Erfgoeddrager: Jort

‘Met een ossenstaart onder de kleren’

Wij interviewden meneer Bertus van Twiller over de Indische buurt.

Kwam u tijdens de oorlog ook buiten uw buurt?
“Ja, wij hadden een noodkacheltje en ik moest ervoor zorgen dat het brandde. Ik zocht houtjes van omgezaagde bomen en takken. Maar je kon ook in de Molukkenstraat omhooggaan bij de spoordijk. Daar zochten we dan naar kooltjes tussen de rails. Als een locomotief zijn afval had gestort, haalden wij daar de goede kooltjes uit.”

Wat betekende de Hongerwinter voor u?
“De een had meer mogelijkheden om aan eten te komen dan de ander. Mijn familieleden waren slachters op het Veemarktterrein. Ze namen soms stiekem ossenstaart mee naar huis. Die bonden ze dan om hun middel, onder hun kleren, alsof ze dik waren. Ik herinner me ook nog dat er aan het einde van de Zeeburgerdijk een uitkijkpost was van de Duitsers. Daar liep een paard. Twee broers van mijn vader zijn een keer na spertijd naar die uitkijkpost gegaan, ze hebben dat paard toen gepikt. Ze haalden de ijzers onder de hoeven vandaan zodat ze geen herrie maakten. Ze brachten het paard naar ons huis in de Gorontalostraat en zette het in de portiek. Mijn ooms haalden hun gereedschap en hebben het paard toen in ons keukentje geslacht. Het was maar een smal keukentje dus er is een heleboel op de grond afgewerkt. Daarna hebben ze het netjes opgeruimd.

Zijn de Duitsers er ooit achter gekomen?
Er was nog een andere broer, met een slagerij achter het badhuis op het Javaplein. Die broer was bij de NSB en heeft hen toen verlinkt bij de Duitsers die een afdeling hadden in het koloniaal museum. Maar mijn ooms waren professionele slachters, die hadden geen spoortje achtergelaten, dus er was geen bewijs te vinden dat er een paard was geslacht. Mijn ooms zijn toen naar die broer gegaan die hen verraden had: ‘Als jij nu niet gaat zeggen dat het een misverstand is, dat je ze verkeerd geïnformeerd hebt, dan slachten wij jou ook.’ Hun eigen broer! Maar het was de een of de ander… Het vlees van het paard werd weer doorverkocht of geruild voor appels, aardappelen en groenten.”

Wat herinnert u zich van de Bevrijding?
“Het laatste deel van de oorlog heb ik niet in Amsterdam meegemaakt. Aan het eind van de Hongerwinter werden veel kinderen naar Drenthe of Groningen gestuurd, omdat daar voldoende te eten was. Ik kwam in Musselkanaal terecht. Mijn broers in Stadskanaal. Ik weet nog dat op een dag alle mensen de straat op gingen. De Canadezen kwamen aangereden met hun oorlogstuig, tanks, vrachtwagens en jeeps. Het was heel feestelijk. We kregen chocola van de Canadezen. Maar ik kon pas een maand later terug naar huis, Amsterdam werd later bevrijd.”

Erfgoeddrager: Jort

‘’Papa! Kom maar beneden hoor, ze zijn er niet meer!’ Maar één van de landverraders stond nog in de gang.’

Clasina Pronk heeft speciaal voor de kinderen die haar interviewen biscuitjes gekocht, die lijken op de Amerikaanse biscuit die uit vliegtuigen werd gegooid de dag na de bevrijding. Dat is het eerste lekkers dat ze proeft na al die jaren van honger.

Heeft u weleens ondergedoken gezeten?
Ikzelf niet, maar mijn vader wel. Op een dag ging in de buurt het gerucht dat er razzia’s waren. Dat ging altijd als een lopend vuurtje rond. Mijn vader ging snel naar boven, naar zijn schuilplek op zolder. Wij mochten dat nooit zien, omdat we hem dan konden verraden. De Duitsers kwamen die dag ook bij ons binnen. Ze hadden altijd Nederlanders bij zich. Dat waren landverraders, die hielpen de Duitsers. De Duitsers droegen uniformen, maar de landverraders hadden altijd van die lange leren jassen aan en hele mooie laarzen. Ze vroegen aan mijn moeder: ‘Waar is je man, waar is je man?’ Mijn moeder zei dat mijn vader weg was, op zoek naar eten. Na een tijdje gingen ze weg. Op dat moment ging mijn broertje heel hard onderaan de trap roepen: ‘Papa! Papa! Kom maar beneden hoor, ze zijn er niet meer!’ Maar één van de landverraders stond nog in de gang. Mijn moeder werd helemaal wit. Maar die landverrader gaf mijn moeder een knipoog en ging weg. Ik denk dat hij gewoon medelijden had. Dat moet het geweest zijn. Hij moet geweten hebben dat mijn vader boven was, maar gedacht hebben: ‘Dat kan ik niet maken voor die vrouw met drie kleine kinderen.’

Had u zelf ook onderduikers?
Eén keer hebben we een onderduiker gehad. Hij was over schuttingen geklommen en door tuinen gegaan en kwam bij ons uit. Het was heel warm weer en de keukendeur stond open. Hij ging op z’n knieën voor mijn moeder zitten en smeekte: ‘Alsjeblieft, help me! Ik heb kleine kinderen, mag ik hier onderduiken!’ Hij heeft een paar dagen op een klein kamertje gezeten. Achteraf zei mijn moeder dat die dagen de meest zenuwslopende dagen van de oorlog voor haar waren. Dat ze eigenlijk voor een vreemde alles op het spel zette.

Waar was u tijdens het bombardement op het Bezuidenhout?
Tijdens de oorlog woonden wij in Delft, omdat we door het sperrgebiet niet in Scheveningen mochten blijven wonen. Maar toen het bombardement er was, konden we dat in Delft ruiken door de enorme brand die ontstond. Er stond een harde wind, daarom brandde het ook zo. De volgende dag lagen in onze tuin allemaal zwartgeblakerde schoolschriften. Vreselijk vond ik dat. Daardoor wist ik dat er ook scholen waren geraakt. Ik zat toen in de eerste klas en dacht: ‘Oh wat erg, als je schriften zijn verbrand!’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892