Erfgoeddrager: Kai

‘Het voedselpakket stortte door het dak van de bijkeuken!’

Jo van der Mije wil graag haar verhaal vertellen. Ze woont in een aanleunwoning in het Reinaldahuis. Kai, Max, Daan en Boris van de Bos en Vaartschool gaan bij haar op bezoek. Het mooiste was wel het dagboek van haar vader, Daan mocht er een stuk uit voorlezen.

Wat kan u zich van het begin van de oorlog herinneren?
Ik was 8 jaar toen de oorlog begon, ik woonde aan de Leidsevaart 70. Mijn ouders hadden een kruidenierswinkeltje. Ik had een oudere broer en een jonger zusje, nog een baby. In 1944 kreeg ik nog een broertje. Op 10 mei 1940 zat mijn vader naar de radio te luisteren, “Dit is ernstig” zei hij. Het was oorlog. Na vijf dagen capituleerde ons land en ik zag hoe Nederlandse soldaten uit woede hun geweren in de Leidsevaart gooiden. Als er Duitse soldaten langs marcheerden, keerden we ze de rug toe.

Mijn vader zat in de zwarte handel. Hij kocht tabak die hij doorverkocht. Maar Geertsema, een politieagent die ook bij de NSB zat, snapte hem. Hij zat drie maanden in de cel. Toen hij thuiskwam, hadden de buren de vlag uitgehangen met “Onze tabakskoning is weer thuis!” met een zak tabak eraan!

We waren arm en een man zei tegen mijn vader: “In Duitsland kun je veel meer verdienen.” Mijn vader ging naar Duitsland, hij deed zwaar werk. Twee keer is hij op verlof geweest en hij ging toch steeds weer terug.
Op een gegeven moment werd mijn moeder ziek, ze lag op bed en ik zorgde voor haar. Mijn vader kwam toen terug uit Duitsland. Ik haalde hem op, een uitgemergelde man.

Heeft u iets spannends meegemaakt?
‘Er waren razzia’s. De Duitsers kwamen alle mannen van onder de 40 jaar halen. Ze waren al bij ons in de straat en de buurman kwam in paniek de keuken binnenrennen. Hij riep tegen mijn vader: “Je moet me redden!” We verstopten de buurman boven achter de linnenkast. Daar was een krappe ruimte waar hij kon staan. De soldaten doorzochten ons huis. Het was heel spannend. Toen ze weg waren, kwam de buurman tevoorschijn. Hij zei: “Geef me nu maar een sigaretje!” Hij had niet door dat mijn vader de kogel had kunnen krijgen als hij was gevonden.

De Duitse vliegtuigen bombardeerden het spoor, vlak achter ons huis. Het was spannend, de bommen vlogen rond. Nog steeds kan je onder de spoorbrug de kogelgaten zien zitten!
Toen het te gevaarlijk werd, moesten we verhuizen naar mijn opa in Hillegom.  Achter was een bos. Daar stonden V1 raketten opgesteld. Dat was geheim, maar mijn vader wist het. Hij heeft het zelfs gehoord dat er één werd gelanceerd, een bom voor Londen.’

Hoe kwam u aan eten tijdens de hongerwinter?
‘We aten pulp van suikerbiet en mijn moeder maakte pannenkoeken van tulpenbollen. We bedelden bij de boeren in de Haarlemmermeer, uren stonden we in de rij in de hoop iets mee te krijgen.

Mijn vader schreef een dagboek tijdens de hongerwinter. Dat heb ik nog. Hij maakte hongertochten naar Noord Holland. Hij haalde eten bij de boeren. Op de terugweg kregen ze met zes man een lift vaneen vrachtwagen. Ter hoogte van de Jan Gijzenkade moesten ze stoppen van een groep gewapende Duitse soldaten. Ze moesten met hun handen omhoog en met hun gezicht naar een muur gaan staan. De soldaten waren zenuwachtig en ze schreeuwden. Opeens mochten ze weg. Dezelfde dag, zijn op dezelfde plek tien man doodgeschoten, als represaille. Mijn vader was er beroerd van. Hij had zoveel geluk gehad. De volgende dag bezocht hij de plek. Er stond een groot houten kruis en er lagen bloemen.

Vlak voor het eind van de oorlog waren voedseldroppings. De vliegtuigen lieten hun lading vallen waar witte lakens lagen. Achter ons huis was een wit tulpenveld. De piloot dacht vast dat het een dropping plek was, dus hij loste zijn lading. Het voedselpakket stortte zo door het dak van de bijkeuken. Daaronder zat de kelder. Mijn vader deed het luik open en het voedselpakket viel in de kelder. Daar hebben we wel een tijdje van kunnen eten!’

 

Erfgoeddrager: Kai

‘De fiets van mijn opa werd afgepakt, we moesten lopend naar huis’

Met de auto gaan Siem, Olle, Kai en Famke van de Mathieu Wiegmanschool in Bergen naar Alex Waslander. Ze worden warm welkom geheten in zijn huis dat vol kleurrijke moderne schilderijen hangt. De jonge interviewers gedragen zich voorbeeldig en de kwieke 84-jarige vertelt graag aan zijn bezoek over de oorlogsjaren in hun buurt.

Hoe was het als kind in de oorlog?
‘In de oorlog had je geen elektriciteit en dus geen licht; dat moest je zelf maken. Ik had van planken een propeller gemaakt en die zette ik op een fietsdynamo die weer verbonden was aan een fietslampje. Dat zette ik op een bezemsteel of op een stok op het dak. Door de wind ging de dynamo draaien en dan had je een klein lichtje.
We hadden geen douche. Eén keer per week gingen we in de tobbe en die dag kregen we dan schoon ondergoed. We aten gebakken bloembollen en eten van de gaarkeuken. Ook kregen we bonnenboekjes voor kleding. Af en toe kreeg ik briefjes mee. Die moest ik dan ergens bezorgen. Ik heb nooit geweten waar dat voor was. Als een Duitser iets vroeg moest ik zeggen dat ik van niets wist, werd me gezegd.’

Bent u bang geweest?
‘Honderden vliegtuigen kwamen dagelijks over om de schepen in het kanaal te bombarderen. Als dat gebeurde, doken we op school achter de boekenkast of achter de kolen in de bollenschuur. We waren heel bang. Mijn oom Dik fietste op een dag langs het kanaal toen een Engelse Spitfire een Duits schip aanviel. Hij werd geraakt door één van de kogels en heeft het niet overleefd. Gedood door zijn eigen mensen; dat is echt pech!
En een keer werd ik met mijn opa, we fietsen naar Alkmaar en ik zat achterop, bij het station aangehouden door een Duitse soldaat die dacht dat wij Joods waren. Gelukkig hadden we een identiteitskaart bij ons en mochten we weer verder. Wel werd de fiets afgepakt. We moesten lopend naar huis terug.
Goede herinneringen heb ik een de Bevrijding. Een colonne Canadese auto’s kwam met een noodgang over de vlotbrug langs het kanaal aanrijden. De soldaten deelden chocoladerepen uit en dat was lekker! Dat kun je je nu niet meer voorstellen.’

U woonde met uw moeder en zusje. Waar was uw vader?
‘Mijn vader was marinier en vocht in die tijd op de Javazee. Mijn moeder was altijd bang dat hem iets zou overkomen. Het Rode Kruis had geregeld dat mariniers iedere twee maanden een berichtje naar huis mochten sturen, zoals ‘alles goed, ik hou van jullie’. Als dat bericht niet kwam, was de kans heel groot dat hij overleden was. Mijn moeder had zoveel stress hiervan tijdens de oorlog dat zij altijd last van haar hart heeft gehouden.
Kort na de oorlog werden we gebeld door de politie dat mijn vader – na zes jaar – terug zou komen. Ik zat keurig te wachten, me afvragend hoe hij eruit zag. In de verte zag ik opeens een marinier met een plunjezak aan komen lopen. “Bent u mijn vader?:  vroeg ik hem eenmaal dichtbij. En hij antwoordde: “Als jij Alex bent, ben ik jouw vader”. Het was best vreemd. Na zoveel jaar moest ik hem opnieuw leren kennen. Ook mijn moeder en hij moesten erg aan elkaar wennen.’

         

Erfgoeddrager: Kai

‘Als de Duitsers bij de zwemjuffrouw op bezoek waren, keek de kabouter naar links.’

Hanneke Gelderblom-Lankhout woont aan het begin van de oorlog in de Citroenstraat in Den Haag met haar ouders en broertje. Ze speelt vaak ‘schooltje’ met andere joodse kinderen in de straat. In 1942, op zesjarige leeftijd, moet ze onderduiken. Van alle joodse kinderen uit de Citroenstraat, hebben alleen zij en het meisje dat de juf speelde, de oorlog overleefd.

Waar heeft u ondergedoken gezeten?
Ik heb op 12 verschillende adressen ondergedoken gezeten. Het woord onderduiken was nog niet uitgevonden in de oorlog, dus je ging uit logeren. Op elk adres kreeg ik een andere achternaam: Lankhuizen, Lankhoed, Lankhorst. Iedere keer moest ik dus een andere achternaam leren en ik mocht me nooit vergissen anders zou ik mezelf verraden. Gelukkig bleef mijn voornaam wel gewoon Hanneke. Soms werd het op een onderduikadres te gevaarlijk en gingen de buren kletsen. Tante Zus, een vrouw uit het verzet, bracht me dan naar het volgende adres. Ik weet nog het meeste van mijn laatste onderduikadres, in Eerde. Daar was het verhaal dat ik in Soerabaja was geboren, want ik had zwart haar en mensen die uit Indië kwamen hadden dat ook. Mijn ouders zouden zijn omgekomen bij het bombardement van Rotterdam. Dit was natuurlijk niet zo, maar de mensen geloofden het wel.

Kende u ook mensen die de Duitsers tijdens de oorlog steunden?
Nee, eigenlijk niet. Wel kende ik iemand die deed alsof ze voor de Duitsers was, maar stiekem in het verzet zat. Dat was onze zwemjuffrouw in Eerde. Zij was een Duitse, maar wel een goede Duitse, en ze was getrouwd met de man van de boekwinkel in Veghel. Ze was de enige, naast de mensen bij wie ik woonde, die het échte verhaal van mijn leven kende. Ze had een dubbelrol. In de etalage van de boekwinkel stond een boskabouter. Als de Duitsers bij de zwemjuffrouw op bezoek waren om koffie te drinken en te kletsen, keek de kabouter naar links. En als de kabouter naar rechts keek wisten de mensen van het verzet dat het veilig was om binnen te komen. Ik ging wel eens bij haar langs op weg naar het zwembad. Dan vroeg ik haar bijvoorbeeld wanneer Tante Zus weer eens kwam, bijvoorbeeld om nieuwe kleren te brengen.

Hoe heeft u uw familieleden weer teruggevonden na de bevrijding?
Mijn moeder en jongere broertje hebben ook ondergedoken gezeten, maar we zaten niet bij elkaar. Mijn moeder wist waar mijn broertje zat, dus hij was snel gevonden. Maar het was moeilijker om mij terug te vinden. Gelukkig had mijn moeder een brief van mij ontvangen toen ze op 12 augustus jarig was. In die brief schreef ik over school en vriendinnetjes en onderaan sloot ik af met ‘Houdoe’. Mijn moeder wist dat dit vaak in Noord-Brabant werd gezegd. Ze fietste één voor één de Brabantse dorpen af en vroeg aan de pastoors of er een Hanneke op school zat. Zo heeft ze me teruggevonden. Pas langer na de oorlog hoorden we dat mijn vader niet meer leefde. Hij was niet ondergedoken, maar had via Spanje naar Engeland willen vluchten. Engeland heeft hij niet gehaald, hij is in Frankrijk opgepakt en doodgeschoten. Ik heb daarom alleen hele vage herinneringen aan mijn vader van toen ik heel klein was. Dit is voor mij nog wel het allerergste van de hele oorlog.

Voor de uitzending van Omroep West over dit interview, klik hier

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892