Erfgoeddrager: Magnus

‘Toen mijn vader na de oorlog terug was uit Indië, was dat best moeilijk’

Alex Waslander (90) is er al als de kinderen de lerarenkamer van de Willem-Alexanderschool in Bergen binnenlopen. Hij is op de fiets en heeft allerlei bonnenboekjes bij zich. Magnus, Seth, Willemijn, Jill en Lola installeren zich rond de grote tafel en beginnen meteen! Meneer Waslander was 5 jaar toen de oorlog begon en

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren in Indië, dat heet nu Indonesië. Vlak voor de oorlog uitbrak, zijn wij naar Nederland verhuisd. Maar mijn vader, die marinier was, bleef tijdens de oorlog in Indonesië. Hij vocht op de Javazee.

In Nederland woonden we eerst in Den Helder. Maar we zijn wel zes keer verhuisd tijdens de oorlog. Van Den Helder naar Bergen, Egmond, Loenen, Winschoten, Koedijk en weer naar Bergen. Daardoor zat ik ook op allerlei verschillende scholen.’

Wat aten jullie in de oorlog?
‘We kregen bonnenboekjes waarmee je bij de gaarkeuken eten kon halen. Ook gingen we arenracen. Zodra het koren was gemaaid, mochten wij de aren rapen die achter waren gebleven. Dan raceten we door de velden om zoveel mogelijk aren te rapen. Zo konden we weer brood maken. Met een beetje meel met water maakten we deeg en dat bakten we op een klein kacheltje. Dat brood noemden we platters: het bleef plat omdat we geen gist hadden.

Soms ging ik op de fiets naar Langedijk en Pancras, naar de boeren om te vragen of ze eten hadden voor ons. Dat waren hongertochten, dan ging je bedelen om eten. Het was niet altijd makkelijk.Ook ging ik regelmatig worteltjes jatten bij de boeren.

We logeerden ook een keer in een huis van een boer die kool verbouwde. De kolen werden met een bootje door allerlei slootjes naar de veiling gebracht, wij pikten dan kolen van de bootjes. In Koedijk woonden we bij een boer, waardoor er altijd wel iets te eten was. En omdat mijn moeder de vrouw was van mijn vader die vocht voor het vaderland gaven de mensen ons vaak iets.’

Heeft u iets heftigs meegemaakt?
‘In Loenen verbleven we mijn oom. Op een dag vlogen er Engelse vliegtuigen, spitfires, over. Mijn oom was in de tuin aan het werk toen er een Duitse kolonne langskwam. De spitfires begonnen te schieten en mijn oom werd geraakt. Ik zag hem daar dood op de grond liggen in de tuin. Heel heftig.

Als er door het kanaal van Koedijk Duitse schepen naar Den Helder voeren, waren er vaak honderden Engelse vliegtuigen die de schepen beschoten. De Duitse soldaten op de schepen schoten terug. Op zo’n moment gingen we razendsnel naar de kelder totdat het voorbij was. Maar wij hadden als kind geen idee wat oorlog echt was, dus we gingen dan toch de kelder uit om te kijken naar de beschietingen. Mijn moeder werd dan zo boos…

Op een dag was ik bij mij oma en opa in Alkmaar toen iedereen die op straat liep werd aangehouden. Mijn opa zag er wat Joods uit, en werd opgepakt en in de vrachtwagen gegooid. Gelukkig werd hij na een uur weer vrijgelaten.’

Wat ging er door u heen toen de bevrijding kwam?
‘We woonden toen in Koedijk, en bij de Vlotbrug langs het kanaal arriveerden de Canadese bevrijders. Wij gingen kijken en kregen chocola. Ik wist bij god niet wat dat was… zoiets zoets en aparts in je mond, dat had ik nog nooit gehad. De optocht van zoveel Canadese bevrijders en de chocola was overweldigend. De oorlog was nu echt voorbij.’

Kwam uw vader terug uit de oorlog?
‘
Ik zat op een dijkje toen er een man kwam aanlopen. Ik zei tegen hem: ben jij mijn vader? En hij zei: als jij Alex heet ben ik jouw vader. Ik had hem zes jaar niet gezien. Ik was drie jaar toen we vertrokken uit Indonesië, dus ik kon me ook niet echt iets over hem herinneren.

Toen mijn vader terug was, was dat best moeilijk. Daarvoor hadden we veel vrijheid, geen vader die je een draai om de oren gaf. Ik had geen idee hoe hij was, maar hij bleek heel streng. Dat was best ingewikkeld, ook voor mijn moeder. Mijn vader en moeder moesten helemaal opnieuw beginnen met hun huwelijk en elkaar opnieuw leren kennen.

Toen mijn vader terug was, kregen we een huis aan de Doorntjes 44, daar woonde tijdens de oorlog een NSB’er. Wij mochten dat huis hebben omdat mijn vader een oorlogsheld was. Van de 380 mannen die vochten op de Javazee is de helft niet teruggekomen, mijn vader heeft geluk gehad.’

Erfgoeddrager: Magnus

‘We dachten dat we echte Nederlanders waren’

Annemarie ten Brink is in 1931 geboren in Surabaya in Nederlands-Indië. Als de Japanners het land bezetten, is ze elf jaar oud. Ze heeft in drie jappenkampen gezeten. Na de capitulatie vertrekt de familie eind 1945 met de boot, via Sri Lanka, naar Nederland. Hier dacht ze net als de andere Nederlanders te zijn. Aan Max, Karim, Magnus, Izaias en Lukas, tweedeklassers van de middelbare school ALASCA in Amsterdam, vertelt ze via de computer haar verhaal.

Hoe was uw jeugd in Jakarta?
‘Ik had een leuke, maar ook zware jeugd. Mijn vader was marineofficier en zag ik niet vaak. Voor we gevangengenomen werden, kon ik overal buiten spelen; lekker ballen overgooien en rondrennen. Ik was elf jaar ten tijde van de overgave aan Japan, januari 1942. Eerder was de oorlog in Nederland al uitgebroken. Als er bombardementen waren, scholen we in de schuilkamer onder ons huis. We hadden een stukje rubber dat we dan in onze mond konden doen, zodat onze kiezen niet vast kwamen te zitten door de knal. Ik heb het nooit gebruikt. Ook hadden we helmen om ons te beschermen tegen stenen die eventueel op ons zouden vallen. Als kind ben je minder bang, want je weet niet echt wat er aan de hand is.’

Hoe was het leven in het kamp?
‘Van mijn elfde tot mijn veertiende heb ik in drie verschillende kampen gezeten met mijn moeder, broertje en twee zusjes. Mijn vader zat in het mannenkamp; daar waren de omstandigheden veel heftiger. Het eerste kamp waar ik zat, was het beste. Het was niet fijn natuurlijk, want er was niet genoeg eten en onze veiligheid was ook niet helemaal zeker. Er zat een hek omheen, waar we heel makkelijk over konden klimmen. Niemand deed dat, want waar zou je heen moeten? Overal was oorlog en thuis was onveiliger dan in het kamp. Daarom bleven wij in het kamp. Het tweede kamp was het ergste. We zaten daar met tweeduizend mensen in een gebouw dat gebouwd was voor vierhonderd mensen. Er was een douche en een wc voor 125 – onbekende – mensen. Iedereen had een taak en ik kreeg de meest vieze, zoals de wc schoonmaken. Na een tijdje kreeg ik ook betere taken, zoals keukendienst. Het derde kamp bestond uit onbruikbare kazernes met houtworm in de bamboemuren. Ik kreeg een matje van 50 centimeter om op te zitten en dat was het. Ik had veel geluk want ik zat daar met familie en we hadden ook meer plek dan de meeste andere mensen.’

Hoe was de Bevrijding?
‘We wisten niet wanneer die kwam of die kwam en of wij het zouden meemaken, omdat we geen contact met de buitenwereld hadden. Na bijna vier jaar in kampen ging een Japanner opeens op een stoel staan en schreeuwde: jullie zijn bevrijd. Er waren twee atoombommen op Japan gegooid. Maar bevrijders waren er niet en we konden nergens heen. Toen er tien dagen later oorlog uitbrak met Indonesië moest ik nog zes maanden in het kamp blijven. Soms werden we beschermd door de Japanners.
Mijn vader heeft de oorlog niet overleefd. Vroeger was hij een leuke, vrolijke vader waar veel van mocht, maar na de Slag in de Javazee die hij meemaakte, was hij een totaal ander mens. Strenger, sneller boos. Ik vond mijn vader vreselijk. Mijn ergste trauma is dat ik hem ben verloren, terwijl ik ruzie met hem had.’

Wanneer kwam u naar Nederland en hoe was de reis en aankomst?
‘Op mijn vijftiende zijn we naar Nederland gegaan. Dat was in 1946. Ik vond het niet zo’n fijne reis; mensen hingen in het ruim in hangmatten boven banken en tafels. De banken waren van hout dus moesten we wel in hangmatten slapen, maar veel Indische mensen vonden dat niet fijn, dus sliepen ze op de vloer en werden ze zeeziek. In het ruim stond al een grote bak klaar om in over te geven; de matrozen wisten dat veel mensen zeeziek zouden worden. Het stonk er heel erg naar braaksel en in die lucht moesten wij eten en slapen. Soms werd de bak verschoond en stonk het wat minder, maar het bleef een vieze lucht.
In Nederland dachten we dat wij echte Nederlanders waren, maar al snel bleek dat niet zo te zijn. Wij Nederlands-Indiërs werden vies aangekeken, omdat we een ander kleurtje hadden dan de mensen die hier woonden. Ook spraken we anders; met een accent en een mix van Nederlands en Indisch. We waren geen ‘echte’ Nederlanders.’

 

       

 

Erfgoeddrager: Magnus

‘Bleek dat mijn school op het Mosplein was platgebombardeerd’

Met de auto rijden Steffan, Magnus, Hugo en Gijs van De Weidevogel in Ransdorp naar het huis van Jan van de Linden in Oostzaan. Ze worden hartelijk ontvangen door meneer en mevrouw Van der Linden, met chocolademelk en een koekje. ‘Goh’, zegt hij, ‘dat jullie helemaal uit Ransdorp zijn gekomen, jongens… Zijn jullie ook allemaal op die toren geweest?’

Wat was het moeilijkste aan de oorlog?
‘Ik was nog maar heel jong. Het zei me allemaal niet heel veel, maar ik vond het eigenlijk best spannend. Om je heen gebeuren dingen die je op dat moment niet kunt verklaren. Eigenlijk realiseer ik me soms nu pas echt wat er is gebeurd. Daarom kan ik af en toe ook best een beetje emotioneel worden.’

Ging u naar school?
‘We gingen aanvankelijk gewoon naar school. Hebben jullie gehoord van het bombardement op Noord? Ik lag in mijn bed en het leek opeens alsof er een zak aardappelen op zolder werd leeggeschut. Bleek dat mijn school op het Mosplein bij het bombardement helemaal was platgebombardeerd. We zijn toen allemaal ingedeeld bij een andere school in de Azaleastraat. Als er luchtalarm was, kwamen de mensen uit de buurt naar school om de juffrouw een beetje bij te staan, ook mijn moeder. Op een gegeven moment was er zo’n herrie. Ik weet nog dat we met z’n allen tegen de achtermuur van de school waren gedrukt, angstig te zijn.’

Had u Joodse kinderen in de klas?
‘Nee, wij hadden geen Joodse kinderen in de klas, maar er zijn wel Joodse mensen bij ons in de straat weggehaald, tenminste dat begreep ik achteraf. Ik speelde op straat en zag ineens een kind met een stuk speelgoed in de hand. Aan het eind van de straat woonden Joodse mensen, en dat huis werd leeggehaald. De mannen die het huis leeghaalden, waren van de firma Puls, ze hadden een contract met de Duitsers. Het speelgoed dat ze uit het huis haalden, deelden ze uit aan de kinderen op straat. Men zei toen ook wel: ‘de huizen van de Joden worden gepulst’. Mijn vader is ook een keer weggevoerd want hij moest net als alle mannen die in dienst waren geweest, in Duitsland gaan werken. Dat waren allemaal gevangenen, dwangarbeiders. Toen hij in de buurt van Amersfoort kwam, mocht hij gelukkig terug. Waarom hij terug naar huis mocht, weten we nu nog steeds niet. Misschien was hij overtollig. Maar dat maakte niks uit, hij mocht terug naar huis!’

Had u genoeg te eten in de Hongerwinter?

‘De Duitsers hadden alles gerantsoeneerd. Eten was op de bon. Maar ik heb nooit echte honger gehad. De aanleiding voor de Hongerwinter was de spoorwegstaking. De Duitsers hebben toen alle aanvoer gestopt. Zo raakten de voorraden op en begonnen de hongertochten naar de boeren in Friesland en Noord-Holland om eten op te halen. Mijn vader is ook gegaan. De tweede keer ging hij naar de Wieringermeerpolder. Ik herinner me dat mijn vader helemaal in shock thuis kwam. Wat bleek: onderweg werd hij staande gehouden door de Duitsers en moest hij toekijken hoe tien mannen uit een vrachtwagen werden getrapt, op een rij werden gezet en werden gefusilleerd. Hij is in paniek naar huis gefietst. Helemaal in shock. De kolen waren ook op in de Hongerwinter. Het was hartstikke koud en er lag veel sneeuw. Lege huizen werden direct gesloopt en al het hout verdween in de kachel. Mijn vader werkte bij Shell als stoker. Ze hakten de brokken stookolie van de gebombardeerde fabriek in stukken. Als een soort appelstroop. Dat deden ze in het kacheltje. Het kacheltje werd helemaal rood van de hitte! Weten jullie dat ik dat kacheltje nog heb? Willen jullie het zien?’