Erfgoeddrager: Joris

‘De Duitse soldaten waarschuwden ons voor de razzia’s’

Bouwie, Joris, Bella, Aniek en Laurens van de Bosschool in Bergen fietsen samen naar de Ruinekerk in het centrum. Daar interviewen ze buiten aan de houten tafel de 93-jarige Eldert Groenewoud. Hij woonde in de oorlog aan de rand van Bergen en was veertien toen die uitbrak.

Hoe was het begin van de oorlog voor u?
‘Op 10 mei 1940 zagen we vanaf ons huis aan de Oude Bergerweg hoe het vliegveld gebombardeerd werd. Daarbij zijn toen twee Nederlandse militairen gesneuveld; de meesten wisten weg te komen. Wij waren thuis met elf kinderen – later kwamen daar nog twee kinderen uit Amsterdam en drie onderduikers bij – en we hadden duiven. Die moesten allemaal dood, omdat de Duitsers bang waren dat ze door de Engelsen gebruikt zouden worden om informatie door te sturen. Dat vond ik wel erg, dieren die dood moesten.’

Hoe voelde u zich tijdens de oorlog?
‘Angstig. Je zag de bommenwerpers laag over ons huis vliegen, bommen die overal terechtkwamen. Ik was heel bang dat ze een bom verkeerd gooiden. En er werd wel eens misgegooid. Ook werden we geëvacueerd. We gingen naar Kalverdijk, waar we een grote schuur konden inrichten als huis. Mijn vader was petroleumhandelaar en ruilde vlak daarvoor zijn laatste restje petroleum voor eten. Ook tabak, dat we in de tuin teelden, was een goed ruilmiddel. De meeste mensen teelden aardappelen, maar die werden altijd gestolen. Daarom besloot mijn vader dat tabak telen een beter idee was.’

Moesten u of uw broers onderduiken?
‘Ik had op een gegeven moment de leeftijd om opgeroepen te worden om in Duitsland te gaan werken. Ik wilde niet en dook onder bij mijn tante in Lisse; in een bollenschuur, twee jaar lang. Mijn oudste broer werkte in Duitsland en had een keer een revolver gestolen. Toen moest hij ook onderduiken. Hij is naar de grens gelopen. Daar zaten Amerikanen en toen is hij in het Amerikaanse leger gekomen en als Amerikaans militair Duitsland weer ingegaan. Dat was prachtig. Toen de oorlog was afgelopen kon hij, omdat hij Amerikaans militair, was meteen naar huis.’

Wat herinnert u zich nog meer goed?
‘Dat in de oorlog de klokken van de Ruinekerk waren gestolen. De bellen waren van koper; dat werd door de Duitsers gejat en omgesmolten tot kogels. De rest van de oorlog werd een ijzeren wastobbe als bel voor de klokkentoren gebruikt. Pas in 1950 zijn nieuwe klokken geplaatst. Wat ik me ook herinner, heel leuk, is de Duitse soldaat die elke dag bij de boer tegenover ons kwam helpen op de boerderij. En de soldaten die via de radar bij het radiostation informatie van de Engelsen en Canadezen opvingen en ons waarschuwden als er een razzia kwam. Dan gingen we met een bootje met kloet door de weilanden en bleven we daar totdat het weer veilig was.’

       

 

Erfgoeddrager: Joris

‘David, Sam en Joris ’

Rolf Zeegers was 17 jaar toen de oorlog begon en studeerde toen aan de hogereburgerschool (HBS). Tijdens de oorlog waren er verschillende momenten die veel indruk hebben achtergelaten. In detail vertelde hij erover aan David, Sam en Joris van de Olympiaschool.

U bent een keer door de Duitse politie opgepakt, waarom was dat?
Als kind was ik erg geïnteresseerd in eenden en bekeek ik op een dag in het Vondelpark een eend met jongen. Ik keek door mijn verrekijker naar de eendjes, maar onbedoeld ook naar een villa  die door de Duitsers in beslag was genomen. Een Duitse soldaat heeft mij toen gearresteerd en met de tram naar de Grüne Polizei in de Euterpestraat gebracht, op de plek waar eerst het HBS voor meisjes zat. Bij de Grüne Polizei zaten de gevaarlijkste veiligheidsmensen in Duitse dienst; directe aanhangers van Adolf Hitler. Mensen werden in dat gebouw in de kelder gemarteld en afgevoerd naar Duitsland. Terwijl mijn verrekijker op het bureau stond, zei de man daar niks tegen mij. Als je daar een kwartier moet staan en er gebeurt niets dan word je wel bang, want je weet dat je bij de vijand zit. Ik wist dat ik in een hele gevaarlijke situatie zat en zo afgevoerd kon worden. Ik werd beschuldigd van spionage. Ik vertelde dat ik eenden in die vijver heb en naar de eenden keek. Toen vroeg hij mij: “Sind es weiße oder graue enten?”, dat betekent: “Zijn het witte of grijze eenden?” en ik antwoordde: “Geen van beide, want ze hebben een witte kop en…” Op dat moment werd hij vriendelijk, zelfs vaderlijk tegen mij, want hij wist dat ik gelijk had en dat daar eenden zaten. Toen mocht ik gaan zitten. Hij woonde in die villa en voerde daar vaak mijn eenden. Ik mocht naar huis.

Wat was het ergste dat u heeft meegemaakt in de oorlog?
In 1943 moest ik onderduiken omdat ik oud genoeg was om in Duitsland tewerkgesteld te worden in fabrieken om oorlogsmateriaal te maken. In die periode zat ik tegen mijn zin ondergedoken bij boeren op een eiland bij het Alkmaardermeer. Daar kwamen geen Duitsers, dus er zaten veel mensen ondergedoken. Ik moest leren omgaan met koeien en paarden, terwijl ik nog nooit met een paard was omgegaan. Bij de boeren hadden ze wel genoeg eten. Maar ik was vegetariër en toen ik daar binnenkwam waren ze pannenkoeken aan het bakken en dat deden ze met schapenvet. Ik dacht dat ik dat niet kon eten, maar doordat ik zo’n honger had, heb ik het vegetarisme toch opgegeven.

Hoe was de bevrijding voor u?
Ik was met een vriend op 7 mei naar de bevrijding op de Dam. Die dag hebben de Duitsers vanaf de Kalverstraat bij het Paleis op de feestvierende menigte geschoten, er zijn toen veel mensen doodgeschoten. Met z’n tweeën stonden we net op de hoek bij de bank en die hele  mensenmassa die naar het Damrak vluchtte, kwam langs ons. Er lagen mensen in wel vier rijen over elkaar heen, allemaal op de vlucht voor de Duitsers. Ik hield mij vast aan de stangen van de bank, mijn knieën tegen de wand, want de mensen duwden enorm. Er zaten ook Duitsers met mitrailleurs op een vrachtwagen, die van het station naar het Damrak reden. Zij schoten ook op de menigte richting de Bijenkorf aan de overkant. Ik kan mij nog herinneren dat de kalk van de Bijenkorfmuren afvloog. Op de weg tussen de bank en de Bijenkorf lag een man die was neergeschoten. Mijn vriend was moediger dan ik op dat moment en ging kijken of hij nog leefde en hulp kon bieden, maar dat was niet veilig. Toen het allemaal achter de rug was en mensen waren weggehaald, zag ik dat die auto vooraan op de Nieuwendijk geparkeerd stond. Ik zal nooit de blik van die Duitsers vergeten, het was zo akelig. Het waren net maskers, zij waren namelijk ook bang aangezien ze in een vijandige menigte zaten. Dankzij mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten, bewapende Nederlanders, konden we nadat de Duitsers waren verslagen gewoon verder lopen.

Foto’s©Ingrid de Groot

Erfgoeddrager: Joris

‘Speelgoed in een kussensloop ’

Mijnheer Arian werd vlak voor de oorlog geboren in een Joods gezin. Zijn vader zat in het verzet en werd opgepakt, hij kwam om in concentratiekamp Auschwitz. Met zijn moeder moest Max Arian onderduiken. Mijnheer Arian vertelde ons over zijn tijd in een pleeggezin in Limburg en hoe hij daarna weer terugkwam in Amsterdam. We vonden het heel erg om te horen dat hij na de oorlog doorr andere kinderen werd gepest omdat hij Joods was. 

Waar in Amsterdam heeft u gewoond?
“Mijn familie kwam uit de Jordaan, maar ik ben geboren in de Rapenburgerstraat, dat was toen de ‘Jodenbuurt’. Nadat de eerste razzia’s in 1941 in onze buurt hadden plaatsgevonden, besloot de oude Jordanese buurman van mijn grootouders, Hein Papavoine, dat hij ons niet zomaar zou laten weghalen door de Duitsers. Met een handkar kwam hij ons ophalen en nam ons mee naar de Elandsstraat, waar we konden wonen op een etage. Ik weet nog heel goed dat ‘ome Hein’ mij midden in de oorlog meenam naar Artis, ook al mocht ik daar helemaal niet komen als Jood. De foto’s heb ik nog altijd bewaard, kijk maar: hier zit ik op een dromedaris.”

Bent u de hele oorlog in de Elandsstraat gebleven?
“Nee, want mijn moeder werd uiteindelijk opgepakt door de Duitsers. Mijn oom Nico heeft mij toen naar de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg gebracht. Eigenlijk dus naar het hol van de leeuw, want in de Hollandsche Schouwburg brachten de Nazi’s alle Joodse mensen samen voor deportatie. Maar mijn oom wist dat in de crèche verzetsmensen werkten die de Joodse kinderen weg smokkelden. Ik herinner me nog goed dat mijn oom mij de ernst van de situatie uitlegde. Hij zei niet, zoals sommige andere ouders, dat ik op vakantie zou gaan. Ik zie de crèche nog voor me: met een groen plafond en gouden sterren. Ik werd met een groepje kinderen naar Limburg gebracht. Hier kwam ik in een pleeggezin terecht. Zonder dat ik het wist, zat mijn moeder ook ondergedoken in Limburg, vlakbij mij.” 

Hoe was het in het pleeggezin?
“Ik was drie jaar toen ik er kwam. Samen met mijn pleegzus Fien speelde ik veel op straat. Ik mocht net zoveel als de andere kinderen en hoefde mijn naam niet te veranderen. Toen ik aan een buurjongen vertelde dat ik Joods was, vroeg hij: ‘Maar alle Joden zijn toch dood?’ Ik was niet zo bezig met de oorlog. Pas toen de Amerikanen met tanks onze buurt inreden, realiseerde ik me dat het oorlog was. Mei 1945 kwam mijn moeder mij ophalen. Ik herkende haar niet. Ze was een vreemde vrouw voor mij. Ook oma hebben we teruggevonden in Limburg. In Sittard kwam ze aan met een trein vanuit het concentratiekamp Theresienstadt. Eenmaal terug in Amsterdam kreeg ik een gevulde witte kussensloop met al mijn oude speelgoed er in. Hein Papavoine had het al die tijd bewaard.” 

Max Arian
De kinderen tijdens het interview
Het speelgoed uit de kussensloop

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892