Erfgoeddrager: Lucy

‘Vrouwen vielen flauw van de geur van brood’

Met modderige schoenen komen Amara, Lucy en Neeltje van basisschool De Weidevogel in Ransdorp bij Els Burger aan. Ze waren een film aan het opnemen op het Vuurtoreneiland, in de buurt van hun school, voor ze naar het interview gingen. Mevrouw Burger begroet de kinderen met een grote lach. ‘Wel even jullie schoenen uit doen, anders moet ik straks weer dweilen’, zegt ze vrolijk. De kinderen gaan zitten op de bank en beginnen met hun vragen. Naast mooie verhalen heeft mevrouw Burger veel bijzondere spullen die haar verhaal nog levendiger maken, zoals bonnenboekjes, een voedseltrommel gedropt door de geallieerden en foto’s. Als ze later weer buiten staan zeggen de kinderen meteen: ‘Wat een ontzettend lieve mevrouw!’

Kende u Joodse mensen in de oorlog?
‘Ik was natuurlijk nog heel jong in de oorlog, maar vlak erna had ik een Joods vriendinnetje, Marleen. Ze woonde in de Kalkoenstraat in Amsterdam-Noord. Op één hoog was de woonkamer en op twee hoog de slaapkamers. Ik weet nog goed dat ik na school met Marleen naar huis ging. We moesten dan een kale houten trap op. Beneden aan de trap riep Marleen al naar boven: “Mama, ik ben het, Marleen, ik kom er aan!” Het huis was bijna helemaal leeg en heel kaal, alleen in de keuken stond een tafel met wat stoelen. En in de woonkamer een linnenkast. In de kamer riep Marleen weer: “Mama, ik ben thuis”. Dan kwam de moeder van Marleen de linnenkast uit. Uit angst had ze zich daar verstopt. Dat vergeet ik nooit meer.’

Heeft u een bombardement meegemaakt?
‘In de jaren ‘80 kwam ik weer terug naar Amsterdam nadat ik was verhuisd naar Twente. Dat jaar werd herdacht dat de oorlog 40 jaar geleden was. De gemeente had bedacht om tijdens de herdenking bommenwerpers te laten overvliegen. Toen ik dat geluid hoorde, raakte ik in paniek. Ik werd heel angstig en moest ook hard huilen, waarom wist ik eigenlijk niet. Ik ben naar mijn moeder gegaan om te vragen wat er tijdens de oorlog was gebeurd. Mijn moeder vertelde dat ons huis was gebombardeerd. Het gebeurde toen mijn vader in een kamp in Duitsland zat. Mijn moeder had mij en mijn zusje die dag thuisgelaten omdat ze eten ging halen in Ilpendam of Purmerend. Mijn oma paste op. Mijn moeder hoorde de bombardementen en vroeg aan mensen: “Waar zijn de bommen gevallen?” En toen ze hoorde dat het in de Spechtstraat was, is ze rennend naar huis gegaan. Wij woonden in de Spechtstraat 21, in het bovenhuis. Er was wel schade, de deur kon niet meer open en de ramen waren kapot. Later kwamen we erachter dat op ons huis en het huis op nummer 27 na alle woningen in onze straat waren verwoest. Soms, als ik ergens flitsen zie, komen de herinneringen weer naar boven. Op zo’n moment ben ik nog altijd bang.’

Wat weet u nog over de Hongerwinter?
‘Mijn moeder maakte gekookte suikerbiet en soep van tulpenbollen, dat was niet zo lekker hoor! Aan de Laanweg was een gaarkeuken, ik herinner me vooral de waterige soep en de hutspot. Op het eind van de oorlog was er op de Heimansweg een winkel waar je met bonnen brood kon halen. Van een afstand kon je de geur van versgebakken brood al ruiken. Ik weet nog dat de vrouwen in de rij flauwvielen van de honger en de geur van brood. Met je stamkaart, een soort identiteitsbewijs, kon je bonnen ophalen voor voedsel en andere producten. Maar ook al had je bonnen, in 1944 was er helemaal niets te krijgen. In Duitsland had mijn vader een jongen leren kennen uit Blijham, een Gronings dorp. Die jongen vertelde mijn vader dat als zijn gezin honger zou hebben, ze naar Blijham mochten komen. Ik kan me de reis met mijn moeder en zusje nog goed herinneren. Ruim zes uur waren we onderweg met de trein. In een houten coupé met houten bankjes. Soms moesten we de trein uit omdat er vliegtuigen overkwamen. Vlak na de oorlog ben ik samen met mijn zusje weer naar Blijham gegaan. We waren nog heel jong, maar gingen wel alleen met de trein naar Groningen. Mijn ouders konden alleen maar twee kaartjes betalen. Mijn moeder vroeg de conducteur een oogje in het zeil te houden en in Groningen werden we van het station opgehaald. Ik ben nog heel lang elk jaar naar Blijham gegaan. De vrouw van het gezin waar we verbleven, was als een tante voor me. Ze is ook getuige geweest bij mijn huwelijk.’

         

Erfgoeddrager: Lucy

‘Als ik bij de beschietingen geen fluitgeluid hoorde, wist ik dat er dan niet op mij werd geschoten’

Lucy, Jens, Eduward, Niemy werden ontvangen door Jan Willem Egter van Wissekerke (83 jaar) en zijn vrouw. Ze namen naast elkaar plaats op de bank en de leerlingen zaten er allemaal omheen. Jan Willem vertelde heel makkelijk over zijn tijd in Nederlands-Indië en zijn vrouw vulde hem soms aan als hij naar haar idee iets niet goed vertelde. Dat was heel grappig. Hoewel ze veel hadden meegemaakt, hebben ze allebei veel humor. De leerlingen schoten vaak in de lach, ondanks de zware onderwerpen.

Hoe was het om op te groeien in uw geboorteland?
‘Ik kom uit een gezin van vier kinderen. Mijn vader was van Nederlandse afkomst en mijn moeder had Frans-Indonesisch bloed. Mijn vader had een suikerrietplantage in Semarang, midden Java. Tot de oorlog begon hadden wij het heel goed, maar toen de Japanners kwamen ging het snel van heel goed naar heel slecht. Mijn vader werd opgepakt en ons huis werd ingenomen door het Japanse leger. We zaten eerst in een kamp omdat we Nederlands bloed hadden, maar omdat mijn grootmoeder volbloed Indonesisch was, mochten we eruit en werden we zogenoemde ‘buitenkampers’. Als buitenkamper was het leven ook zwaar, omdat mijn moeder er alleen voor stond; mijn vader moest in het leger. We hadden geen inkomen en het was als buitenkamper moeilijk om aan eten te komen. Maar omdat wij goed voor de Indonesische mensen hadden gezorgd toen we het nog goed hadden, deden ze dat op hun beurt in de oorlog voor ons.’

Toen de Japanse bezetting voorbij was, was u een jaar of tien. Hoe was het toen?
‘Ik moest op een gegeven moment met mijn broertjes en zusjes en mijn moeder vluchten naar een klooster. Door ons Nederlandse bloed waren we dit keer juist op de vlucht voor de Indonesiërs, die streden voor de onafhankelijkheid. En dit keer werden we beschermd door de Japanners, vreemd genoeg. Onderweg slopen we door een lage rivier, waar Nepalezen stonden die op ons schoten. Als ik bij het beschieten geen fluitgeluid hoorde, wist ik dat er dan niet op mij werd geschoten maar op iets of iemand anders.
Gelukkig kwam mijn vader weer terug na de oorlog. Omdat wij Nederlandse naam en dus Nederlands bloed hadden, werd er na de onafhankelijkheid van Indonesië tegen ons gezegd dat we terug moest naar ons eigen land (Nederland). En dat terwijl wij in Indonesië geboren waren. Maar mijn vader vond het op een gegeven moment beter dat we naar Nederland vertrokken, omdat we in Indonesië toch geen werk konden krijgen. En zo gingen mijn broer en ik met een koffer en een zak geld naar Nederland. Via een kennis kregen we tijdelijk onderdak in Scheveningen. Twee jaar later kwam ook de rest van mijn familie.’

En vond u in Nederland wel werk?
‘Ik was achttien toen ik in Nederland kwam en ik had net zes jaar vwo afgerond. Ik wilde bouwkunde gaan studeren, maar ze stuurden me naar de LTS. Al na twee weken viel het leraren op dat ik hier niet thuishoorde. Na een half jaar stroomde ik door naar de HTS en haalde ik mijn diploma binnen twee jaar. Ik solliciteerde bij de NS, waar ik tot mijn pensioen met veel plezier heb gewerkt. Soms ga ik terug naar Indonesië, maar ik ben heel gelukkig hier met mijn vrouw en kinderen.’

 

 

 

Erfgoeddrager: Lucy

‘Een mens heeft een instinct, je wil altijd blijven leven’

‘Je mag jij zeggen, je mag oma zeggen, je mag tante zeggen en ik heet Bep, dus zeg maar Bep, dat is makkelijk.’ Bep  Zijlstra nam Nikolas, Bodhi Jay, Fabio en Lucy van de Rosa Boekdrukkerschool mee langs haar oude huis. Daar aangekomen belde Bep aan en zo stonden ze opeens met z’n allen in het huis waar ze tijdens de oorlog woonde. Hier vertelde zij een spannend verhaal over het kolenhok.

Wat is het verhaal van het kolenhok?
Ons kolenhok grensde aan een slagerij. De slager had aan zijn kant een deurtje gemaakt. Soms kregen de Duitsers een tip van iemand dat de slager vlees in de winkel had en dan kwamen ze controleren. Als de slager dan een seintje kreeg dat de Duitsers er aan kwamen, deed hij heel gauw het vlees in een koffer. Die gooide hij door dat deurtje naar ons huis. Mijn moeder hoorde die koffer neerploffen in ons kolenhok en haalde de koffer snel in huis. We gooiden er een kleedje over en zetten er een poppenservies op en dan gingen mijn zusje en ik daar zitten spelen. Die Duitsers controleerden de slagerij maar konden niks vinden. Daarna kwamen ze ook bij ons zoeken, want wij woonden er naast. Het enige dat ze zagen, waren 2 kindjes die met een poppenserviesje speelden. Naast dat poppenservies hadden we totaal geen speelgoed. Toen bracht mijn vader op een dag, in ’43 of ’44, een hele ouderwetse, houten poppenwagen mee. Nou, dat was nog mooier dan het allerduurste computerspelletje. Wat waren wij er blij mee.’

Als u terug denkt aan de oorlog, waar denkt u dan aan?
‘Toen de oorlog begon was ik 4 jaar en bij de bevrijding was ik 9. Als kind beleef je situaties, die heel gruwelijk zijn, heel anders dan volwassenen. In die tijd werden er veel cowboy films getoond, waarbij die cowboys vaak werden doodgeschoten. Als je iets bij de Duitsers deed wat niet mocht, werden er soms zomaar mensen van huis gehaald, in een rij tegen een muur gezet en doodgeschoten. Ik heb dit ook een keer gezien, op de Witte de Withstraat. Ik was met één van mijn broers en één van mijn zussen daar gewoon op straat aan het spelen. Wij stonden er op een paar meter afstand naar te kijken. We werden meteen naar binnen gehaald door mensen die daar woonden. We mochten absoluut niet naar buiten kijken maar ik deed dat alsnog natuurlijk. Wij waren jonge kinderen dus wij waren hartstikke nieuwsgierig. Als kind zie je dat gebeuren, maar ik dacht dat het net zoiets was als in de cowboyfilms. Later weet je pas echt wat het betekent. Dat al die vaders van kinderen en zonen van moeders doodgeschoten werden. Ik ging bij wijze van spreken gewoon weer rustig verder met spelen.’

Heeft iemand van uw familie in een kamp gezeten?
‘Een oom van mij was opgeroepen om te moeten werken in Duitsland, zoals veel mannen. Hij wilde niet naar Duitsland dus hij is gaan onderduiken. Helaas is hij door iemand verraden en moest hij voor straf naar een kamp in Duitsland. Die kampbewaarders daar waren hele gemene mensen, sadisten noem je dat. De gevangenen moesten op een binnenplaats in de rondte lopen. Die Duitsers hadden 3 witte stippen gemaakt in dat rondje. Als zo’n soldaat op een fluitje blies, moest degene die het dichtst bij een witte stip stond naar de middenstip komen. Daar had één van die Duitse soldaten gepoept. De gevangene moest dat opeten en doen alsof het een taartje was. Je gezicht mocht niet vertrekken, anders werd je doodgeschoten. Ook als je weigerde, werd je doodgeschoten. Wij dachten dat mijn oom het nooit zou hebben opgegeten als hij toevallig bij de stip stond. Maar hij zei tegen ons dat als hij de klos was geweest, hij het ook had opgegeten. Een mens heeft een instinct, je wil altijd blijven leven, wat je er ook voor moet doen. Je hebt een vrouw en kinderen thuis zitten en je wil terug naar je gezin.’

Hoe was de hongerwinter?
‘We waren thuis met 6 kinderen en die moesten wel eten. Zelf heeft mijn moeder haast niks kunnen eten, want alles wat ze had, gaf ze aan de kinderen. Dat zullen jullie later ook merken. Voor je kind heb je alles over. Mijn vader probeerde overal eten vandaan te halen. Hij heeft een keer ergens bij een boer een half varken vandaan gehaald. Dat had hij zo over het stuur van zijn fiets gehangen met een zak er over. Hij fietste daarmee naar de slager bij ons om de hoek. Onderweg werd hij betrapt door een politieagent, die samenwerkte met de Duitsers. Mijn vader heeft die agent toen een stuk van dat varkensvlees beloofd. De agent had ook niks te eten, dus hij heeft mijn vader toestemming gegeven om door te rijden. Later tijdens de hongerwinter zijn wij naar Friesland gestuurd. Ik heb daar een feest beleefd. Ik kreeg ’s middags gebakken aardappelen met lekker vlees en groenten en ’s avonds weer warm eten. ’s Morgens kreeg ik pap, yoghurt, brood of wat je maar wilde. Ik wist niet wat me overkwam. Toen ik terug kwam, was ik echt een beetje dik geworden.’

 

              

Erfgoeddrager: Lucy

‘Tot vanavond en lief zijn hoor!’

In een stijlvol ingericht appartement luisteren Themi, David, Karma en Lucy van basisschool De Nautilus met een en al oor naar het bijzondere, maar vooral dramatische oorlogsverhaal van de Joodse Salo Muller. Hij was pas vier jaar toen de oorlog begon, maar kan zich deze verschrikkelijke tijd nog goed herinneren. Zijn ouders zijn allebei in Auschwitz vermoord; Salo Muller zat op acht verschillende adressen ondergedoken. Over zijn belevenissen in de oorlogsjaren schreef hij Tot vanavond en lief zijn hoor!, een boek dat de kinderen na afloop van het interview mee naar huis kregen.

Wanneer werden uw ouders opgepakt door de Duitsers?
‘Mijn moeder bracht mij op een dag in 1942 naar school, ik was toen zes jaar. ‘Tot vanavond en lief zijn hoor!’ is het laatste wat ze tegen mij zei. Ze werd op haar werk door de Duisters opgepakt en naar de Hollandse Schouwburg gebracht. Aan de andere kant van de Schouwburg had je de kindercrèche, waar alle joodse kinderen ‘bewaard’ werden. De buurman van mijn ouders kreeg een telefoontje van de Duitsers dat ik naar de crèche gebracht moest worden, maar dat vond hij te gevaarlijk. Ik werd naar mijn oom en tante gebracht. Op een dag moest ik van mijn tante achter de deur gaan staan en ik mocht pas naar boven komen als zij het zei. Er was een razzia en twee Duitse soldaten stormden binnen met een geweer. Mijn tante was slim en zei tegen de Duitsers: “We kunnen niet mee, want mijn dochter heeft roodvonk.” Als de Duisters ergens bang voor waren, was het wel voor besmettelijke ziektes. Dus wat deden ze? Ze plakten een briefje op de deur met ‘besmettelijke ziekte’. Over drie weken zouden ze terugkomen. Precies op dat moment kwam ik, eigenwijs jongetje dat ik was, achter de deur vandaan. Ik werd in de overvalwagen gegooid en naar de Schouwburg gebracht. Daar zag ik mijn vader en moeder op het toneel staan. Het zou de laatste keer zijn dat ik zag.’

Wat is er daarna met u gebeurd?
Ik ben uiteindelijk uit de kindercrèche gesmokkeld en heb daarna op acht onderduikadressen gewoond. Wat je dan het meest mist? Je vader en moeder! Je komt steeds bij vreemde mensen terecht, waar je niks mag en kan doen. Ik mocht niet op straat gezien worden en ik mocht ook niet naar school. Ik zat de hele dag een beetje in de woonkamer. Op een gegeven moment woonde ik bij een gezin, waarvan de zoon een gitaar had. Ik mocht absoluut niet aan zijn gitaar zitten, maar die gitaar had een magische aantrekkingskracht. Als de jongen weg was, pakte ik stiekem zijn gitaar om er op te tokkelen. Sukkel die ik was, legde ik de gitaar dan net verkeerd terug, waardoor hij er altijd achter kwam. Hij sloeg me dan zo verschrikkelijk hard, dat de dokter moest komen en ik uiteindelijk uit huis gehaald ben. Bij zeven onderduikgezinnen heb ik het heel slecht gehad, maar bij het achtste had ik het goed! Het oude echtpaar ‘Beppe en Omke’ was lief voor mij en het voelde bijna alsof het mijn eigen opa en oma waren.’

Hoe vindt u het om over de oorlog te praten?
Ik had in het begin heel veel moeite met het vertellen van het verhaal, maar nu ik het zo vaak verteld heb gaat het beter. Ik vind het erg belangrijk om mijn verhaal door te vertellen. Auschwitz heb ik nog niet kunnen bezoeken, maar ik ben van plan dat in de toekomst wel te doen. Mijn vrouw en ik hebben voor mijn vader een moeder struikelsteentjes laten leggen voor het laatste adres waar ze gewoond hebben, in de Molenbeekstraat 34. Af en toe gaan we daar heen om aan ze te denken en stil te staan bij wat er allemaal is gebeurd.’

        

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892