Erfgoeddrager: Emma

‘We hebben ons zelf bevrijd!’

Als verrassing zette Gerda de Jongh een grote picknickmand klaar vol snoep en pakjes drinken. Dat hadden Emma, Livia, Karel en Levi van de Bos en Vaartschool niet verwacht. Het interview kon beginnen.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was 6 jaar toen de oorlog uitbrak en de jongste van 7 kinderen. We woonden aan de Kleverlaan 113 en zat op de Tetterodeschool. Mijn vader was scheepsbouw technisch ingenieur en werkte als leraar op de HTS.
Mijn vader maakte een groot zeiljacht, een platbodem, waar we met de hele familie op konden slapen. In de zomer van 1939 zijn we nog op en neer naar Londen gevaren! Een maand later brak de oorlog uit. Als we op dat moment nog in Engeland waren geweest, was mijn leven totaal anders verlopen.

Al heel vroeg had mijn vader door dat Haarlem geen veilige stad was. Op 6 mei 1941 werd zijn collega, meneer Potma opgepakt en naar Dachau gestuurd. Mijn vader probeerde ergens anders werk te krijgen. Hij kon terecht in Dordrecht, waar hij was opgegroeid. We verhuisden naar de Singel in Dordrecht. Ik ging naar een andere school en maakte nieuwe vriendinnen. We hadden het best goed, want we hadden een bootje en daarmee kon mijn vader spullen vervoeren en ruilen. Hij kende de kooikers, de eendenhoeders in de Biesbosch. We hadden een huishoudster, ze kwam uit Den Haag en was Joods. Ze heette Hetty Katan.’

Heeft u ook iets spannends meegemaakt?
‘In oktober 1944 was er een bomalarm. Mijn zussen hadden net een lekker brood gebakken en we zouden aan tafel gaan. Mijn zussen en ik doken met mijn moeder de kelder in. Het huis schudde… Er hingen dode eenden in de kelder en je zag die koppies heen en weer gaan. Er waren enorme dreunen, de deurbel bleef maar klingelen en de granieten vloer golfde omhoog. Toen we boven kwamen lag er een dikke laag stof op de tafel en het verse brood. En het hele achterhuis was weggeslagen. Het was een wonder dat we het hadden overleefd!
Voor en achter het huis lagen blindgangers. We hebben de kraters ervan dichtgegooid met zand. Levensgevaarlijk, dat hadden we nooit mogen doen.’

Waar moest u toen heen?
‘We gingen op de boot wonen in de haven van Hoge Zwaluwe. De boot heette De Bruinvis. Mijn vader schilderde de boot zwart, zodat ie minder opviel. In 1943 gaf mijn vader nog les in Dordrecht. Hij zei tegen de jongens: “Jullie moeten niet meer naar school komen, dat is niet veilig. Jullie kunnen worden opgepakt bij een razzia en dan moeten jullie naar Duitsland.” Eén van die jongens was de zoon van de schooldirecteur, hij was NSB’er. Mijn vader werd ontslagen, maar met behoud van salaris! Dus toen hij zich op zijn verzetszaken toeleggen. In de Biesbosch waren veel crossings van gestrande Engelse piloten. We woonden op de boot met zeven slaapkamers, en soms sliepen er piloten.

Toen werd eindelijk het zuiden bevrijd. Wij lagen met de boot bij de Vischplaat bij Hoge Zwaluwe. Dat was niet ver van het bevrijdde deel van Nederland.In die tijd was er nog een groot verschil tussen eb en vloed. Met een beetje geluk konden we met de boot over de krib varen. Dat is gelukt in een nacht in november 1944. Zo hebben we onszelf bevrijd! Het was wel heel spannend want onderweg werden we beschoten vanaf de Moerdijkbrug.

We woonden in Breda en gingen daar ook naar school. Daar heb ik het Poolse volkslied geleerd, want de Polen hebben Breda bevrijd. Nog steeds kan ik dat meezingen. In 1946 keerden we weer terug, we gingen in Heemstede wonen en ik ging naar de HBS, waar nu de Raaks is.

 

 

Erfgoeddrager: Emma

‘Opeens stond er ‘s nachts een Duitse soldaat met geweer bij mijn bed’

Alex, Emma, Danas en Bente spraken met Anna Min de Rover, die nog altijd in de buurt van haar ouderlijk huis woont. Zij was negen jaar toen de oorlog begon. Haar gezin mocht als één van de weinige families tijdens de oorlog in Bergen blijven. Wat ze daar meemaakte, vertelt ze aan de leerlingen van de Matthieu Wiegmanschool.

Hoe merkten jullie dat het oorlog was?
‘Op de ochtend van 10 mei 1940 vlogen ’s morgens om vijf uur vliegtuigen over richting het vliegveld. Het dreunen van de bombardementen kon je aan de Oosterweg helemaal horen. Zoiets vergeet je nooit meer Het was heel eng, een soort dreiging. Dat dat voor ons het begin van de oorlog betekende, hoorde je pas later op de radio.’

Wat vond u het engste moment in de oorlog?
‘Eén moment is me goed bijgebleven. Middenin de nacht stond er een keer opeens een Duitse soldaat bij mijn bed; zijn geweer in de aanslag. Ze hadden het hele huis overhoop gehaald, op zoek naar mijn oom. Dat was een heel eng moment. Mijn oom had te maken met de ondergrondse. Deze mensen hielpen onderduikers door bijvoorbeeld bonkaarten te stelen zodat ze ook genoeg te eten hadden. Mijn oom is later neergeschoten door de Duitsers.
We hadden onderduikers in de schuur wonen. De soldaten kwamen wel eens die schuurtjes controleren en gooiden ze allemaal omver. Onze onderduiker toen zat achter een plank in de hoek, maar we hadden de deur van de schuur opengelaten zodat het net leek alsof iemand er druk bezig was. De Duitsers sloegen precies onze schuur over. Dat was wel heel spannend.’

Wat was het dierbaarste dat u had tijdens de oorlog?
‘Dat ik mijn hele familie bij elkaar had. Dat duurde helaas niet lang. De jonge jongens werd opgepakt tijdens razzia’s. Eén broer is verraden en werd naar Duitsland gestuurd om te gaan werken. Hij had het eerst niet goed, maar later had hij het weer beter. Een keer raakte hij gewond en moest vanwege een bomscherf naar het ziekenhuis. Toen werd dat ziekenhuis gebombardeerd, en alle zieken moesten snel naar de kelder van het ziekenhuis. Hij heeft de oorlog gelukkig wel overleefd.’

       

Erfgoeddrager: Emma

‘Dan hoorden we ’s avonds de Duitse soldaten rondom het huis sluipen’

Riet Pieters-Van de Berg groeide op in Egmond aan zee. Aan Emma, Ruben, Sophie en Sven van de J.D. Arkelschool in Broek op Langedijk vertelt ze over het leven bij de gevorderde duinen en de radio onder de grond.

Waar woonde u precies?
‘Wij woonden aan de rand van de duinen. Omdat de kustlijn gevorderd was, waren we omringd door Duitse soldaten. Vliegtuigen kwamen daar ook heel laag én vaak over. We mochten als kind – ik was twee toen de oorlog begon – niet bij de duinen komen, omdat het daar vol lag met mijnen. Na de oorlog mochten we er alleen via speciale paden overheen.
Er schoven bij ons geregeld mensen uit Amsterdam aan. Mijn ouders lieten iedereen toe, zeker in de Hongerwinter. Mensen moet je helpen, vonden ze, maar als kind begreep ik niet wat al die mensen in ons huis moesten.’

Had u speelgoed in de oorlog?
‘Wij hadden vroeger niet zoveel speelgoed als jullie nu hebben. We hadden houten blokjes waarmee we konden kinkelen en er waren hoepels. Ik had ook een pop. Mijn moeder was kleermaakster en mijn pop had altijd de mooiste kleren aan. Hij staat nog altijd hier in de kamer boven op de kast.’

Wat is het spannendste dat u heeft meegemaakt in die tijd?
‘Na achten mocht je niet meer buiten zijn en moest je je huis verduisteren. Dan hoorden we ’s avonds vaak Duitse soldaten rondom het huis sluipen. Dat vond ik best eng. Ook hadden we een radio verstopt onder de vloer. Mijn vader had die ruimte zelf gegraven. Er zat een luik over en daar ging dan een kleed overheen met daarop de tafel. In de verduisterde kamer luisterden we dan ‘s avonds naar het nieuws. Dat was verboden en we moesten extra opletten met al die soldaten om ons huis. Ze moeten dat een keer gehoord hebben, want een keer kwamen ze bij ons binnen om een radio te zoeken. Mijn vader heeft die toen snel via het raam naar buiten gebracht en in het hooi verstopt. Toen de Duitsers binnenkwamen stond het raam nog open. Dat hebben ze wel gezien natuurlijk, maar ze deden alsof ze het niet gezien hadden en zijn weer weggegaan. Zo zie je maar dat niet alle Duitsers slecht waren. Velen hadden ook gewoon familie thuis.’

          

 

 

Erfgoeddrager: Emma

‘Twee of drie tulpenbollen en een glaasje water, daar moest je het mee doen’

Mandy, Emma en Sacha van de Van den Brinkschool in Wageningen spraken met meneer Jan Berkhout, die vijf was toen de oorlog begon. Hij woonde met elf mensen in huis in Voorschoten, waar zijn vader burgemeester was.

Hoe wist u dat de oorlog begon?
‘Naast ons huis was er een groot gebouw. Op 5 of 6 mei 1940 trokken daar Nederlandse militairen in. Hun taak was ons te verdedigen, maar aangezien de Duitsers de macht grepen,  was dat een verloren zaak. Toen de Nederlandse militairen nog in dat gebouw zaten, kregen we ‘s ochtends een stuk koek met boter van ze. En weet je wat raar was: van de Duitsers kregen wij dat ook!
Mijn vader was burgemeester in die tijd en het was vervelend dat hij ook met de NSB’ers daar moest optrekken. Je kwam ze regelmatig op de straat tegen. Je herkende ze aan de rode band op hun rechterschouder. Je was jong, maar je wist dat je niks moest zeggen al wilde je dat wel.’

Ons kunt u het vertellen, wat vindt u van NSB’ers?
‘Simpel, gewoon landverraders.’

Heeft u iets gemist in de oorlog?
‘De meeste herinneringen heb ik aan de Hongerwinter. Dat was een periode van een maand of vijf waarin we weinig te eten hadden. In het begin konden mijn moeder en oudste zus bij de boeren nog wat kopen, maar die hadden op het einde ook niets meer. We hebben daadwerkelijk tulpenbollen moeten eten. Dan kregen we twee of drie bollen met een glaasje water en daar moest je het mee doen. Ik herinner me dat we op het veld van Valkenburg stonden en dat Amerikaanse vliegtuigen voedselpakketten dropten. Dat was heel fijn. Maar ja, dat was in de laatste week van de oorlog en we hadden al een maand of drie nauwelijks eten gehad. Als je me vraagt wat ik het meest heb gemist dan was dat mijn vader. In 1944 is hij samen met twee politieagenten omgekomen tijdens een treinongeluk.’

Heeft u toch ook nog goede herinneringen aan die tijd?
‘Ik kan zeker niet beweren dat dit een leuke tijd was, maar we hebben zeker ook gelachen, vooral op school. En thuis was het ook fijn. We woonden daar met zes kinderen, vader en moeder en drie onderduikers. Dus in totaal elf mensen. Dan was er dus bijna elke maand wel iemand jarig. En daar maakten we altijd een feestje van. Dat had een prettige effect op de mensen thuis. Je probeerde er gewoon het beste van te maken.’

             

 

 

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892