. Hij hoefde niet als dwangarbeider in Duitsland aan de slag, en we hadden vaak genoeg geld om bij de boeren eten te kunnen halen.”

Waarom doet u onderzoek op de NDSM-werf?
“Ik heb heel mijn leven op de NDSM-werf gewerkt en ik ben er een beetje verknocht aan geraakt. Bovendien heeft deze plek een interessante geschiedenis overgehouden aan de Tweede Wereldoorlog. De werf was erg belangrijk voor de Duitsers. Zij hadden een plan ontwikkeld om in alle bezette gebieden dezelfde schepen te maken, de zogenoemde Hansa-schepen. Als arbeider op de werf had je niet veel keus. Ofwel je ging door met schepen bouwen, en dan bouwde je dus schepen voor de bezetter. Of je werd naar huis gestuurd en kwam werkeloos thuis te zitten.”

Zijn er op de werf veel bommen gevallen?
“De NDSM-werf is meerdere malen gebombardeerd door de geallieerden, omdat die zo belangrijk was voor de Duitsers. Als het luchtalarm afging, moest je als arbeider maken dat je wegkwam en snel in een schuilkelder gaan zitten. Er is in totaal drie keer gebombardeerd: een keer door de Amerikanen, een keer door de Engelsen en een keer door de Fransen. Vooral bij het eerste bombardement zijn er in Amsterdam-Noord veel slachtoffers gevallen. De Duitse bezetters waren natuurlijk geen lieverdjes. Dat lieten ze op de werf tijdens de bevrijding nog merken. Toen de geallieerden oprukten om Amsterdam en de rest van Nederland te bevrijden, hebben de Duitsers heel de werf vernield. Alle grote kranen hebben ze opgeblazen, alle machines gestolen en meegenomen naar Duitsland en de twee schepen die net klaar waren, hebben ze tot zinken gebracht midden in het Noordzeekanaal. Op die manier konden er geen geallieerden vanuit IJmuiden via het kanaal Amsterdam binnenvaren. Na de oorlog moest de hele werf dus opnieuw worden opgestart. De mensen die er werkten, moesten aan andere machines zien te komen, en met de onderdelen van de kapotte kranen werden nieuwe kranen gebouwd.”

Erfgoeddrager: Marouan

‘Een Nederlandse vlag op de gefusilleerden ’

Wij hebben Marinus de Bruijn geïnterviewd in zijn woning in Amstelveen. Hij had voor ons een biertje (Radler 0.0%) klaarstaan en bakjes met lekkers en dat vonden we heel grappig. Meneer de Bruijn heeft heel veel meegemaakt en kon heel goed vertellen. Soms raakte hij geëmotioneerd en dat konden we ons goed voorstellen want hij vertelde erg verdrietige dingen. In zijn woning had hij een kamertje met allemaal foto’s en spullen uit de oorlog. Zijn kleinkinderen noemen het Opa’s museum.

Met wie woonde u tijdens de oorlog?
‘Ik woonde met mijn vader, moeder en oma. Op een winterdag kwam mijn vader thuis met een Joods kindje op zijn arm. Rebecci heette ze. Mijn moeder was heel verbaasd. Mijn vader zei dat hij het kindje van haar moeder meekregen had omdat het de lange treinreis naar een werkkamp vast niet zou overleven. Na een paar dagen kwam haar moeder haar toch ophalen. Mijn moeder vroeg of ze het echt zeker wist en gaf nog een warm dekentje mee met twee rode strepen. Ze zijn nooit meer teruggekomen, ze zijn allebei vermoord.’

Moest u ook naar Duitsland moest om te werken.
‘Omdat alle Duitse mannen aan het oorlog voeren waren, moesten Nederlandse jongens en mannen naar Duitsland om er te werken in fabrieken en op het land. Ik was daarom ondergedoken op onze zolder onder de punt van het dak. We kwamen er door een geheim luik dat mijn vader gemaakt had. Ik zat daar met twee buurmannen dagen en weken in de kou. Uit verveling besloot ik door de poortjes via de balken naar de aangrenzende woningen te gaan. Zo kon ik een heel rondje maken: van de Maasstraat via de Kennedylaan en de Uiterwaardenstraat weer terug. Onderweg hoorde ik mannen praten. Zij waren ook ondergedoken en waren zich helemaal rot geschrokken van mij en dachten dat ze door de Duitsers ontdekt waren. Ik was de schrik van hun leven!’

Heeft u familie of vrienden verloren in de oorlog?
‘Mijn vriend Henk Verwoerd zat in de gevangenis bij het Weteringcircuit omdat hij had geknoeid met zijn persoonsbewijs. Hij had van een 6 een 8 gemaakt zodat hij niet in 1926 maar in 1928 geboren was en dus op papier twee jaar jonger was. Er was een groep Verzet 2000 die werkte vanuit een woning aan de Stadhouderskade. Op een dag was het mis, ze waren verraden en bij aankomst werden ze opgewacht door een Duitser bovenaan de trap. Ze schoten de Duitser dood en hij viel zo naar beneden. Als represaille werden 30 mannen uit de gevangenis bij het Weteringcircuit op een rij gezet en gefusilleerd. Mijn vriend Henk en zijn vader zaten daar ook bij. Ik fietste er kort nadat het gebeurde langs, en ik heb daar Henk en zijn vader zien liggen hand in hand. Iemand was nog zo moedig geweest om een Nederlandse vlag op de mannen te leggen. Het was een afschuwelijke dag die ik nooit vergeet.’

Erfgoeddrager: Marouan

‘Het verzet had allemaal verstopplekken gemaakt in ons huis’

Carla Kaplan-Gobitz zat ondergedoken in haar eigen huis, samen met haar familie. Ze verloor haar vader, zussen en broer in de oorlog. “Je mocht natuurlijk nooit buiten spelen, want dan wisten andere mensen wie je was.”

Hoe kon u onderduiken in uw eigen huis?
“Het verzet had allemaal verstopplekken gemaakt in ons huis en dat werkte zo goed dat er steeds meer onderduikers bij kwamen. Sommigen van hen hadden eerst in een rioolbuis verstopt gezeten. Ik vond het onderduiken vreselijk. Iedereen was bang, en ik kon niet spelen. Je mocht niet de gordijnen open doen. Je moest heel stil zijn, want het moest net lijken alsof er niemand woonde in dat huis. Als we de trap opgingen, moesten we heel zachtjes lopen. En we woonden in een bocht in de Vegastraat. Dus als er een auto langs ons huis reed, dan moest hij afremmen in die bocht. Elke keer stond ons hart bijna stil. Als de auto zou stoppen, dan zou het alleen maar voor ons zijn, om ons uit huis te halen. Dan waren we verraden. Die angst was er altijd. Elke dag. Elke nacht. Een keer werd er bij ons aan de deur geklopt, rond Sinterklaastijd, maar niemand durfde open te doen. Toch is mijn moeder toen gaan kijken en ze kwam terug met een zak vol aardappelen, boerenkool en een varkensworst. Ondanks dat Joodse mensen eigenlijk geen varkensvlees eten, hebben we meteen alles opgegeten.”

Kende u NSB’ers?
“Na de oorlog ben ik verpleegster geworden en toen kreeg ik een collega: Liesje. Haar ouders waren heel fout geweest in de oorlog. Na de oorlog moesten ze naar een kamp omdat ze zulke nare dingen hadden gedaan. Liesje kon het leven niet meer aan. Op een gegeven moment is ze uit het raam gesprongen. Ze kon niet verdragen wat haar ouders hadden gedaan.”

Wat heeft u het meest gemist in de oorlog?
“Vrijheid. Om naar buiten te gaan. Om te spelen. Om met mensen te praten. Om je niet te moeten verstoppen. Vrijheid is heel belangrijk. Vrijheid om te zeggen wat je wilt, zonder te kwetsen. Om te zijn wie je wilt, zonder dat je het opdringt aan de ander. Het woord ‘vrijheid’ is heel belangrijk. En ik denk dat vrijheid nog altijd zo belangrijk is, omdat er niets is veranderd na die oorlog. Er is nog steeds zoveel onvrijheid in de hele wereld.”

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892