Erfgoeddrager: Lasse

‘Vlakbij ons huis stond een luchtdoelgeschut’

Lasse, Silas, Zara en Zoe van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord worden warm ontvangen door Koos Jongert en zijn vrouw in Oostzaan. In een gezellig ingerichte woonkamer staan de stoelen al voor de kinderen klaar. Op tafel zijn schaaltjes met allerlei lekkers… Meneer Jongert, die 4 jaar was toen de oorlog begon, kan zich nog best veel herinneren uit die tijd. Zijn vrouw was nog wat jonger, maar weet ook nog veel.

Wanneer was u het meest bang?
‘Als de vliegtuigen overkwamen. Want dan was ik bang dat er een bom zou vallen. Vlakbij ons huis stond een luchtdoelgeschut, waar de Duitsers op vliegtuigen schoten. En die konden zomaar uit de lucht vallen. De hele nacht vlogen bij ons de vliegtuigen over, op weg naar Duitsland. Het geluid was beangstigend. Een neef van mij, Jan, lag op een nacht in zijn zolderkamer te slapen toen er boven hun huis een stuk van een vliegtuig afbrak. Dat kwam precies in Jans bed terecht en hij kwam daarbij om het leven. Ik weet nog dat ik bij mijn moeder op de fiets zat toen ze dit hoorde. En ik weet ook nog dat ik met mijn vader aan het roeien was, het was prachtig mooi weer, toen twee vliegtuigen werden beschoten. Die vliegtuigen vielen zo naar beneden. Dat donderende geluid, dat vergeet ik nooit meer. Als ik een propellervliegtuig hoor, moet ik er altijd weer aan denken.’

Hoe was de Hongerwinter voor u?
‘Die was behoorlijk zwaar. Een oom van mij werkte in de melkfabriek en had daarom nog wel eens melk voor ons. Mijn vader ging ook wel op de fiets naar familie in Schagen om voedsel te halen. Het was zo’n fiets met houten banden…nou, dat was een eind weg hoor. Kwam hij terug met muffe tarwe, waar mijn moeder een beetje brood van kon bakken. In de Hongerwinter was er geen groenteboer meer, geen bakker, er was helemaal niks meer. Fietsen werden ingepikt. Je kon op de weg voetballen want er was geen verkeer. Ik heb ook nog wel suikerbieten gegeten. En als je nog een klein beetje kool had of aardappelen, maakte je moeder stamppot, dat vulde goed. Tulpenbollen en brandennetelsoep hebben we ook nog gegeten. Als kind had je er niet zo’n erg in dat je niks te eten had. Voor je ouders was het veel erger, die wilden dat je wat kon eten.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘Het was echt feest. Iedereen vertelde het aan elkaar door, en je hoorde het op de radio. Vlakbij ons huis was een stenen muur, waarop mensen vlaggen schilderden want echte vlaggen waren er niet meer. Bij buurtverengingen werd op alle avonden feest gevierd. En ook buiten dansten de mensen. Mijn broer ging naar de Dam om de bevrijding te vieren, maar daar begon een groepje SS’ers ineens te schieten op het publiek. Dat maakte wel indruk. Na de oorlog sprak niemand er meer over. Het was zo vers nog, iedereen wilde het vergeten. En ook na de oorlog moest je nog alles met bonnetjes kopen. Het geld werd gesaneerd. Mensen die heel veel geld hadden, bijvoorbeeld omdat ze dat hadden verdiend met zwartgeld, moesten het inleveren. Die hadden wel pech.’

Erfgoeddrager: Lasse

‘Verdringen was makkelijker’

Na binnenkomst in het huis van Tinie IJisberg en haar man Jan in het centrum vertellen School of Understanding-leerlingen Lasse en Suci waar zij zelf wonen. Suci (10) woont in Bos en Lommer, niet ver van de Trouringhstraat waar Tinie tijdens de oorlog woonde. Lasse woont in de Joop IJisbergstraat. Tinie glundert. Lasse woont in de straat die in 1953 naar haar in de oorlog omgekomen vader is genoemd!

Denkt u vaak aan de oorlog?
‘Eerst niet. Ik was natuurlijk heel klein toen de oorlog begon, ik ben in oktober 1939 geboren. Ook stopte ik alles weg. Toen mij later werd gevraagd om eroverheen schrijven, lukte dat niet. Ik kon alleen maar wat krabbelen. Als je het wegstopt, heb je ook geen pijn.  Maar ik hoorde en las de verhalen. Nare verhalen. Over dat Joden als minder werden beschouwd. Mijn ouders waren het daar niet mee eens. Mijn vader ging in het verzet. Hij was lid van de Communistische Partij, wat hij niet mocht als tramconducteur, en organiseerde samen met anderen de Februaristaking.’

Wat hadden ze dan gedaan?
‘Na een razzia waarbij 425 Joodse mensen werden meegenomen door de nazi’s en – op twee mensen na – op transport naar concentratiekampen gezet en vermoord. Nadat ze waren opgepakt, kwamen mijn vader en zijn partijgenoten ’s avonds op de Noordermarkt in de Jordaan bijeen en ze besloten dat er de volgende dag zou worden gestaakt. Mijn vader kon goed praten. Zo heeft hij heel veel mensen aangespoord het werk neer te leggen. En heel  veel mensen deden dat, omdat ze boos waren op alles wat de nazi’s deden. Die schrokken van die staking. Als wraak besloten ze mensen die eraan meededen te arresteren. Maanden later werd mijn vader gearresteerd.’

Wisten jullie waar hij was?
‘Eerst niet. Op een dag kreeg mijn moeder een kaart dat ie in de gevangenis bij het Leidseplein zat. Eén keer per week mocht ze daar langs om zijn was op te halen of schone kleding te brengen. Ze mochten niet schrijven, maar dat deden ze wel, stiekem. Verstopt in het wasgoed. Zo heeft hij bijna iedere dag briefjes geschreven. Honderden, op heel dun papier. Ook al kreeg hij soms straf als ze erachter kwamen. Hij wilde per se schrijven, weten hoe het met ons ging. Uiteindelijk kreeg hij de doodstraf. Op een dag kregen we een bericht met maar één zin: het vonnis is voltrokken. Pas na de oorlog hoorden we waar hij begraven was.
Alle briefjes lagen bij ons thuis onderin de kast. Pas veertig jaar na de oorlog ben ik over die periode gaan praten en kreeg ik, via de vrouw van mijn broer, de briefjes weer te zien.’

Hoe vindt u het dat er een straat naar hem is vernoemd?
‘Mooi. Uit het krantenartikel van 1953 lees ik dat ik bij de onthulling aanwezig was, maar dat kan ik me niet herinneren. Ik kan me veel niet herinneren uit die periode. Pas later ben ik me erin gaan verdiepen. De briefjes ook gaan lezen. En wilde ik erover praten, met kinderen zoals jullie. Dat kon ik eerst niet. Verdringen was makkelijker. Het is heel erg wat er is gebeurd, in het land en met mijn vader. Ik snap die haat tegen een bepaalde groep mensen niet. Haten is vreselijk. Wij zijn één volk. Boos zijn is niet erg, maar praat dan wel. En probeer zo goed mogelijk met elkaar te leven. Zullen jullie dat onthouden?’

                 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892