Erfgoeddrager: Emma

‘We hebben ons zelf bevrijd!’

Als verrassing zette Gerda de Jongh een grote picknickmand klaar vol snoep en pakjes drinken. Dat hadden Emma, Livia, Karel en Levi van de Bos en Vaartschool niet verwacht. Het interview kon beginnen.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was 6 jaar toen de oorlog uitbrak en de jongste van 7 kinderen. We woonden aan de Kleverlaan 113 en zat op de Tetterodeschool. Mijn vader was scheepsbouw technisch ingenieur en werkte als leraar op de HTS.
Mijn vader maakte een groot zeiljacht, een platbodem, waar we met de hele familie op konden slapen. In de zomer van 1939 zijn we nog op en neer naar Londen gevaren! Een maand later brak de oorlog uit. Als we op dat moment nog in Engeland waren geweest, was mijn leven totaal anders verlopen.

Al heel vroeg had mijn vader door dat Haarlem geen veilige stad was. Op 6 mei 1941 werd zijn collega, meneer Potma opgepakt en naar Dachau gestuurd. Mijn vader probeerde ergens anders werk te krijgen. Hij kon terecht in Dordrecht, waar hij was opgegroeid. We verhuisden naar de Singel in Dordrecht. Ik ging naar een andere school en maakte nieuwe vriendinnen. We hadden het best goed, want we hadden een bootje en daarmee kon mijn vader spullen vervoeren en ruilen. Hij kende de kooikers, de eendenhoeders in de Biesbosch. We hadden een huishoudster, ze kwam uit Den Haag en was Joods. Ze heette Hetty Katan.’

Heeft u ook iets spannends meegemaakt?
‘In oktober 1944 was er een bomalarm. Mijn zussen hadden net een lekker brood gebakken en we zouden aan tafel gaan. Mijn zussen en ik doken met mijn moeder de kelder in. Het huis schudde… Er hingen dode eenden in de kelder en je zag die koppies heen en weer gaan. Er waren enorme dreunen, de deurbel bleef maar klingelen en de granieten vloer golfde omhoog. Toen we boven kwamen lag er een dikke laag stof op de tafel en het verse brood. En het hele achterhuis was weggeslagen. Het was een wonder dat we het hadden overleefd!
Voor en achter het huis lagen blindgangers. We hebben de kraters ervan dichtgegooid met zand. Levensgevaarlijk, dat hadden we nooit mogen doen.’

Waar moest u toen heen?
‘We gingen op de boot wonen in de haven van Hoge Zwaluwe. De boot heette De Bruinvis. Mijn vader schilderde de boot zwart, zodat ie minder opviel. In 1943 gaf mijn vader nog les in Dordrecht. Hij zei tegen de jongens: “Jullie moeten niet meer naar school komen, dat is niet veilig. Jullie kunnen worden opgepakt bij een razzia en dan moeten jullie naar Duitsland.” Eén van die jongens was de zoon van de schooldirecteur, hij was NSB’er. Mijn vader werd ontslagen, maar met behoud van salaris! Dus toen hij zich op zijn verzetszaken toeleggen. In de Biesbosch waren veel crossings van gestrande Engelse piloten. We woonden op de boot met zeven slaapkamers, en soms sliepen er piloten.

Toen werd eindelijk het zuiden bevrijd. Wij lagen met de boot bij de Vischplaat bij Hoge Zwaluwe. Dat was niet ver van het bevrijdde deel van Nederland.In die tijd was er nog een groot verschil tussen eb en vloed. Met een beetje geluk konden we met de boot over de krib varen. Dat is gelukt in een nacht in november 1944. Zo hebben we onszelf bevrijd! Het was wel heel spannend want onderweg werden we beschoten vanaf de Moerdijkbrug.

We woonden in Breda en gingen daar ook naar school. Daar heb ik het Poolse volkslied geleerd, want de Polen hebben Breda bevrijd. Nog steeds kan ik dat meezingen. In 1946 keerden we weer terug, we gingen in Heemstede wonen en ik ging naar de HBS, waar nu de Raaks is.

 

 

Erfgoeddrager: Emma

‘Opeens stond er ‘s nachts een Duitse soldaat met geweer bij mijn bed’

Alex, Emma, Danas en Bente spraken met Anna Min de Rover, die nog altijd in de buurt van haar ouderlijk huis woont. Zij was negen jaar toen de oorlog begon. Haar gezin mocht als één van de weinige families tijdens de oorlog in Bergen blijven. Wat ze daar meemaakte, vertelt ze aan de leerlingen van de Matthieu Wiegmanschool.

Hoe merkten jullie dat het oorlog was?
‘Op de ochtend van 10 mei 1940 vlogen ’s morgens om vijf uur vliegtuigen over richting het vliegveld. Het dreunen van de bombardementen kon je aan de Oosterweg helemaal horen. Zoiets vergeet je nooit meer Het was heel eng, een soort dreiging. Dat dat voor ons het begin van de oorlog betekende, hoorde je pas later op de radio.’

Wat vond u het engste moment in de oorlog?
‘Eén moment is me goed bijgebleven. Middenin de nacht stond er een keer opeens een Duitse soldaat bij mijn bed; zijn geweer in de aanslag. Ze hadden het hele huis overhoop gehaald, op zoek naar mijn oom. Dat was een heel eng moment. Mijn oom had te maken met de ondergrondse. Deze mensen hielpen onderduikers door bijvoorbeeld bonkaarten te stelen zodat ze ook genoeg te eten hadden. Mijn oom is later neergeschoten door de Duitsers.
We hadden onderduikers in de schuur wonen. De soldaten kwamen wel eens die schuurtjes controleren en gooiden ze allemaal omver. Onze onderduiker toen zat achter een plank in de hoek, maar we hadden de deur van de schuur opengelaten zodat het net leek alsof iemand er druk bezig was. De Duitsers sloegen precies onze schuur over. Dat was wel heel spannend.’

Wat was het dierbaarste dat u had tijdens de oorlog?
‘Dat ik mijn hele familie bij elkaar had. Dat duurde helaas niet lang. De jonge jongens werd opgepakt tijdens razzia’s. Eén broer is verraden en werd naar Duitsland gestuurd om te gaan werken. Hij had het eerst niet goed, maar later had hij het weer beter. Een keer raakte hij gewond en moest vanwege een bomscherf naar het ziekenhuis. Toen werd dat ziekenhuis gebombardeerd, en alle zieken moesten snel naar de kelder van het ziekenhuis. Hij heeft de oorlog gelukkig wel overleefd.’

       

Erfgoeddrager: Emma

‘Dan hoorden we ’s avonds de Duitse soldaten rondom het huis sluipen’

Riet Pieters-Van de Berg groeide op in Egmond aan zee. Aan Emma, Ruben, Sophie en Sven van de J.D. Arkelschool in Broek op Langedijk vertelt ze over het leven bij de gevorderde duinen en de radio onder de grond.

Waar woonde u precies?
‘Wij woonden aan de rand van de duinen. Omdat de kustlijn gevorderd was, waren we omringd door Duitse soldaten. Vliegtuigen kwamen daar ook heel laag én vaak over. We mochten als kind – ik was twee toen de oorlog begon – niet bij de duinen komen, omdat het daar vol lag met mijnen. Na de oorlog mochten we er alleen via speciale paden overheen.
Er schoven bij ons geregeld mensen uit Amsterdam aan. Mijn ouders lieten iedereen toe, zeker in de Hongerwinter. Mensen moet je helpen, vonden ze, maar als kind begreep ik niet wat al die mensen in ons huis moesten.’

Had u speelgoed in de oorlog?
‘Wij hadden vroeger niet zoveel speelgoed als jullie nu hebben. We hadden houten blokjes waarmee we konden kinkelen en er waren hoepels. Ik had ook een pop. Mijn moeder was kleermaakster en mijn pop had altijd de mooiste kleren aan. Hij staat nog altijd hier in de kamer boven op de kast.’

Wat is het spannendste dat u heeft meegemaakt in die tijd?
‘Na achten mocht je niet meer buiten zijn en moest je je huis verduisteren. Dan hoorden we ’s avonds vaak Duitse soldaten rondom het huis sluipen. Dat vond ik best eng. Ook hadden we een radio verstopt onder de vloer. Mijn vader had die ruimte zelf gegraven. Er zat een luik over en daar ging dan een kleed overheen met daarop de tafel. In de verduisterde kamer luisterden we dan ‘s avonds naar het nieuws. Dat was verboden en we moesten extra opletten met al die soldaten om ons huis. Ze moeten dat een keer gehoord hebben, want een keer kwamen ze bij ons binnen om een radio te zoeken. Mijn vader heeft die toen snel via het raam naar buiten gebracht en in het hooi verstopt. Toen de Duitsers binnenkwamen stond het raam nog open. Dat hebben ze wel gezien natuurlijk, maar ze deden alsof ze het niet gezien hadden en zijn weer weggegaan. Zo zie je maar dat niet alle Duitsers slecht waren. Velen hadden ook gewoon familie thuis.’

          

 

 

Erfgoeddrager: Emma

‘Twee of drie tulpenbollen en een glaasje water, daar moest je het mee doen’

Mandy, Emma en Sacha van de Van den Brinkschool in Wageningen spraken met meneer Jan Berkhout, die vijf was toen de oorlog begon. Hij woonde met elf mensen in huis in Voorschoten, waar zijn vader burgemeester was.

Hoe wist u dat de oorlog begon?
‘Naast ons huis was er een groot gebouw. Op 5 of 6 mei 1940 trokken daar Nederlandse militairen in. Hun taak was ons te verdedigen, maar aangezien de Duitsers de macht grepen,  was dat een verloren zaak. Toen de Nederlandse militairen nog in dat gebouw zaten, kregen we ‘s ochtends een stuk koek met boter van ze. En weet je wat raar was: van de Duitsers kregen wij dat ook!
Mijn vader was burgemeester in die tijd en het was vervelend dat hij ook met de NSB’ers daar moest optrekken. Je kwam ze regelmatig op de straat tegen. Je herkende ze aan de rode band op hun rechterschouder. Je was jong, maar je wist dat je niks moest zeggen al wilde je dat wel.’

Ons kunt u het vertellen, wat vindt u van NSB’ers?
‘Simpel, gewoon landverraders.’

Heeft u iets gemist in de oorlog?
‘De meeste herinneringen heb ik aan de Hongerwinter. Dat was een periode van een maand of vijf waarin we weinig te eten hadden. In het begin konden mijn moeder en oudste zus bij de boeren nog wat kopen, maar die hadden op het einde ook niets meer. We hebben daadwerkelijk tulpenbollen moeten eten. Dan kregen we twee of drie bollen met een glaasje water en daar moest je het mee doen. Ik herinner me dat we op het veld van Valkenburg stonden en dat Amerikaanse vliegtuigen voedselpakketten dropten. Dat was heel fijn. Maar ja, dat was in de laatste week van de oorlog en we hadden al een maand of drie nauwelijks eten gehad. Als je me vraagt wat ik het meest heb gemist dan was dat mijn vader. In 1944 is hij samen met twee politieagenten omgekomen tijdens een treinongeluk.’

Heeft u toch ook nog goede herinneringen aan die tijd?
‘Ik kan zeker niet beweren dat dit een leuke tijd was, maar we hebben zeker ook gelachen, vooral op school. En thuis was het ook fijn. We woonden daar met zes kinderen, vader en moeder en drie onderduikers. Dus in totaal elf mensen. Dan was er dus bijna elke maand wel iemand jarig. En daar maakten we altijd een feestje van. Dat had een prettige effect op de mensen thuis. Je probeerde er gewoon het beste van te maken.’

             

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Emma

‘De pianoleraar vond zichzelf te oud om onder te duiken.’

Wij interviewden Marjan Berk in haar huis in de Plantagebuurt. Tijdens de oorlog woonde ze in een buitenwijk van Amersfoort met haar moeder en broertje. Ze kwam één keer naar Amsterdam in de oorlog om afscheid te nemen.

Hoe begon voor u de oorlog?
‘We hadden twee Nederlandse officieren ingekwartierd tijdens de mobilisatie. Op 10 mei werd ik wakker en toen was de oorlog al begonnen. De officieren waren al weggeroepen. Mijn vader kwam mij en mijn broertje halen. We gingen naar onze oma in Rotterdam.
Daar werd flink gebombardeerd. Als het luchtalarm ging, dan zaten we met zijn allen in het smalle gangetje. Dan hoorde je de bommen inslaan en het afweergeschut.
Op een gegeven moment viel er een brandbom op het huis van mijn oma.
Er kwam een Nederlandse soldaat, die trapte de deur in en die riep: ‘Jullie moeten hier weg!’ Mijn moeder had een koffer bij zich met tafelzilver en kostbare spullen die ze mee had genomen. Er stond een vrachtauto klaar om vluchtelingen de stad uit te brengen.
En in die oorlogsherrie, met die bommen en die vliegtuigen, overal lag puin. stonden daar mensen te stelen, uit de chocoladewinkel!
We kwamen terecht bij een boer. Ik stond als klein meisje voor het venster en van daaruit zag ik Rotterdam branden. De zon die ging bloedrood onder. Dat vergeet ik mijn hele leven niet meer.
Toen we terugkwamen in Amersfoort stond de vuile vaat nog op het aanrecht. Het bestek dat daar lag, was het enige dat nog over was. Want het tafelzilver dat mijn moeder nog snel had meegenomen in die koffer, was gestolen uit de vrachtwagen. Omdat mijn moeder eigenlijk een slonsje was, hadden we nog wat bestek om mee te eten.’

Had u onderduikers in uw huis?
‘We hadden verschillende onderduikers in huis. We waren een soort tussenhuis. Ze bleven even bij ons en dan bracht ik ze, vaak met de fiets, naar andere adressen. Ik was blond met een strik. Dat leek mijn moeder wel veilig.

Naast ons woonde een Joods gezin, de familie Sielenziger, hij was pianoleraar en was met zijn vrouw en dochter al voor de oorlog gevlucht uit Polen. Ze moesten zich melden voor de kampen en veel mensen doken daarom onder, maar de pianoleraar zei: ’Ik ben te oud.’ Hij gaf zich op om gedeporteerd te worden. Ze moesten zich melden in Amsterdam.
In ’42, zijn mijn moeder en ik, met de trein, naar Amsterdam gegaan om afscheid te nemen. Deze buurt was een tijdelijk getto en was afgezet. Je moest je persoonsbewijs laten zien, anders kwam je er niet in. Ze zaten bij andere mensen in huis te wachten tot het zover was. De pianoleraar was een klein mannetje, ik zie hem nog zitten. Het was zo’n moment dat je geconfronteerd werd met de oorlog. Later kregen we een brief van het Rode Kruis dat ze waren doodgegaan in Auschwitz.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘We werden bevrijd door Franssprekende Canadezen. Het was ijskoud op 5 mei. De tanks kwamen door de poort. Ik droeg de laatste witte sokjes in veel te grote schoenen van m’n moeder. Toen voelde ik iets warms tegen mijn been: pieste er een hondje over mijn mooie sokken.
Er was een enorme feestvreugde. Het Canadese regiment gaf een groot vuurwerk, het eerste vuurwerk dat ik ooit zag. Je wist niet wat je zag, het was fantastisch.
De soldaten dansten en tapten. Mijn moeder speelde piano, Glen Miller.
Dat klonk als honing in de oren na al die ellende.’

Erfgoeddrager: Emma

‘’Na een aanzwellend gierend geluid viel door het dak een zware bom’’

Annie Onderwater heeft zich goed voorbereid op het interview met Daan, Emma, Mia en Zonna van basisschool Het Wespennest in Noord. Ze heeft alvast een paar boekjes klaargelegd over de bombardementen in 1943, toen de geallieerden per ongeluk een woonwijk in Noord bombardeerden in plaats van de Fokkerfabriek bij de Distelweg. Ook heeft ze nog de persoonsbewijzen van haar ouders en laat ze voedselbonnen zien waarmee je in de oorlog eten kon kopen. Mevrouw Onderwater blijkt een vlotte verteller met een goed geheugen. De kinderen luisteren aandachtig.

 

Wat weet u nog van het bombardement op de Ritakerk in Noord?
“Op zaterdag 17 juli 1943 werd in de Ritakerk een mis gehouden vanwege het 25-jarig jubileum van de kerk. Het was een echt feest! Ook ik was erbij, in mijn deftige ‘bruidjesjurk’ die ik als katholiek meisje droeg. De kerk was vol. Om een uur of 9 klonk ineens het luchtalarm… De pater verbood de mensen de kerk te verlaten; ze moesten onder de banken kruipen. Na een aanzwellend gierend geluid viel door het dak een zware bom die in de grond onder de kerk ontplofte. Het was op slag donker door een dikke stofwolk. Ik zat gelukkig naast een deur en kon naar buiten vluchten. Ik rende naar ons huis in de Kwartelstraat. Onderweg kwam ik mijn vader tegen en samen zijn we naar een park aan de Adelaarsweg gevlucht, net als veel andere mensen. In onze paniek dachten we dat we daar het veiligst waren. Maar mensen in zo’n panieksituatie doen ook maar wat. We zagen bijvoorbeeld mensen in het Volewijckerpark lopen met kussens op hun hoofd nadat het luchtalarm was afgegaan… Na het bombardement was ik bang voor het luchtalarm en ook voor onweer. Zelfs toen de oorlog allang was afgelopen, schrok ik van een eskader vliegtuigen dat overvloog.“


U heeft nog een keer een bombardement meegemaakt, hoe was dat?

“Toen op een ochtend weer het luchtalarm afging, was ik thuis met mijn moeder en mijn jongere zusje Beppie. Mijn moeder zat nét op de WC en riep dat we snel naar haar moesten, dus ik, Beppie en mijn moeder schuilden samen in de wc die midden in ons huis stond. In de buurt sloegen bommen in en daardoor werden alle ramen uit ons huis geblazen. Scherven vlogen in het rond, maar omdat we op de wc zaten, werden we niet geraakt. Het huis was een tijd onbewoonbaar. Niet alleen zaten er geen ramen meer in, ook de deuren konden niet meer dicht. We hebben zes weken in Den Bosch gewoond bij onze grootouders, daarna konden we weer terug. Ons huis in de Kwartelstraat staat er trouwens nu nog…”


Wat deed uw vader in de oorlog?

“Mijn vader werkte bij Stork, een machinefabriek in Noord, op de plek waar nu de Jumbo Foodmarkt zit. In de fabriek waar mijn vader werkte, werden machines gemaakt om flessen te spoelen, zoals melkflessen voor de melkfabriek. De Duitsers hielden er wel eens razzia’s. Dan zochten ze mannen die in de juiste leeftijdscategorie vielen, om ze in Duitsland voor de Duitsers te laten werken. Mijn vader bleef dat lot bespaard omdat Stork in zijn persoonsbewijs de cijfers van zijn geboortejaar stiekem had aangepast zodat het leek of hij geboren was in 1903 in plaats van in 1906.  Daarmee was hij volgens de Duitse regels te oud om te werken in Duitsland.”

Erfgoeddrager: Emma

‘Papieren verstopt in het meel’

Mevrouw van Gogh was 7 jaar toen haar vader in 1943 werd opgepakt omdat hij in het verzet zat. Zelf deed mevrouw van Gogh ook gevaarlijke dingen. Ze bracht bijvoorbeeld bibliotheekboeken naar joodse onderduikadressen.

Hoe was het leven in uw buurt tijdens de oorlog?
“Ik woonde samen met mijn ouders, mijn grootmoeder en later met mijn broertje (die werd in 1944 geboren) in de Rustenburgerstraat. Het begin van de oorlog herinner ik mij als heel zorgeloos. Veel mensen dachten dat de oorlog hooguit een jaar zou duren. Ik rolschaatste lekker op straat, er waren geen auto’s meer, de stad was doodstil. Vanaf 1943 werd het slechter, er was weinig te eten, het was koud, we hadden geen licht meer en mijn vader werd opgepakt. We gingen op hongertochten naar Noord-Holland, soms op de fiets. Heel zwaar, want de fietsen hadden houten banden. Je werd wel reusachtig zelfstandig, ik was zeven jaar en ging al alleen met een vriendinnetje op rooftocht.

Ik weet nog dat we geen licht meer hadden in huis. Mijn neef gebruikte de voorlamp van zijn fiets om licht te hebben bij het lezen van zijn studieboeken. We hadden ook carbidlampen, carbid lijkt een beetje op krijt. Dat moest in kleine stukjes gehakt worden en dat brandde dan. Het was mooi wit licht, maar wel gevaarlijk. Je moest altijd een zonnebril opdoen, anders werd je verblind.”

Waarom werd uw vader opgepakt?
“Mijn vader zat in het verzet. Hij heeft veel Joden ondergebracht in Noord-Holland. Hij vervalste Sonderausweisen (daarmee kon je ook na Sperrtijd naar buiten) en stamkaarten. Er kwamen dus opvallend veel mensen bij ons over de vloer, terwijl er NSB’ers in de straat woonden, zoals de horlogemaker. In 1943 was er een inval bij ons thuis. Mijn grootmoeder wist de belangrijke papieren, het bewijsmateriaal, nog op tijd in het meel te verstoppen, ze zijn door de Duitsers niet gevonden. Mijn vader werd wel meegenomen. Mijn moeder was heel verdrietig, maar we hadden gelukkig veel steun van het verzet. Mijn vader ging eerst naar Kamp Vught waar hij Joden tegenkwam die hij had geholpen met onderduiken. Hij heeft ook in Westerbork gezeten en hij moest werken in de Amsterdamse bossen. Daar brachten we hem pakjes, met bijvoorbeeld sokken. We gaven het aan een man die aan de andere kant van het hek stond, maar gek genoeg zijn de pakketjes nooit bij mijn vader aangekomen.  Ik heb weleens gedacht dat ik mijn vader nooit meer terug zou zien. Maar na een jaar, begin 1944 werd mijn vader vrijgelaten. Waarom weet ik niet.”

Welke gebeurtenissen in de oorlog zijn u het meest bijgebleven?
“Mijn grootmoeder die de papieren verstopte in het meel; de terugkomst van mijn vader en de enorme honger. Ik weet ook nog goed dat ik bibliotheekboeken haalde in de Rijnstraat om die naar onderduikers in Oud-Zuid te brengen. Die jongens verveelde zich vreselijk. Het was zwaar werk, zeker als je zeven bent. Vaak kreeg ik dan wat te eten. Ik herinner mij ook nog de fusillade op het Weteringplantsoen in maart 1945. Het was een vergeldingsactie, want er was een aanslag gepleegd op een Duitse officier. 36 willekeurige mensen werden doodgeschoten op straat. Ik liep daar met een vriendinnetje. De Duitsers riepen dat we moesten blijven staan. Ze wilden gewoon publiek hebben.”

Erfgoeddrager: Emma

‘’Geef mijn boterhammen maar aan deze meisjes’’

Ondanks dat er gezegd wordt dat het Nederlandse volk zich nauwelijks verzette, ziet Ans dat heel anders. Ans vindt verzet heel belangrijk, op elk niveau. Verzet is ook onderduiken, zodat je niet wordt meegenomen voor de Arbeidseinsatz. Ik geloof echt dat Nederland zich enorm verzet heeft.

Hoe heeft u de oorlog beleefd? 
Het was een zware tijd met akelige dingen en vooral honger, heel veel honger. Toch heb ik ook mooie herinneringen. Die heb ik allemaal gecheckt bij mijn moeder omdat ik zo jong was. Ik wilde zeker zijn dat de dingen die ik me herinnerde ook echt zijn.
Honger had iedereen. Iedereen was het laatste jaar van de oorlog bezig met het verzamelen van eten. Mijn moeder zag voor de oorlog de situatie uit de hand lopen en zij vermoedde dat Duitsland wel eens iets raars kon gaan doen. Dus zij ging meteen hamsteren. Zij beheerde een pension voor oude dames. En overal in huis verstopte zij grote blikken met eten, zodat zowel de zwakkere oude dames als ik niet onnodig geleden hebben. Ik herinner me het laatste 5 liter blik jam nog heel goed. Omdat mijn moeder zoveel eten had ingeslagen, heb ik niet echt heel erge honger gehad. Mijn ouders wel. Zij waren wel afhankelijk van de gaarkeukens.
Ik herinner me nog heel goed dat ik ongeveer 4 was en er twee uitgemergelde meisjes aanbelden. Zij bedelden om eten. Ze waren heel jong, eentje ongeveer 6 en de andere ongeveer 4 jaar oud. Mijn moeder zei dat ze niets in huis had. En wilde de meisjes wegsturen. Maar zij had net een broodje gebakken op de majokachel. Ik zei daarom: “Maar mama, er is wel eten in huis”. Mijn moeder werd rood en zei tegen mij dat dat broodje voor mij en oma was. Daarop zei ik eigenwijs: “Nou ik heb geen honger, geef mijn boterhammen maar aan deze meisjes”. Mijn moeder heeft toen twee boterhammetjes besmeerd met suikerbietenstroop. Voor je twee keer kon knipperen met je ogen hadden die meisjes de boterhammetjes al op.

Bent u altijd in dit huis gebleven?  
Ja, dit is het huis van mijn opa en oma. En daar woon ik nu dus nog. Op een gegeven moment moest mijn vader onderduiken, omdat hij niet naar Duitsland wilde. Als ‘s nachts ineens de elektriciteit weer aan werd gezet door de Duitse soldaten en de stofzuiger ging loeien, wisten we dat de Duitsers eraan kwamen en dook mijn vader snel onder de vloer. Hij ging dan via een luik in de kamer van één van de oude dames. Ik weet nog goed hoe akelig ik dat vond. Dat mijn vader dan door dat luik ging. Mijn vader is uiteindelijk wel opgepakt in de buurt van Reeuwijk. Hij is afgevoerd naar Duitsland. Hij kwam in een houtbewerkerskamp. Daar heeft hij een uitgebreid verslag van gemaakt. Na een week kon hij ontsnappen. Hij is helemaal vanuit Duitsland naar huis gelopen. Mijn vader was na een maand ineens weer thuis. Daar zat hij ineens in de kamer met een lange baard en heel mager. Ik herkende hem niet. Maar ik herkende zijn stem toen hij begon te praten en vloog hem in de armen.

Heeft u een hekel gekregen aan Duitsers? 
Ik was nog erg jong.Voor mij waren het boze mannen die kwaad deden. Toch zagen de “gewone”soldaten, vooral in de laatste maanden van de oorlog, vaak ook uit naar het einde daarvan. Bij huiszoekingen haakten ze allemaal direct af als mijn moeder ze voorloog. Mijn moeder zei dan dat één van de oudere dames de besmettelijke tuberculose had. En weg waren ze. Een keer zijn ze binnen gekomen, maar toen ze de achtertuin inliepen, zat daar een wat agressieve eend. Die hapte de soldaten naar de broekspijpen. Ook die zijn nooit meer teruggekomen en ze hebben ons niet bestraft. Verder had de Oostenrijkse commandant, die de leiding had van het kamp waar mijn vader gevangen zat, er ook niet echt zin in. Mijn vader kon na een week gevangenschap ontsnappen. Toen hij dichtbij de Duits Nederlandse grens kwam, hebben de plaatselijke boeren hem opgevangen en hem een plek om te slapen en eten aangeboden. Daardoor kon mijn vader aansterken en heeft hij de reis naar huis overleefd. Hij kwam thuis met zijn jas vol verstopt eten. Dus je ziet, verzet is op elk niveau belangrijk.

Erfgoeddrager: Emma

‘Ze huilde. Ze huilde van de kou.’


De hele oorlog is voor ons geen verschrikking geweest. We hebben heel veel geluk gehad. Het was voor ons een ‘ver-van-ons-bed-show’. Als de oorlog begint woont Rob in de Perziklaan 21 en Liet op de hoek van de Valkenboskade.

Veranderde de oorlog veel voor u?
Rob: De eerste vier jaar heb ik er weinig van gemerkt. De school op de Hyacintweg, ging gewoon door en het werk van mijn vader ook. Hij werkte bij de bank van 9 tot 5 en de Duitsers vonden het belangrijk dat het bankverkeer bleef draaien. Hij kreeg als het ware een soort vrijstelling. Maar dat hing wel een beetje af van welke commandant je trof. Mocht het nodig zijn dan had mijn vader wel een hok in de schuur om zich te verstoppen. Achteraf was die gedachte wel erg optimistisch.
Uit de krant haalden we weinig informatie en wat erin stond bleek ook niet altijd betrouwbaar. We hadden nog geen mobiele telefoons en eigenlijk kwamen we niet vaak op veel verschillende plekken. Dus onze wereld leek klein en veilig. Op 1 juni 1943 ben ik lid geworden van de voetbalclub en daarbij heb ik met veel plezier kunnen spelen. Het laatste jaar van de oorlog merkten we er veel meer van. Toen was er maar weinig te eten en het was ook koud.

Liet: Ik was heel klein tijdens de oorlog. Iedereen van de familie heeft het overleefd, zelfs onze kat. We hielden hem veilig binnen. Wel heb ik als klein meisje gezien dat mijn vader en een paar vrienden zich verstopten onder een luik in de vloer van de slaapkamer bij mij thuis. Ik werd toevallig wakker en had dit niet mogen zien. Mijn moeder was doodsbenauwd. De razzia zou morgen of de dag erna komen, dus mijn moeder drukte mij op het hart mijn mond te houden. Dat heb ik gedaan.

Kunt u beschrijven hoe de hongerwinter voor u was?
Rob: In 1944- 1945 was er geen eten en geen brandstof. Ik ben met mijn vader een keer naar Poeldijk gelopen, naar een boer. Hier gingen we eten halen. We hebben denk ik wel 8 adresjes bezocht tijdens de hongerwinter. Tulpenbollen en suikerbieten aten we. Van tulpenbollen maakten we een soort chips. De suikerbieten kookten we eerst, het water werd er zoet van. Daarna klopten we het op en dat noemden we ‘klopklop’. Met voedselbonnen kon je eten kopen. Dat eten werd gemaakt in gaarkeukens en als je langs ging, kon je met een bon een portie krijgen. Er werd ruw opgeschept. De kunst was als de pan bijna leeg was, met je hoofd in de pan te hangen om de restjes eruit te lepelen en mee naar huis te nemen. Je was trots als dat je lukte.

Liet: Ik was nog klein. Ik herinner me wel dat ik een jaar of 4 was en een wit jasje van konijnenbont aan had. Ik zat op de slee en mijn moeder nam me mee. Ze huilde. Ze huilde van de kou. In de hongerwinter was er niet veel te eten. Hierdoor herinner ik me nog goed dat mijn moeder een sinaasappel had weten te bemachtigen, net na de oorlog. Ze was blij dat ze ons iets gezonds kon geven. Maar we vonden het vies, we kenden helemaal geen sinaasappels.

Wanneer was u erg bang?
Rob: Op nieuwjaarsdag, 1 januari 1945. Ik weet het nog goed. Opa en oma waren op bezoek. We hoorden een raket, een V1, en als jonge knul vond ik het stoer en spannend om te kijken. Maar  mijn moeder joeg me weg van de ramen. Als het geluid ophield, wist je dat de raket zou neerstorten. En als de raket op je neerkwam, was je dood. Als alleen de ruiten sprongen kon je maar beter onder een tafel zitten.

Liet: Ik hoorde ook die V1 raket op 1 januari 1945. Mijn ouders doken allebei onder de tafel en dachten dat ze een arm van mij en een arm van mijn broertje beet hadden. Het bleek dat ze allebei een arm van mijn broertje beet hadden. Ik stond voor het raam. Gelukkig sprongen de ruiten niet en bleef ik ongedeerd. We hebben dit moment van de V1 raket op 1 januari 1945 apart van elkaar intens beleefd, zonder elkaar te kennen. Gelukkig kunnen we het nu samen navertellen.

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892