Erfgoeddrager: Lucas

‘Ik mocht niet weten waar hij was’

Juno, Lucas, Jacky en Sparkle uit groep 8B van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam hebben mevrouw Ilse Schuurman geïnterviewd. Ze is geboren in 1937 en woonde tijdens de oorlog in Amsterdam-West, aan de rand van de stad. Ze was enig kind. Mevrouw Schuurman heeft allemaal spulletjes uit de oorlog bewaard, zoals een knijpkat en bonnenboekjes, dat was heel bijzonder.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
‘Ik kan me nog heel goed herinneren dat ik met mijn moeder op de veranda stond. En dat er een brandend vliegtuig overkwam. Ik was nog maar heel klein en toch zie ik dat vliegtuig voor me. En toen ik vijf jaar was, moesten de radio’s ingeleverd worden. Dat wilden mensen niet, ze wilden alles over de oorlog horen. Een oom van mij luisterde stiekem naar radio Oranje en typte het uit. Mijn vader ging dan ’s avonds stiekem de illegale krantjes rondbrengen. Dat was best gevaarlijk, want hij liep dan in het donker over straat en soms ging dan ineens een zoeklicht aan en moest hij zich verstoppen in een portiek. Ze hadden vroeger ook hele diepe kinderwagens, er lag onderin een plank met een gat, daar lag een matrasje op. Daar verborgen ze ook illegale krantjes in.’

Hoe voelde u zich tijdens de oorlog?
Wat ik wel een beetje spannend vond, waren bijvoorbeeld de razzia’s. Dus dat er mensen opgepakt werden. Dan werd iedereen gewaarschuwd. De mannen doken onder, want anders moesten ze naar Duitsland om te werken. Dus dan kwam mijn vader niet thuis ‘s avonds. Maar ik mocht niet weten waar hij was. En dan na een paar dagen kwam hij wel weer thuis. Dat was natuurlijk wel angstig, dat mijn vader er niet was. Achteraf weet ik wel waar hij geweest is. Want zijn ouders woonden in een groot huis aan de Leidsegracht. En daar waren allemaal verstopplekken. Maar als wij dat wisten en de Duitsers zouden ons iets vragen, dan werd iedereen opgepakt, natuurlijk.’

Hoe kwamen jullie aan eten en kleding?
We hadden allemaal bonnen. Iedere week werd bekend gemaakt welke bon je kon inleveren om iets te halen. Bijvoorbeeld schoenen en eten. We hebben rare dingen gegeten, zoals suikerbieten. Mijn moeder maakte suikerbietenstroop. Dat was heel vies, prikkelde op je tong. Maar als je niks hebt, eet je het toch. Vooral in de hongerwinter at je alles. Ook tulpenbollen.  Soms waren er gaarkeukens in de school, dan kreeg je aardappelschillensoep. Dat was heel erg vies.’
‘Soms ging ik ook met mijn moeder naar het land om aren op te rapen, die op het land waren achtergebleven. Dan konden we daar meel van maken. Later in de oorlog kwamen ook nog de voedselpakketten met Zweeds wittebrood. Nou, dat was net of het cake was. |dat was een traktatie.’
‘En als je schoenen te klein waren, dan sneden ze je neuzen eruit. Dan werden het een soort sandalen. Maar je kreeg hele koude voeten! Mijn moeder was gelukkig erg handig en maakte steeds van oude kleding weer nieuwe kleding. Ik had ook een mutsje van een konijnenvelletje. Dat was lekker warm, maar dat zou ik nu natuurlijk nooit meer dragen.’

Hoe bent u ziek geworden?
Ik heb een ernstige longontsteking gehad toen ik zes jaar was.  In de oorlog was er nog geen antibiotica. Ik had hoge koorts. Het heeft zes weken geduurd. Ik moest zwarte koffiedrinken als pepmiddel. Ik weet nog dat het heel erg vies was. Het was hongerwinter maar de hele buurt kwam toch iets brengen. Een beetje boter of een ei of wat anders, Ze waren heel zorgzaam. Een dag nadat ik ziek werd, was er geen stroom meer. Veel mensen zetten een fiets in de kamer. Dan moesten ze trappen en had je een klein beetje licht En mensen haalden ook de houten blokjes weg tussen de tramrails, voor in de kachel.’

 

 

 

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Lucas

‘We waren zo mager als een lat, onze ribben waren te zien’

De vader van Anton Stephan (1933) was officier bij de luchtmacht van het KNIL en had veel aanzien. Ze woonden dan ook in een luxe huis met een baboe voor elk kind, een kok en een tuinman. Toen de oorlog uitbrak veranderde alles en bracht meneer Staphan jaren met zijn moeder, inmiddels weduwe, door in verschillende kampen. Lucas, Fos en Cole van de Talisman in Eindhoven hebben zijn voorgeschiedenis gelezen en willen hem graag nog allerlei vragen stellen.

Hoe werd u behandeld in de kampen?
‘Dat hing af van de omstandigheden van het kamp zelf, in het ene kamp waren de kampcommandanten vriendelijker dan in het andere kamp. Maar ze waren allemaal heel streng en iedereen moest werken hoe klein je ook was. Ik was negen jaar en moest schoonmaken en wieden. Je kreeg heel weinig eten en als je ziek was, waren er geen medicijnen of soms ook geen dokter, dus dat was niet best.

Naarmate de oorlog vorderde, kregen we steeds minder eten en werden we strenger behandeld. Het eten dat we kregen in de ochtend en avond was een bord pap. Een soort stijfsel, gekookt van meel. En daar kreeg je een lepel van, gekookt in water, zonder suiker… het smaakte vies, maar je at alles op want je had honger. We kregen zo’n 100 gram en dat is eigenlijk te weinig, zelfs voor een kind. In de middag kregen we wat rijst met wat groenten, er was geen vlees. We waren zo mager als een lat; onze ribben waren te zien, echt vel over been.’

Wat is het ergste dat u heeft meegemaakt?
‘Ik heb daar geen rangorde in, maar wat indruk op me gemaakt heeft is wat er met mijn oma gebeurde. Zij woonde bij ons voordat er oorlog uitbrak en zij is met ons in die kampen gegaan. Ze was toen 72 jaar en een heel gezonde vrouw, vrij fors ook.

Als we ‘s avonds eten kregen dan was dat nooit lekker, echt viezig, maar we aten het wel op. Zij zei dan altijd: ‘Ik vind het niet lekker, eten jullie het maar op’, en dan gaf ze mijn zusje en mij wat van haar eten. Wij wisten echter niet dat zij veel te weinig eten kreeg als volwassen vrouw. Ze is van hongersnood gestorven waar wij bij waren. Dat heb ik me pas later gerealiseerd en toen vond ik dat heel erg.’

Erfgoeddrager: Lucas

‘Ik was op een dag buiten toen Piet op sokken onze straat in rende’

Tijdens een vijfgangendiner in het ROC-restaurant spreken Stef, Lucas en Amanda, studenten van het ROC Nijmegen, met de 89-jarige Jaap Mooi. Het is een gesprek over oorlog, de strijd van vandaag en de waarde van een diploma.

Hoe begon de Tweede Wereldoorlog voor u en uw gezin?
‘Ik ben geboren in 1937 in de Beethovenstraat in Nijmegen-Oost, recht tegenover het Sportfondsenbad. Ik woonde met mijn drie zussen, een broer en mijn ouders.

Mijn vader werkte bij het kadaster. Op een gegeven moment stond hij op de zwarte lijst. Er kwam een NSB’er in uniform bij hem op kantoor. Het was een bekende Nijmeegse ondernemer en hij wilde een huis van Joodse mensen die opgepakt waren, op zijn naam laten overschrijven. Mijn vader draaide zijn stoel om en weigerde mee te werken. Daarop kwam hij op de zwarte lijst te staan.

Ik was drie jaar toen de oorlog begon. Mijn herinneringen zijn vooral aan het einde van de oorlog, vanaf 1943 of 1944. Mijn moeder lag vaak ziek op bed, en als zevenjarige wilde ik altijd naar buiten, ook al werd Nijmegen de hele dag beschoten. Er was op straat en bij het zwembad bij ons aan de overkant, het Sportfondsenbad, altijd iets te doen. Het plein bij het zwembad trok aan mij als een magneet: eerst kwamen de Duitsers zwemmen, later de Engelsen en Amerikanen, en ik zat er altijd tussen.’

Wat is uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘Mijn eerste herinneringen beginnen in 1943 bij de spoorwegstaking. Toen de spoorwegstaking uitbrak, liet het personeel van het Sportfondsenbad uit solidariteit met de stakers het zwembad leeglopen. Er stond nog maar een laagje van 3 centimeter water in. Toen de Duitsers kwamen zwemmen, waren ze woedend. Ze stonden met geweren voor het zwembad en gingen op jacht naar het personeel van de spoorwegen dat de staking had veroorzaakt. Ze vonden niemand, behalve de vrouw van de machinist. Die hebben ze meegenomen, en zij is later in een concentratiekamp vermoord. Wij kinderen keken vanachter het slaapkamerraam onder de gordijnen door en zagen dit allemaal gebeuren.’

Heeft u voorbeelden gezien van verzet in uw omgeving?
‘Mijn buurmeisje was verloofd met Piet Berkelaar, een Nijmeegse politieman. Politiemensen kregen de opdracht om Joodse gezinnen op te halen en te transporteren. Piet zat ook in een groep politiemensen die deze opdracht kregen. Maar Piet en een aantal andere agenten hadden afgesproken dat ze, zodra ze adressen kregen, de mensen eerst zouden waarschuwen: ‘Morgenavond komen ze je halen’, Zodat ze nog konden wegvluchten.

Wanneer de politie een dag later bij die deuren kwam om de mensen op te halen, was er niemand thuis. De bezetter kreeg argwaan en plaatste een ‘foute’ politieman in de groep, die de politiemensen die de mensen waarschuwden verried. Een aantal van deze agenten is opgepakt en later gefusilleerd in Wassenaar.

Ik was op een dag buiten toen Piet op sokken onze straat in rende. Hij bonkte op de deur naast ons huis. Hij werd binnengelaten. Ik liep ons huis binnen en zei tegen moeder: ‘Piet is op zijn sokken aankomen rennen en bij de buren’. Direct werd ik door moeder achter het huis gezet met haar hand voor mijn mond. Ze besefte hoe gevaarlijk de situatie was. Er kwamen meteen Duitse bezetters de straat in gerend. Ze zochten Piet. Ze liepen zelfs over de daken. Piet is niet gevonden en via via is hij in Delft terechtgekomen, waar hij tot na de oorlog bleef. Achteraf hoorden we dat hij door een foute politieofficier was gewaarschuwd. Dat is dan weer bijzonder.’

Welke gebeurtenissen hebben de meeste indruk op u gemaakt?
‘De meeste indruk op mij maakte de granatentijd. De Duitsers schoten de hele dag granaten over de stad en die vlogen soms ook over ons huis heen. Een granaat kwam over ons huis en sloeg bij de ingang van het zwembad door een ruit. Het vijftienjarige meisje dat bij de kassa zat, Truus Mast, werd in stukken verscheurd. Ik was buiten en ben nieuwsgierig naar de ingang gerend. Bij de hal stonden twee Amerikaanse soldaten bij hun auto. De granaat kwam op de motorkap en raakte deels de militairen, deels ging het stuk door de kassaruimte, waarbij Truus Mast om het leven kwam. Ook de twee Amerikanen kwamen om het leven.

Later in mijn leven toen het zwembad afgebroken werd en er een park op die plek kwam ben ik er als raadslid voor gegaan dat het park op die plek haar naam zou krijgen. Via de CDA-fractie is dat gelukt: het heet nu het Truus Mast Park.

Heel veel mensen zijn in Nijmegen-Oost omgekomen door granaten. In feite heb ik drie maanden met een engeltje op mijn schouder rondgelopen. Overal waren doden om me heen. Een granaat kwam door het dak van het huis naast ons in de huiskamer terecht.

Op een dag liep ik de Torenstraat op. De geallieerden hadden daar een hele diepe kuil gegraven om overtollige munitie in te gooien. Een groepje jongens had dat in de gaten en stak een lont, in benzine gehangen, aan. Alles vloog in brand en schoot de lucht in. De stukken munitie kwamen in woonhuizen terecht, onder andere bij onze buurman. Velen vonden hierbij de dood.’

Hoe probeerden jullie te overleven tijdens de gevaarlijkste periode?
‘In die tijd zochten mensen veiligheid in het zwembad. Wij ook. We doken onder in de catacomben. Er waren ook bedden neergezet. Ik sliep in de pijpelaar, samen met meer kinderen. We kregen blikken gecondenseerde melk. We zaten zeker een aantal weken in de catacomben en de machinekamer.

Voordat we in het zwembad gingen schuilen en het gevaarlijk werd, zette mijn vader bij luchtalarm altijd een tafel tegen de wand en legde alle kussens die we konden vinden op de tafel. Wij gingen eronder zitten. Ik zat tussen mijn drie zussen en broer. Ik maakte grapjes, maar de meiden waren bang en vonden dat niet leuk.’

Wat gebeurde er met Jan Dekkers?
‘Jan Dekkers drukte boekjes voor het verzet. De Duitsers hadden hem op de korrel en hebben hem verraden. Ze hebben hem opgepakt en naar de gestapo in Arnhem gebracht, waar ze hem hard martelden totdat hij bekende. Hij is naar een concentratiekamp in Duitsland gebracht. Hij is bevrijd door de geallieerden en lopend naar Nijmegen teruggekomen. Ik kende hem goed; ik heb na de oorlog met hem in de ondernemersvereniging gezeten.’

Erfgoeddrager: Lucas

‘Mijn kinderen zijn hier, en zij zijn mijn thuis’

Het is een spannende ochtend. Lucas, Jonas en Lana van Het Karregat in Eindhoven, mogen in de directeurskamer een interview houden met de 75-jarige Malika Hamdouni. Ze is geboren in Oujda, Marokko. De kinderen stellen zich voor aan haar en zijn eigenlijk wel klaar voor het interview. ‘Het was cool om hier te zitten’, zeggen ze na afloop.

Hoe was het in Marokko?
‘Het was gezellig in Marokko en het was heel druk met familie. We hadden elke dag bezoek en familie in de buurt. We leefden veel meer buiten dan binnen. We deden veel dingen samen met de familie in plaats van alleen.’

Waarom kwam uw man naar Nederland?
‘Hij kon hier als gastarbeider aan het werk. Door gezinshereniging kreeg ik een visum. Na ons huwelijk ben ik een jaar in Marokko gebleven om te wachten op het visum.Toen mijn visum klaar was, ben ik naar Nederland gekomen.

Het was moeilijk om mijn familie achter te laten, maar ik moest weggaan omdat ik trouwde met mijn man, die in Nederland woonde. We hadden gekozen om samen te wonen.

Toen u in Nederland kwam, waar moest u het meeste aan wennen?

‘Ik moest erg wennen aan de taal en aan de werkomgeving met de mensen. In mijn tijd, toen ik hier kwam, was het heel hard werken, terwijl ik ook nog kinderen moest opvoeden en het huishouden moest doen. Dat was niet makkelijk met acht kinderen, waardoor ik nu helemaal op ben.’

Vindt u het leuk in Nederland?
‘Ja, ik vind het nu wel leuk. Eerst was het erg wennen aan de taal, de cultuur en de kou. Ik voelde me hier niet helemaal gelukkig. Maar gelukkig voelde ik me thuis in Nederland door nieuwe contacten te maken met vrienden en door mijn kinderen. Zoals het nu is, zou ik hier ook niet meer weg kunnen gaan. Mijn kinderen zijn hier, en zij zijn mijn thuis.’

Hoe woont u nu?
‘Ik ben nu alleen na het overlijden van mijn man. Het is moeilijk om van een groot gezin naar alleen zijn in een huis te gaan. Ik voel me soms alleen.

Welke Marokkaans eten vindt u lekker en welk Nederlands eten?
‘Couscous, tajine, soep en verse vis, haha, eigenlijk al het eten, je hebt daar verse vlees en groenten. Hier in Nederland hou ik van stamppot en de aparte gestoomde groente, zoals spuiten, die zijn wel heel lekker. Wij hebben dat vaak als een stoofpot, alles bij elkaar, hier in Nederland kook je het apart.’

Als u terug kon in de tijd, had u dan wat anders gedaan in het verleden?
‘Dan was ik in Marokko gebleven. Maar nu zou ik die keus niet kunnen maken vanwege mijn kinderen die nu hier leven en wonen.’

Erfgoeddrager: Lucas

‘Ze dachten dat ik de taal niet sprak omdat ik een hoofddoek draag’

Lucas, Dien en Ahmet van basisschool Rapenland komen binnen in de woonkamer van Fadime Atasman (56). Ze heet ze welkom met een brede glimlach en spoort ze aan wat lekkers te nemen van de tafel. Het eerste wat ze vraagt is waar de jongens vandaan komen, maar ze plakt er gelijk achteraan dat het eigenlijk niet uitmaakt en dat alle mensen mensen zijn en dat we allemaal lief samen moeten leven. Mevrouw Atasman kwam op haar dertigste vanuit Turkije naar Nederland.

Hoe was het om naar Nederland te komen?
‘In het begin was Nederlands leren wel moeilijk. Toen ik hier aankwam, ben ik gelijk begonnen met drie dagen in de week werken bij een plantenbedrijf. Het was seizoenswerk en er werkten veel studenten. Die waren echt moeilijk te verstaan. Daarna ben ik naar school gegaan om Nederlands te leren. 1,5 jaar lang heb ik dat gedaan. In die tijd was dat nog niet verplicht, ik wilde zelf heel graag gaan. Ik ben erg sociaal dus ik wilde graag contactmaken. Ik miste mijn familie wel, hier was ik helemaal alleen met mijn man en drie kinderen. Ik vond het wel fijn om mensen te helpen, dus als er iemand naar het ziekenhuis moest en geen auto had, dan reed ik daarheen. Zo deed ik ook veel sociale contacten op. Ik heb hier nooit ruzie of problemen gehad. Ik woon hier en ik ga niet terug!’

Hoe was het voor uw kinderen om naar Nederland te komen?
Toen ik naar Nederland kwam, bleven mijn kinderen eerst nog bij mijn moeder. Tien maanden heeft zij voor hen gezorgd. Toen ze naar Nederland kwamen, gingen ze ook hier naar school. Ze hadden de kans om te studeren en dat hebben ze dan ook allemaal gedaan. Mijn oudste dochter is advocaat, mijn jongste dochter heeft haar eigen stichting en mijn zoon heeft ook een hele goede baan. Je bent hier vrij om zelf te kiezen wat je wilt studeren, dat is in Turkije een stuk minder zo. Mijn kinderen helpen mij ook veel. Vroeger als ik een woord tegenkwam dat ik niet kende, vroeg ik het meteen aan hen en dan onthield ik dat, nu is mijn geheugen een stuk slechter. Ik ben ook niet zo goed in Nederlands schrijven, dus daar hielpen ze me ook mee.’

Wat vindt u van Nederland nu?
‘Ik vind het nu heel fijn hier, ik ben hier goed en snel gewend, dat was voor mij makkelijk. Ik vond de mensen in het begin wel eens onvriendelijk. Toen ik een keer in het Catharinaziekenhuis lag voor een operatie, had ik heel veel pijn. Ik bleef daar vijf dagen en lag op een kamer met drie mensen. Twee vrouwen praatten over mij, ze dachten dat ik de taal niet sprak omdat ik een hoofddoek draag. Ik heb daar toen wat van gezegd. Het is toch niet leuk dat als jij ziek was in een ander land, naar het ziekenhuis zou gaan, en er dan twee mensen over je zouden praten? Ze schaamden zich toen heel erg.’

Erfgoeddrager: Lucas

‘Als kind droomde ik over ‘de wereld achter de bergen’ waar mijn vader werkte’

Op een vroege ochtend staan Emirhan, Lucas, Kayleigh en Sara van basisschool Rapenland voor de deur bij Miguel Tarrero, ook wel Yiyi genoemd. Met spanning wachten ze af: wie zou hij zijn? Sara belt aan en meneer Tarrero (61) opent met een brede glimlach direct de deur. In een felrood-geel Spaans T-shirt verwelkomt hij ze, gevolgd door een vrolijk hondje van zijn dochter. Binnen valt meteen een kast vol hoeden op. ‘Ik hou van hoeden’, zegt hij lachend. Meneer Tarrero is op 14-jarige leeftijd vertrokken uit Spanje, uit het plaatsje Extremadura. Voordat het interview begint, verrast hij de kinderen met warme, zelfgebakken Spaanse churros en chocolademelk. Op de achtergrond klinkt rustige Spaanse muziek.

Hoe voelt het om hier te zijn?
‘Nederland is een mooi land. Ik wist niet dat het zo ver weg was. Ik kom uit een dorp dat omringd is door bergen. Toen ik klein was, vroeg ik eens aan mijn opa: waar is papa? Hij wees dan naar de bergen en zei: daar, achter de bergen. Als kind dacht ik dat als ik die berg zou beklimmen, ik mijn vader zou kunnen zien werken. Ik wist niet dat ‘achter de bergen’ eigenlijk een heel ander land, namelijk Nederland betekende.

Toen ik uiteindelijk in Nederland aankwam, was ik verwonderd. De groene parken vond ik prachtig, en wat me meteen opviel waren de grote ramen van de huizen. In Spanje zijn de ramen klein, hier leek het alsof je overal naar binnen kon kijken.’

Was het salaris voldoende toen u hier werkte?
‘Ik was 14 jaar oud toen ik naar Nederland kwam. Dat was eigenlijk een onhandige leeftijd: te oud voor de basisschool en te jong om te mogen werken. Gelukkig bestond er in Eindhoven een internationale school, Floor Everts, speciaal voor kinderen van migranten. Daar leerden we de Nederlandse taal.

Op mijn achttiende ben ik gaan werken bij Philips, het bedrijf waar ook mijn ouders werkten. In die tijd was het vanzelfsprekend dat je daar als kind van migranten ook aan de slag ging. Ik heb bij Philips op verschillende afdelingen gewerkt: van het maken van camerabuizen tot de chemische afdeling, en tot een televisieproject in de jaren negentig. Daar heb ik uiteindelijk gewerkt tot aan mijn pensioen.

Als ik terugkijk op mijn werkzame leven, kijk ik daar met plezier op terug. Het was fijn werken bij Philips. En ja, het salaris was heel goed.’

Wat herinnert u zich nog goed van toen u in Nederland aankwam?
Wat mij het meest is bijgebleven, is het vloerbedekking bij ons thuis in Lievendaal. Overal in huis lag vloerbedekking, iets wat ik nog nooit eerder had gezien. Wij speelden als kinderen vaak op de grond, en dat voelde zo zacht en warm aan.

Ook herinner ik me het Nederlandse leger. De soldaten hadden lang haar en waren opvallend vriendelijk, heel anders dan het Spaanse leger dat ik kende. Als de mannen in Spanje ook zo waren geweest, had ik misschien wel graag in het leger willen werken.

En dan het zoute dropje! Dat was echt een smaakontploffing in mijn mond. Ik had nog nooit zoiets geproefd. Als ik terugdenk aan mijn jeugd in Nederland, denk ik meteen aan dat eerste dropje.

Er zijn zoveel herinneringen en verhalen die ik zou kunnen vertellen. Zoals ik altijd zeg: wij zijn vertrokken uit ons land, maar ons land vertrekt nooit uit ons. Heimwee blijft altijd bestaan. Het is en blijft het land waar je geboren bent, en waar je bent opgegroeid.’

Wilt u weer terug naar Spanje?
‘Nee, Spanje is niet hier ver vandaan. Mijn kinderen en kleinkinderen wonen hier, ik kan ze niet meer hier alleen laten, Toen mijn vader naar Nederland vertrok was ik een baby. Ik leerde mijn vader alleen kennen in de vakantieperiodes, dit was één keer per jaar en dat 14 jaar lang. Ik miste hem. Die fout wil ik niet maken. Als mijn kinderen in Nederland zijn, dan wil ik er hier voor hen zijn. Dus voorlopig blijf ik hier bij mijn kinderen.’

Erfgoeddrager: Lucas

‘We hadden zoveel heimwee dat we wegliepen, zonder jas in de sneeuw’

Sandra Felter is geboren in Suriname. In de jaren zeventig verhuisde ze naar Nederland. Aan Arjen, Lucas, Maximilian, Valentijn, Willem en Xavier van de Hildebrand van Loonschool in Amsterdam-Zuid vertelt ze over haar leven.

Hoe was het voor u om naar Nederland te komen?
‘Ik ben in 1971 naar Nederland verhuisd. We gingen wonen in een rijtjeshuis, drie hoog, bij het centraal station. In Suriname woonden we in Beekhuizen en speelden we op het erf met neefjes en nichtjes. In Nederland mochten we niet buitenspelen omdat er geen erf was.

We hadden heel erg heimwee naar Suriname, dus na twee weken gingen wij, twee donkere kinderen zonder jas aan terwijl er sneeuw lag, weglopen. Mensen vroegen ons waar we naartoe gingen en we antwoordden dat we teruggingen naar Suriname. Ze brachten ons naar het politiebureau en we werden door mijn vader opgehaald.

In Nederland mocht iedereen bij ons pannenkoeken komen eten en we keken samen tv. Zo kreeg ik gelukkig veel vrienden, en had ik geen last van pestkoppen.’

Kwamen er nog familieleden naar Nederland?
‘Mijn opa was ook meegekomen. We noemde ‘opa Mattie’ (vriend), hij was een vriend voor iedereen. Mijn opa kon alleen niet lezen en schrijven want hij was nooit naar school geweest. Toen ik eens op mijn negende schooltje met een lei speelde, vroeg mijn opa of ik hem wilde leren zijn naam te schrijven. In plaats van een handtekening te zetten, plaatste hij altijd een kruis. Dat vond hij heel vernederend. Mijn zusje en ik hebben het hem toen geleerd.

De grootouders van mijn opa leefden aan het eind van de slavernij en als slaaf gemaakte mocht je niet leren lezen en schrijven. Zijn ouders vonden het daarom niet belangrijk dat hij het leerde. Maar mijn opa zag wel het belang ervan, en bracht later zijn dochters naar school. En daarom werk ik nu in de bibliotheek en ben ik geen schoonmaker. Mijn kinderen gaan naar de universiteit.’

Erfgoeddrager: Lucas

‘Onderweg zijn is soms het leukst’

Lucas, Amin, Gerencio en Chris uit groep 8 van de Admiraal de Ruyterschool in Amsterdam West interviewen op hun eigen school mevrouw Simten Kalayci. Voordat de jongens vragen stellen, vraagt mevouw Kalayci of de kinderen weten hoe we mensen noemen, die vanuit een ander land naar Nederland zijn verhuisd. De jongens knikken enthousiast en noemen verschillende termen als gastarbeiders en vluchtelingen tot ze op het begrip immigranten komen.

Hoe was uw jeugd in Istanbul?
Ik ben nu vijfendertig jaar in Nederland en woon hier langer dan dat ik in Istanbul heb gewoond. Ik kom oorspronkelijk uit een stad vlakbij de grens van Iran. Tot mijn twaalfde woonde ik daar met mijn ouders, zusje en broertje. Ik ben de oudste. We gingen naar de basisschool en hadden schooluniformen. Verder speelde we veel buiten. We waren een echt middenklas gezin. Niet rijk en niet arm. Toen ik twaalf was kreeg mijn vader een nieuwe baan in Istanbul en zijn we met zijn alle verhuisd van de ene op de andere dag.’

Vond u het leuk in Istanbul?
Ik zat in het eerste jaar van de middelbare school en had natuurlijk een klas en vriendinnen die ik ineens achter moest laten. Als je van het platteland naar de stad komt, vinden mensen je natuurlijk een beetje apart. Het eerste wat ons opviel in de stad was het gebrek aan kinderen op straat. Nergens speelde kinderen totdat we een speeltuin vonden, waar ik mijn broertje en zusje vaak heb heengebracht.’
Ook lieten we onze familie achter. We zijn alleen met ons gezin verhuisd en ik ben ook nooit meer teruggegaan. Uiteindelijk wen je aan de nieuwe situatie en maak je weer nieuwe vrienden.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
Voor de liefde. Ik heb mij middelbare school afgemaakt en heb toen de opleiding dierengeneeskunde gestudeerd. Tijdens een lezing ontmoete ik mijn partner en ben ik met hem mee naar Nederland gegaan. Ik vond het heel lastig om de taal te leren. Dat vind ik nog steeds lastig. Het is een moeilijke taal. Ik heb anderhalf jaar een cursus gevolgd en wou daarna verder met mijn diploma als dierenarts. Alleen was mijn diploma niet relevant in Nederland en moest ik de opleiding opnieuw doen. Daar had ik niet zo’n zin in en ben ik iets anders gaan studeren. Toen ben ik opvoedkunde gaan studeren, een beroep waarbij ik ouders help met het opvoeden van hun kinderen.’

Wat vond uw familie ervan dat u wegging?
Mijn zus had al een eigen gezin met kinderen, dus die had het niet meer zo door. Ik denk dat mijn moeder en broertje het meest moeite hadden met mijn vertrek. Nog steeds. Mijn moeder noemde het een amputatie van haar eigen lichaam dat ik zomaar weggegaan ben. Ik ga nog vaak genoeg terug. Wat dat betreft ben ik heel slecht voor het milieu, want ik vlieg wel meer dan twee of drie keer per jaar terug naar Istanbul.’

Erfgoeddrager: Lucas

‘Helaas heeft Pierre Coronel het niet overleefd’

Lieve, Lucas en Derek van de Rijk Kramerschool in Amsterdam West bezoeken mevrouw Helma Brouwers. Ze spreken met haar op de zolder. Tijdens de oorlog woonden meneer en mevrouw Taylor in het huis. Zij hielpen het verzet om vanuit hun huis berichten te verzenden

Hoe ging dat verzenden precies?
‘Pierre Coronel zat in het verzet en kwam hier in huis steeds langs met een zender. Communicatie is vooral in de oorlog ontzettend belangrijk, dan kun je elkaar bijvoorbeeld waarschuwen. Maar de Duitsers hadden peilauto’s waarmee ze radiogolven konden opvangen. Daarmee konden ze de zender makkelijk vinden. Daarom zenden ze niet alleen op één plek, maar op allemaal verschillende adressen in Amsterdam. Jan Thijsen, de neef van schrijver Theo Thijssen, woonde hierachter en had een heel netwerk met zenders opgezet.’

Was het niet heel gevaarlijk?
‘Ja dat was zeker gevaarlijk, ook voor meneer en mevrouw Taylor, want als je werd ontdekt, werd iedereen gedood. Daarom moesten ze heel voorzichtig zijn. Iemand ging dan met een koffertje met de zender naar een adres. Vaak waren het vrouwen die zich hadden verkleed als verpleegster. Het leek of ze een röntgenapparaat bij zich hadden. Of ze deden al een paar dagen van tevoren een draadje aan een huis dat leek om een zenderdraadje. Maar dit was een nepdraadje. Dan kwamen de Duitsers kijken en was er niks in huis te vinden. Een paar dagen later kwam dan het echte zenderdraadje. De Duitsers hadden dan geen interesse meer.’
‘Tijdens het zenden hadden ze mensen buiten staan, die keken of er een peilwagen kwam. Je mocht niet langer dan twintig minuten zenden. En steeds op een andere golflengte.  Pierre Coronel gebruikte codes.  Helaas heeft Pierre Coronel het niet overleefd.’

Hoe is hij uiteindelijk toch gepakt?
‘In de hongerwinter was er weinig stroom en de zenders waren haast niet te gebruiken. In een ziekenhuis hebben ze aggregaten, dus ze zijn vanuit de kelder van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis gaan zenden. Maar op een gegeven moment was er een inval. Pierre Coronel was aan het zenden en had altijd een pistool bij zich.  Hij was niet bang, hij was al twee keer ontsnapt. Dus toen die Duitsers binnen kwamen, heeft hij meteen om zich heen geschoten en hij heeft twee Duitsers gedood, maar er waren er te veel en eentje heeft hem toen doodgeschoten.’

Erfgoeddrager: Lucas

‘Het engste was dat er 20 meter van mijn bed een vliegtuig neerstortte’

Wel zes leerlingen van de Willem-Alexanderschool in Bergen gaan Jaap Staadegaard interviewen. Dat vindt hij geen probleem. Na wat geharrewar over wie er zal beginnen en welke vragen er gesteld gaan worden, schuiven de interviewers bij hem aan. Meneer Staadegaard heeft plattegronden bij zich van waar hij woonde en waar een vliegtuig pal naast zijn huis neerstortte. Dante, Eline, Alec, Viggo, Bodhi, Cas en Lucas zijn er klaar voor.

Hoe was het begin van de oorlog?
‘Dat was heel eng. ‘s Nachts werden we wakker van de bombardementen op het vliegveld in Bergen. We schrokken van laag overvliegende vliegtuigen en luchtdoelgeschiet en we zagen vanuit het raam een lucht vol donkere wolken van de bombardementen.

Ik had zeven broers en zussen. Mijn broers waren ouder dan ik, ik was zeven jaar toen de oorlog begon. Zij waren bang om opgepakt te worden om te moeten gaan werken in Duitsland. Daarom doken ze bij ons thuis onder. Mijn ouders hadden achter en voor ons huis schuilplaatsen gemaakt, zoals een deel van de boerderij dat gesloopt was en waar een kelder onder was die wel kon worden gebruikt.

Mijn vader was boer en werkte bij de nonnen, daar zorgde hij voor de koeien. Thuis hadden we ook koeien dus we hadden altijd genoeg melk en ruilden dat ook voor andere dingen.’

Wat was het engste dat u meemaakte?
‘Het engste was dat er 20 meter van mijn bed een vliegtuig neerstortte. De vliegtuigen vlogen laag over ons huis heen en deze stortte pal naast ons neer, precies tussen vier woningen. Er zaten zes piloten in, van wie er drie dood waren. Twee kwamen er bij ons aan de voordeur en vroegen of we ze konden helpen. Mijn moeder durfde ze niet binnen te laten omdat ze bang was. Later kwamen de Duitse soldaten ze ophalen en werden ze opgepakt.’

Heeft u wel eens beschietingen meegemaakt?
‘Treinen waren vaak het doelwit van geallieerde vliegtuigen. De tram Bello (tussen Alkmaar en Bergen aan Zee) werd op een keer beschoten door een jachtvliegtuig, terwijl mijn vader en ik bieten aan het uitdunnen waren naast de trambaan. We zochten dekking om niet geraakt te worden.’

Zijn er mensen in uw omgeving opgepakt?
‘Ik had een overbuurjongen die ouder was dan ik en die samen met een vriend zorgde voor wapens voor mensen die ondergedoken waren of in het verzet zaten. Op een keer kwamen ze met z’n tweeën aanrijden op de motor. Het was een strenge winter met veel sneeuw. Wij wilden sneeuwballen naar ze gooien, toen ze riepen: ‘Wegwezen, niet gooien, de moffen zitten achter ons aan!’ Een stukje verderop zijn die twee opgepakt en een van hen is doodgeschoten. De ander heeft een jaar in de gevangenis gezeten omdat hij wapens had.’

Kende u NSB’ers?
‘Ik had een oom die NSB’er was en een zoon had die een belangrijke militair was bij de Duitsers. Mijn vader was heel bang voor hen en wij probeerden ze te ontwijken. In mijn klas zat ook een jongen, Frits de Groots, van wie de ouders NSB’ er waren. Mijn ouders waarschuwden ons: ‘Denk erom, je moet niet hem omgaan!’

Omdat we geen kranten hadden, kwamen de Engelsen met een vliegtuig folders met nieuws rondstrooien. Ik dacht: weet je wat, ik neem wat folders mee naar school en geef ze aan mijn vriendjes. Maar Frits de Groots vertelde het aan zijn vader en toen kwam er een hoge militair bij ons op school en moesten wij mee naar de Eeuwigelaan, naar de Ortz-commandant, en werden we streng toegesproken. Hij kon ons niet gevangennemen, daarvoor waren we te jong, maar voor straf moesten wij konijnenstammen zoeken voor zijn konijnen. Mijn vader en met name mijn moeder was doodsbang dat wij razzia’s kregen om te kijken of er nog meer folders waren, dus mijn moeder heeft alles verbrand.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘Er kwamen allemaal mensen uit de grote steden, zoals Amsterdam en Alkmaar, met oude kinderwagens langs de boerderijen om te vragen om eten. Ook bij ons vroegen ze of we eten voor ze hadden, dus we hebben wel mensen geholpen.

Mensen kregen voedselbonnen, maar dat was niet genoeg. We hadden ook geen graan en konden geen brood bakken. Wij gingen daarom aren zoeken. De aren sloegen we dan kapot zodat er graan uitkwam en dat maalden we dan weer in de koffiemachine tot meel. We kregen ook bonnen voor klompen. Schoenen waren er niet, dus we liepen op klompen. Naar school was het een half uur lopen op die klompen… daar kreeg je blaren van.’