Erfgoeddrager: Emma

‘De ouders van een vriendin verborgen in hun bakkerij een Russische soldaat’

Na een korte rit van Midsland naar West komen Maud, Eva, Emma, Doutzen, Maria en Melany aan bij zorgcentrum de Stilen op Terschelling, waar Griet van Holk (1933) woont. Op haar koelkast hangen groepsfoto’s van haar met kinderen die eerder aan dit project hebben meegedaan. Mevrouw van Holk krijgt op de dag van het interview een nieuwe stoel dus ze kunnen de hele kamer een beetje ombouwen naar een goede interviewsetting.

Wat is u meest aangrijpende herinnering aan de oorlog?
‘De ergste tijd was toen de Russen-oorlog uitbrak op Texel. Dat was een en al spanning’, vertelt mevrouw Van Holk. Ze leest momenteel een boek daarover en zegt tegen de kinderen dat ze dat maar niet moeten lezen want het is zo verschrikkelijk. Een stripboek over deze oorlog vindt ze dan een beter idee. De kinderen mogen deze van haar lenen.

Kende u ook iemand in het verzet?
‘De ouders van een vriendinnetje hebben een Russische soldaat verborgen gehouden in hun bakkerij. Tijdens een razzia verstopten ze de Rus in een broodkar.’ Zij zelf hielp ook mee tijdens de oorlog. Toen er een razzia was bij de kapper naast hun huis verstopten de mensen zich en hielp ze mee. ‘Ik moest naar de huizen van familie van de onderduikers om te zeggen dat ze veilig waren.’

Had u voldoende eten tijdens de oorlog?
‘Omdat mijn familie een textielwinkel had tijdens de oorlog, kon mijn vader spullen uit de winkel ruilen tegen voedsel. We hebben nooit honger gehad.’

Heeft u nog een boodschap voor ons?
Tijdens de oorlog gaat het leven ook gewoon door, zegt ze. Ze adviseert vooral aan de kinderen om te blijven spelen. ‘Blijf spelen, blijf leuke dingen doen, wat er ook gebeurt.’

 

Erfgoeddrager: Emma

‘Ik ben lombokjes gaan stelen voor mijn moeder in het tuintje van de nonnen’

De voorouders van Peter Rufi kwamen uit Europa, maar gingen in 1800 naar Nederlands-Indië om te werken en vestigden zich daar. Meneer Rufi is dus een zogeheten Indo. Toen hij 3 jaar was, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vielen de Japanners het huidige Indonesië binnen. Samen met zijn moeder en zusje van 1,5 verbleef hij 3,5 jaar in een kamp, gescheiden van zijn vader die in een ander kamp werd geplaatst. Na de oorlog is het gezin herenigd. Meneer Rufi deelt zijn verhaal met Emma, Lana en Ruben van basisschool de Talisman in Eindhoven. 

Hoe was het om in een kamp te zitten?
‘Kijk, als je thuis bent, dan weet je dat je de deur uit mag, tot aan de straat bijvoorbeeld. In het kamp was dat hetzelfde. We woonden in een barak en je kon overal naartoe, maar nooit verder dan het hek van prikkeldraad, wachters hielden ons in de gaten. Er waren ook andere kinderen in het kamp en we gingen één keer per dag naar een soort schooltje. Dan deden we spelletjes of zongen we liedjes. Buiten dat uurtje was er echt niets te doen, je hing alleen maar wat rond en je hield je wel gedeisd want er waren veel mensen die je in de gaten hielden.’

Klopt het dat u pepers had gestolen van de Japanners?
‘Ik had mijn moeder horen praten over het klaarmaken van lekker eten. Hiervoor had ze lombokjes (pepertjes) nodig, maar die had ze niet. Om mijn moeder blij te maken ben ik die toen voor haar gaan stelen in het tuintje van de nonnen, maar ik werd betrapt. Ik kreeg boze woorden van moeder-overste en daarna bracht ze mij naar het huis van de Japanse commandant. Deze man liep altijd met een stok door het kamp en gaf een tik of een pak rammel als je iets niet goed deed. Ik vond die stok vreselijk. Ze liet me in het huis van deze commandant in de hoek wachten tot hij binnen zou komen. Ze wist wel dat hij er die dag niet was, maar ik heb lang staan bibberen. En dat was mijn straf.’

Wat zag u toen u uw vader zijn eigen graf zag graven?
‘Voordat we in dat kamp terechtkwamen, hadden de Jappanners mijn vader gearresteerd. Hij had brandstof in de fik gestoken om te voorkomen dat de Japanners die konden gebruiken voor hun tanks. Hij kreeg straf en zou onthoofd worden. Verschrikkelijk natuurlijk! Wij moesten erbij staan, terwijl ik te klein was om het goed te beseffen. Mijn vader groef zijn eigen graf en nam afscheid van ons. Hij werd geblinddoekt, knielde voor zijn graf, kreeg een klap met het zwaard in zijn nek en viel in het graf. We dachten dat hij dood was. Mijn moeder huilde verschrikkelijk, dat vond ik nog het ergste.

De volgende dag moesten we naar de haven en daar zag ik opeens mijn vader. ‘Daar loopt papa’ zei ik, ‘ik dacht dat hij dood was?’ En mijn moeder dacht dat natuurlijk ook. Dus ik vond het erg verwarrend, maar ze was ook erg blij. Ze hadden dus gedaan alsof ze hem onthoofden, maar ze hadden hem alleen met de platte kant van het zwaard in zijn nek geslagen. Hierdoor viel hij in het graf, maar was hij slechts bewusteloos. Zelf dacht hij ook dat hij zou sterven, maar realiseerde zich later in zijn cel dat hij nog leefde.’

Wat voelde u toen de oorlog voorbij was?
‘Toen was ik al bijna 7. Het was aangrijpend en spannend. We moesten ons verzamelen voor het huis van de commandant. Er was een soort podium en daar klom de Hollandse kampcommandante op. Naast haar stond de Japanse commandant voor wie ik zo bang voor was. En deze commandant deed iets wat hij nooit deed; hij boog voor ons. Normaal was het zo dat als er een Japanner langskwam, wij voor hen moesten buigen, dus ik vond dat heel raar.

We hoorden dat de Amerikanen bommen hadden gegooid op Hiroshima en Nagasaki. Mij zei dat niets maar het moest vast verschrikkelijk zijn. De vrouwen van het kamp waren echter erg blij dat dit gebeurd was want hierdoor was de oorlog voorbij en waren we weer vrij.

Wat is dat ‘vrij’? Ik wist helemaal niet wat dat was. Iedereen begon te huilen, te juichen en te schreeuwen. Dus ik dacht; dit hoort erbij, dus ik deed driftig mee, geen idee waarom. Men zong het Wilhelmus, dat had ik nog nooit gehoord want dat mochten we niet zingen, maar ik probeerde toch mee te zingen. Toen kwam er een vlag tevoorschijn: rood, wit blauw en die werd in de mast gehesen. Iedereen was blij, we waren bevrijd en de oorlog was voorbij.’

Erfgoeddrager: Emma

‘Als er luchtalarm was, gingen velen de grotten van Valkenburg in’

Zuzanna, Xavi, Kisanet en Emma gaan in Heerlen iemand met een bijzonder verhaal interviewen: Mieke Fox. Terwijl Kisanet foto’s maakt, vertelt mevrouw Fox haar verhaal. Zuzanna, Xavi en Emma luisteren aandachtig en stellen de vragen die zij van tevoren hebben opgesteld.

Hoe zag het begin van de oorlog eruit?
‘Ik was zeven jaar oud toen de oorlog begon, in mei 1940. Ik droeg een wit jurkje met een grote strik in mijn haar, want meisjes droegen toen geen broeken. Ik was de middelste van drie kinderen, ik had een oudere en een jongere zus. Op 10 mei kwamen ineens de Duitse vliegtuigen over Rotterdam. Dat was heel beangstigend, want vliegtuigen zag je toen bijna nooit. Opeens vielen er bommen uit de lucht. Alles stond in brand. Bij ons thuis waren alle ramen eruit geblazen. Mijn vader probeerde ze nog dicht te plakken. Ik vergeet nooit hoe eng dat was.’

Hoe was het leven in Rotterdam tijdens de oorlog?
‘Rotterdam werd bijna helemaal verwoest. Overal brandden huizen en mensen moesten vluchten. Wij pakten snel wat spullen bij elkaar en gingen te voet weg, want bijna niemand had een auto. We namen alleen het hoogstnodige mee, zoals dekens en een klein kistje met belangrijke papieren dat mijn oudste zus moest dragen. Mijn vader zei dat mensen eerder bij ouders naar papieren zouden zoeken dan bij een kind, zodat we beschermd waren. We hebben een hele nacht in een weiland geslapen. De volgende dag gingen we naar mijn tante, die een slagerij had. Ons huis was helemaal kapot. Mijn vader ging terug om te kijken of het nog te redden was en gebruikte glas uit schilderijen om de ramen voorlopig dicht te maken.’

Hoe was het leven nadat jullie naar Valkenburg gingen?
‘Via een vriend van mijn vader zijn we naar Valkenburg gegaan, omdat het daar veiliger was. We gingen met een verhuiswagen. Mijn vader was musicus; hij speelde saxofoon en was dirigent. Mijn moeder, een Friezin, begon daar een hotel dat uiteindelijk groter werd en dat ik later overnam. Mijn vader noemde het hotel ‘Rotterdam’ en de Rotterdamse en Friese vlag hingen altijd uit. In Valkenburg moest ik meteen naar school en ik kreeg snel nieuwe vriendinnetjes. We hadden veel spullen uit Rotterdam meegenomen, zoals speelgoed, schaatsen en tennisballen, waardoor de kinderen daar graag met ons wilden spelen. Zo leerden we ook snel plat Limburgs praten.’

Wat gebeurde er in de grotten?
‘In Valkenburg waren grotten, zoals de Gemeentegrot en de Catacomben. Als het luchtalarm afging, gingen de meeste mensen de grotten in, vooral degenen die erg bang waren, zoals mijn schooljuffen. Tijdens de bevrijding hebben we veertien dagen in de Catacomben doorgebracht. Elk gezin had een eigen plekje, afgescheiden met lakens en dekens. Er was een gaarkeuken waar men in een lange rij voedsel kreeg, en gaslampen brandden in de grot. Voor ons kinderen was het spannend; ik organiseerde poppenkastvoorstellingen en andere spelletjes voor de kinderen.’

Hoe ging de bevrijding?
‘Op 17 september 1944 mochten we de grot weer uit. Het moment dat je ineens weer licht zag, staat me nog helder voor de geest. Toen we teruggingen naar ons hotel, lag er een dode Duitse soldaat binnen. Amerikaanse en Engelse soldaten kwamen daarna in Valkenburg aan. Wij zagen voor het eerst ook zwarte soldaten, die werden gediscrimineerd binnen het leger, maar wij vonden het bijzonder om met hen te praten. De Amerikanen deelden chocola uit en soms kregen wij brood of gebak van de soldaten.’

Kunt u iets vertellen over de ‘Verboden voor Joden’-bordjes?
‘Tijdens de bezetting moesten alle zaken een bord buiten hangen met de tekst ‘Verboden voor Joden’, ook bij ons hotel. Mijn pianoleraar was Joods en droeg een ster. In het begin kreeg ik nog les van hem, maar ineens was hij verdwenen. Hij overleefde de oorlog gelukkig.’

Hoe kijkt u nu terug op de oorlog?
‘De oorlog heeft mijn jeugd bepaald. We moesten snel groot worden, maar we hebben ook geleerd door te gaan. Ik ben dankbaar dat ik het heb overleefd, want veel mensen hebben dat niet. Ik heb geleerd hoe belangrijk vrijheid is. Daarom vind ik het belangrijk om mijn verhaal te blijven vertellen, zodat kinderen begrijpen wat oorlog met mensen doet.’

Erfgoeddrager: Emma

‘Wat ik leuk vind aan Nederland, is dat je hier iedereen kunt tegenkomen’

Rick, Lea, Emma en Yaro ontmoeten Loubna in hun basisschool Strijp Dorp in Eindhoven. Ze hebben allerlei vragen voorbereid voor haar. De 48-jarige Loubna kwam als baby van 2 weken oud van Marokko naar Nederland, om hier bij haar Marokkaanse adoptieouders- en zus te gaan wonen. Ze heeft nog contact met haar biologische familie in Marokko, maar voelt dat hun werelden veel van elkaar verschillen. Nederland is voor haar vertrouwder, hier is ze opgegroeid. Het raakt haar dat ze soms nog wel wordt gezien als iemand die ‘niet van hier is’.

Kunt u ons misschien iets vertellen over uw leven van nu?
Ik ben een alleenstaande moeder van zes kinderen. Ik vind het leuk om te lezen, te wandelen, koffie te drinken en gezellig te kletsen. Ik heb geen huisdieren, want thuis is het al best wel druk met alle kinderen die er rondlopen.

Hoe was de reis van Marokko naar Nederland?
‘Dit is wat ik ervan heb gehoord, want ik ben als baby hiernaartoe gekomen. Twee weken na mijn geboorte vertrokken mijn adoptieouders naar Nederland. We gingen met de auto, zonder autostoeltje. Ze hadden een rietenmandje waar ik in lag. De reis duurde wel drie of vier dagen.

Mijn vader ging naar Nederland om werk te zoeken. Het idee was toen dat je in Nederland veel beter kon verdienen en dus een veel betere toekomst zou hebben. En ergens denk ik ook wel voor het avontuur.’

Heeft u uw echte ouders nog een keer ontmoet?
‘Ja, ik zag ze elk jaar als we op vakantie gingen naar Marokko, en ook mijn echte broers en zussen. Ik wist alleen niet dat het mijn echte broers en zussen waren. Ik heb er zes. Wat ik wel heb opgemerkt, is dat we op elkaar lijken. Ik weet dat een broer de politiek graag volgt, en dat doe ik ook. Diezelfde broer houdt van theater, net als ik. En mijn broers en zussen zijn allemaal erg muzikaal, en dat ben ik ook. Ze spelen een instrument, zingen, of dansen graag, en daar houd ik ook van.’

We hebben gelezen dat Tonny heel belangrijk was voor uw gezin. Wie was zij?
Tonny was een vrijwilliger, een vrouw van dezelfde leeftijd als mijn moeder, die mijn moeder de Nederlandse taal wilde leren. Ze kwam bij ons thuis om koffie te drinken en te kletsen. Tony werd een hele goede vriendin van ons. Ik heb zelf heel erg veel van haar geleerd. Ze was ook vrijwilliger bij het kasteel van Helmond en nam mij dan mee daar naartoe. Met kerst zette ze altijd de kerstboom op en mocht ik helpen. Mijn favoriete kerstbal was de piek.’

Waarom ging u naar een katholieke school?
‘Dat was eigenlijk heel toevallig. Toen ik 3 jaar oud was, zag ik alle kinderen naar school lopen, en ik ben gewoon meegelopen. Ze hebben de school gebeld waar mijn zus op zat en toen kwamen mijn ouders mij halen. Daarna hebben ze mij ingeschreven op de katholieke school.

Ik had een hele leuke klas, soms heb ik daar wel nog eens heimwee naar. Op de basisschool voetbalde ik veel, ik speelde vaak met de jongens. Er was één ander meisje dat ook voetbalde, Camilla. Wij werden altijd als laatste gekozen.’

Heeft u snel Nederlands leren praten?
‘Ja, ik sprak het best wel snel. Ik heb ook op de peuterspeelzaal gezeten, dus ik denk dat ik met 2 jaar al beide talen sprak. Thuis spraken we Marokkaans, omdat mijn moeder niet zo goed Nederlands sprak, en buiten spraken we Nederlands.’

Wat kunt u niet missen uit de Marokkaanse cultuur en de Nederlandse cultuur?
‘Uit de Marokkaanse cultuur kan ik koriander niet missen, dat wordt in de Marokkaanse keuken altijd gebruikt. Uit de Nederlandse cultuur vind ik gewoon gekookte aardappelen, groente en vlees erg lekker, maar dan met mayonaise. Dat kan ik echt niet missen. Wat ik mis van het fruit uit Marokko zijn de gele meloenen, heerlijk stevig en zo zoet. Mijn favoriete fruit in Nederland is een lekkere appel.

Wat ik ook leuk vind aan Nederland, is dat je iedereen kunt tegenkomen. Mensen uit India, Marokko, China. Ik was bijvoorbeeld met een Algerijnse man getrouwd. Als ik in Marokko was opgegroeid, was ik waarschijnlijk met een Marokkaan getrouwd.’

Voelt u zich thuis in Nederland?
‘Ik voel mij meer thuis in Nederland dan in Marokko. Ik snap Nederland beter. Maar af en toe zeggen mensen dingen waardoor je je niet altijd helemaal thuis voelt. Ik ging een keer naar de bakker en zei dat het een beetje fris was. Toen zei die mevrouw: ‘Ja, maar waar jij vandaan komt is het warmer’. Terwijl ik uit Helmond kom. Door dat soort opmerkingen zegt iemand in feite: ‘jij bent niet van hier’, terwijl ik mij hier prima thuis voel.’

Erfgoeddrager: Emma

‘Met de kinderen uit het dorp keken we lachfilms bij dokter Ruinen’

Op 31 maart 2025 gaan Emma, Silke en Aafke uit groep 8 van CBS De Winde in Hurdegaryp naar meneer Rients van der Ploeg om hem te interviewen. Meneer Van der Ploeg is geboren in 1935 en was 5 jaar toen de oorlog begon. Hij woonde met zijn ouders en zijn twee broers en zusje in het gehucht Tibma, nabij de plaats Ee, vlakbij Dokkum.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Ik was vijf jaar oud toen de oorlog begon. Ik weet het nog als de dag van gisteren. Het was 10 mei 1940. Mijn vader liet de koeien uit, naar buiten toe. Die hadden de hele winter op stal gestaan, dus ze waren helemaal blij. Ik stond op het erf met mijn vader en boven in de lucht kwamen er honderden vliegtuigen over. Ik weet nog goed dat ik zo verwonderd naar al die vliegtuigen keek, die boven ons vlogen, vanaf Duitsland. Ik lette niet meer op en er kwam een koe uit de stal en die liep mij ondersteboven. Ik viel in een hele vieze sloot, de zogenaamde giersloot.’
‘En ik kan me nog herinneren hoe bang mijn vader en moeder waren, hoe bezorgd. Dat voel je als kind. Plotseling was alles anders. Vlakbij Tibma was een havenplaatsje, Oostmahorn. Daar was vroeger de Lauwerszee. De Duitsers kwamen vlak bij onze boerderij langs. Ze wilden zo snel mogelijk naar Oostmahorn, om het eiland Schiermonnikoog te bezetten. We zagen allemaal Duitsers in de straat en wisten dat het oorlog was.’

Heeft u ook spannende dingen meegemaakt in de oorlog?
‘Ja, wij hebben wel spannende momenten meegemaakt, want zo nu en dan kwamen de Duitsers zomaar met grote vrachtauto’s in het dorp en dan werd er een razzia gehouden. Ik weet nog dat er een razzia was en dat er allemaal vaders werden opgehaald. Wij waren toen op school en het onderste deel van het raam was wit geverfd. Wij wisten hoe laat de vrachtwagen met opgepakte mensen langs zou komen, want er was ook een vader bij van twee jongetjes bij mij in de klas. We gingen toen allemaal op de schoolbanken staan, zodat we toch door het raam konden kijken en zo zwaaiden we naar de mensen op de vrachtwagen.’

‘Ook ben ik in de oorlog erg ziek geweest. Toen ik 8 was, het was in 1944, kreeg ik kinkhoest en had ik zweren in mijn gezicht. We hadden een lieve dokter bij ons in Ee. Dat was echt een kindervriend. Hij heette Jarl Ruinen. Dokter Ruinen kwam elke dag langs. ‘s Morgens, als ik wakker werd, kon ik helemaal niks zien. Mijn ogen zaten dicht en waren ontstoken en ik had hele hoge koorts. Dan werden mijn ogen gewassen en dan ging hij mij helemaal onderzoeken en dan kwam hij de volgende dag weer. Dokter Ruinen wist dat niemand in het dorps iets had. Geen televisie, geen radio, geen elektrisch licht. Hij nodigde alle kinderen uit het dorp uit om eind november in zijn autogarage film te komen kijken. Dan werd de hele garage van de dokter ingericht met kaasplanken uit de zuivelfabriek en keken we lachfilms, van Laurel en Hardy, de dikke en de dunne. Daar kon je dan verschrikkelijk om lachen. De dokter zat naast het filmdoek naar ons te kijken en had dan zelf ook veel plezier. In februari organiseerde hij weer zo’n filmmiddag. Zijn vrouw was ook heel lief. Ik weet nog dat zij met een trommel met koekjes klaar stond en daar mochten we allemaal één uitpakken. Dat was wel wat, want er waren geen snoepjes en koekjes in de oorlog.’

Kende u ook iemand die bij het verzet zat?
‘Ja, deze zelfde dokter Ruinen hielp veel Joodse mensen om onder te duiken. Hij is ook wel eens aangehouden door de Duitsers. Toen lag er een vrouw achter in zijn auto met een zogenaamd dikke buik. En die deed net of zou ze een kindje krijgen, ze speelde toneel en deed alsof ze weeën had. De dokter zei: ‘We zijn onderweg naar het ziekenhuis in Groningen.’ En toen mochten ze door van de Duitsers. Maar op een gegeven moment werd de dokter verraden. De Duitsers kwamen bij hem in zijn dokterswoning en haalden hem op. Hij werd eerst in Dokkum gevangengezet. En later in Leeuwarden in de grote gevangenis die nu niet meer bestaat.’
‘Op een avond, het was 22 januari 1945, liep ik van het huis van mijn vriend Piet naar mijn eigen huis. Op de kruising in het dorp zag ik twee vrouwen huilen. Ik vroeg hen, beiden heetten ze Janke Visser, waarom ze zo huilden. Ze vertelden dat dokter Ruinen die middag was gefusilleerd aan de Woudweg in Dokkum, samen met negentien andere verzetsstrijders. Ik moest het vreselijke nieuws thuis vertellen en ik heb de hele weg, twee kilometer uit het dorp naar de boerderij, gehuild. Er was toen zo veel verdriet in het dorp, iedereen was verslagen. Dan is plotseling die dokter, die hele goede kindervriend waar je heel veel van houdt, die is weg. Dat heb ik nooit meer vergeten, dat is het grootste verdriet wat ik me nog kan herinneren.’

 

Erfgoeddrager: Emma

‘We hadden wel negen onderduikers in huis’

Op een zonovergoten dag fietsen Evy, Emma, Rasmus en Foss naar het huisje van Gerrit Sijpheer in Bergen. Hij verwelkomt ze warm en hij heeft allerlei lekkere dingen klaargezet voor de leerlingen van de Roland Holstschool. Daar hebben ze zin in!

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren vlakbij de Eerste Bergensche Boekhandel aan de Oude Prinsweg en verhuisde later in de oorlog naar de Notweg. Mijn vader was hoofd luchtbeschermingsdienst. Hij moest de toren van de Ruineker beklimmen en bovenop de klokkentoren kijken of er vijandige vliegtuigen aankwamen.

Ook werkte hij bij het gemeentelijk elektrabedrijf, dat ervoor zorgde dat heel Bergen stroom had. Daarom mocht hij ook in Bergen blijven toen de andere bewoners werden geëvacueerd. Veel Bergenaren moesten vertrekken omdat de Duitsers hun huizen nodig hadden voor de soldaten die bouwden aan de Atlantikwall en het vliegveld.’

Wat deden uw ouders verder in de oorlog?
‘In onze kelder werd De Waarheid, een verzetskrant, gedrukt. Dat deden ze met een stencilmachine, een soort kopieermachine waarbij je de vellen door de machine draaide. Hier waren veel mensen bij betrokken; mensen die artikelen aanleverden, ze stencilden en die de krantjes stiekem verspreidden. Ook onderduikers hielpen mee met het drukken van de krant. Het krantje was van belang voor anderen zodat ze wisten wat er gaande was en hoe de oorlog verliep.

Van alles wat verkeerd ging, kregen Joden de schuld van. Ze mochten niets meer en moesten een Jodenster dragen. Ze werden opgejaagd en opgepakt. Daarom vluchtten velen of doken onder. Mijn vader en moeder vonden dit zo erg dat ze gingen helpen. We hadden daarom wel negen onderduikers in huis. Het was best wel druk in huis: Bob, Anita , David, Kitty en Hannie.

Hannie was ons eerste meisje dat zogenaamd kwam logeren en bij ons onderdook. Zij zorgde altijd voor mij, dat was voor haar afleiding. Ze kon niet naar school maar ze kon wel buiten spelen. Mijn moeder had een kunstje bedacht om haar er niet Joods uit te laten zien. Ze waste haar haren met waterstofperoxide en dan kreeg ze knaloranje haar en kon ze naar buiten.’

Wilt u nog iets vertellen?
‘Op dit moment zijn er ook veel mensen op de vlucht voor oorlogen en er zijn veel mensen die hulp nodig hebben. Dat is de moeilijkheid waarin je komt te verkeren. Wat doe jij als er iemand aan de deur komt die hulp nodig heeft: help je hem of haar?

Weet je, als je zoals vroeger vaak hoort en leest in de kranten dat Joodse mensen niet deugen en verkeerd zijn, gaan mensen dat geloven. Dat was destijds de reden dat veel mensen niet wilden helpen. Het is heel belangrijk om onderscheid te maken tussen wat anderen vinden en zeggen en dat wat jij zelf vindt en denkt. Het is heel belangrijk om altijd goed na te blijven denken en je eigen hart te volgen.’

Mijn vader zei altijd: er is maar één land dat is de wereld en er is maar één volk en dat zijn mensen.’

Erfgoeddrager: Emma

‘Wij hadden geluk dat we nog een klein volkstuintje hadden’

Op basisschool Rapenland in Eindhoven zitten Thijs, Ayoub, Emma en Kubra al enthousiast klaar met hun vragenlijst. Wanneer Piet Blotwijk binnenkomt, heeft hij een tas bij zich met bijzondere voorwerpen uit de oorlog, waaronder een knijpkat. Meneer Blotwijk was 5 jaar oud toen de oorlog uitbrak. Hij woonde in Katwijk aan Zee, aan de Zeeweg 60, die rechtstreeks naar zee liep.

Hoe merkte u dat de oorlog was begonnen?
‘In die periode waren ze ons huis aan het verbouwden. Op het dak waren mensen aan het werk en die zagen ineens dat er veel Duitse vliegtuigen overkwamen. Wij woonden in de buurt een vliegveld. Om dit vliegveld in te kunnen nemen, begonnen de Duitsers het te bombarderen. En zo kwamen wij erachter dat de oorlog was begonnen.’

Hadden jullie een radio?
‘Wij mochten van de Duitsers geen radio hebben, maar we hadden er wel een foefje op.’ Meneer Blotwijk pakt een oude hoofdtelefoon uit zijn tas die de piloten vroeger droegen. ‘Wij konden met behulp van een soort kristal en een lange ijzeren draad de radiogolven opvangen via de hoofdtelefoon. Zo kregen we ontvangst met de zender van de BBC en hoorden we over het verloop van de oorlog. We moesten natuurlijk wel oppassen dat de Duitsers dit niet ontdekten.’

Wat was het moeilijkste voor u aan de oorlog?
‘Het was heel moeilijk om aan eten te komen. We kregen via de gemeente wel voedselbonnen waarmee we wat vlees en groenten konden kopen. Wij hadden geluk dat we nog een klein volkstuintje hadden. Daar verbouwden we prinsessenbonen, jullie noemen ze geloof ik sperziebonen, en spinazie. Verder hadden we af en toe graan. Dat moesten we dan zelf vermalen met een koffiemolen.’

Erfgoeddrager: Emma

‘Op de boot naar Friesland moest ik wel huilen hoor’

Het is maar 10 minuten lopen van basisschool Rapenland in Eindhoven naar de plek waar de 87-jarige Hannie Hoogendoorn woont. Onderweg nemen Emma, Adam en Aaragya nog een keer goed de vragen door en ook alles wat ze al weten over deze hartelijke vrouw die zij zo zullen ontmoeten. Tijdens de Hongerwinter werd mevrouw Hoogendoorn, die destijds in Amsterdam woonde, samen met haar zusje tijdelijk opgevangen in Friesland.

Waar haalde u voedsel vandaan in de oorlog?
‘Nou, er was bijna niets meer. De inwoners van Amsterdam gingen daarom op de fiets bij de boeren langs die rondom de stad woonden. Ze vroegen of ze eten konden krijgen van het land, maar die boeren gaven dit natuurlijk niet voor niets, ze wilden daar bijvoorbeeld lakens of handdoeken voor terug. In die tijd was er gewoon niets meer te koop.

De bomen in de straten bij ons werden gewoon omgezaagd om vuurtjes mee te stoken, zo’n armoede was er. Er was geen gas meer, dus mensen kochten kacheltjes en gingen op zoek naar hout. In Amsterdam was wel een grote gaarkeuken waar je in de rij kon gaan staan voor een hapje eten. Dan kreeg je een pannetje eten mee. Het was niet lekker hoor, soms iets van soep met bijna niets erin, misschien een beetje kool. Daarom had mijn moeder niet meer genoeg eten voor al haar kinderen en zijn mijn zusje en ik weggegaan.’

Hoe was het om naar Friesland te gaan?
‘Ik had helemaal geen keus, ik was nog heel klein en het moest gewoon. Maar ik vond het wel heel erg dat ik wegging en mijn vader en moeder niet meer zag. Ik was ook nog nooit op vakantie geweest, dat bestond toen nog niet. Dus voor het eerst in mijn leven was ik zonder mijn ouders. Op de boot naar Friesland moest ik wel huilen hoor. Wij mochten ook helemaal niet op het dek of ergens kijken, we lagen op wat stro en afgedekt want tijdens de tocht over het IJsselmeer vlogen de bommen om ons heen.

Toen we in Leeuwarden arriveerden, kwamen de mensen gewoon een kind uitzoeken. Mijn zusje en ik hadden een briefje bij ons van onze vader dat we wel bij elkaar moesten blijven. De mensen waar we uiteindelijk terechtkwamen, waren heel vriendelijk. En omdat we ook bij elkaar konden blijven, viel de heimwee wel mee.’

Wat zijn razzia’s?
Mensen van Joodse afkomst werden allemaal opgepakt, dat gebeurde in heel Europa; dat noemden ze razzia’s. Deze mensen werden in treinen gestopt naar kampen in Duitsland. Daar kregen ze heel weinig of niets te eten en moesten ze heel hard werken. Veel mensen zijn daar ook doodgegaan, dat was echt een hele nare toestand.

Mijn vader was bij de politie en moest de Duitsers helpen, maar dat wilde hij niet. Hij heeft zich een hele poos ziekgemeld, want hij kon het niet aan, het waren ook gewoon Nederlanders. Voor die Joodse mensen is de oorlog dan ook het allerergste geweest en daarom wordt het ook nog steeds elk jaar herdacht. Dat is oorlog en ik hoop het nooit meer mee te maken.’

Hoe vierde u feest toen u weer terugkwam?
‘Dat is een goede vraag! Want dat wás me een feest, overal in Nederland. De vlaggen hingen uit en wij kinderen mochten weer buiten spelen. Dat hadden we helemaal niet meer gedaan in de oorlog. Er waren feesten en spelletjes op straat, en van alles en nog wat. Iedereen kwam weer naar buiten, danste en was weer vrolijk. Ja, dat was een heel feest toen de oorlog weer achter de rug was.’

Erfgoeddrager: Emma

‘Het was veilig, er waren geen dieven’

Lola, Emma, Jay en Natalie uit groep 8 van de Admiraal de Ruyterschool in Amsterdam-West interviewen mevrouw Martha Sabajo.  Mevrouw Sabajo is naar de school gekomen en heeft spulletjes om te laten zien: een mini-hangmat, trommel, een kalebas, een zeef, wat foto’s en sieraden. Deze spullen komen allemaal uit Suriname. Mevrouw Sabajo hoort bij de stam van de Arowakken, één van groepen mensen die al in Suriname woonden, voordat de Nederlanders er kwamen.

Kunt u iets vertellen over uw volk?
‘Ik heet Martha Sabajo, in de Arowakse taal betekent Sabajo ‘moeder van de steen’. Ik woonde in een klein dorp in het bos van Suriname, mijn ouders hadden twaalf kinderen, ik was de op-een-na jongste. We hadden altijd eten, omdat mijn vader jaagde en viste. Het bos was onze slagerij. De rivier was onze viswinkel. We aten ook veel soep gemaakt van cassave-wortel. De cassave werd geraspt en dan gezeefd, dan werd het vocht eruit geperst, want dat was heel giftig! Als je dat vocht kookt, dan wordt het oranje-bruinachtig, dan gaat het gif weg en kun je het drinken. We deden er dan vlees of vis bij om er soep van te maken. Soms stond er wel eens een bakje van het vocht wat nog niet was gekookt op de grond. De jonge honden waren nieuwsgierig en gingen ervan drinken, maar dan waren ze meteen dood. Daarom zei mijn moeder altijd dat we de honden weg moesten jagen, maar soms hadden we niet goed opgelet en dan was er toch een hondje dood.’

Was er een school in uw dorp?
‘Mijn opa was geneesheer, volgens de cultuur van de Arowakken. Maar er waren paters van de katholieke kerk naar het dorp gekomen. Zij kwamen uit Nederland en gingen ons over de bijbel leren en ze doopten ons, zodat we katholiek werden. Mijn opa mocht toen niet meer, volgens zijn eigen cultuur, de dingen doen die hij altijd deed. Dat heeft hem heel erg gekwetst en niet veel later is hij ziek geworden en overleden.’
‘De paters hadden ook een school opgezet in ons dorp. Dat was één lokaal, waar alle kinderen van klein tot groot, in zaten. Er waren twee meesters; een voor de kleintjes en een voor de groteren. De meesters waren heel streng, we kregen vaak een pak slaag. Mijn grote broers werden heel vaak geslagen. Dat vond ik heel erg om te zien.’

Waren uw ouders arm?
‘Mijn ouders hadden bijna geen geld, maar we hadden altijd goede kleren, daar zorgden ze voor. Mijn moeder had een naaimachine gekocht, die je zo draait, en daar samen zaten mijn vader en moeder samen achter. Mijn vader zat achter de machine en mijn moeder hield de stof vast om te zomen. Dat vond ik heel schattig, dat ze dat samen deden. We maakten ook zelf onze hangmatten, die weven we met de hand. Als kind heb ik ook mijn eigen hangmat gemaakt, daar sliepen we in. Dat sliep echt lekker. Voor iedere leeftijd was er een hangmat. Als je klein was sliep je in een kleine hangmat en als je groter werd, kreeg je een grotere hangmat. De hangmat kon je buiten of binnen hangen. De huizen in ons dorp hadden geen deuren, iedereen kon naar binnen lopen. Het was veilig, er waren geen dieven. Voor mijn huwelijk heeft mijn moeder mij een tweepersoonshangmat gegeven, maar ik slaap hier in Nederland nu in een bed. In de zomer zullen we de hangmat in de tuin hangen.’

Waarom bent u naar Paramaribo verhuisd?
‘Toen ik 7 was, hebben mijn ouders me naar de stad gestuurd om naar school te gaan. Om naar de stad te gaan, moest je heel lang met de boot reizen. Er waren geen wegen of niks, dat vond ik als kind zijnde erg spannend. Dan moest je ‘s morgens om vier uur opstaan en dan moest je via de bossen naar de rivier lopen, waar de boot lag. Omdat mijn ouders erbij waren, was ik niet bang, want we moesten best ver door het bos lopen. Met de boot moest je een hele dag reizen om in de stad te komen, het waren veel avonturen. In de stad had je televisie en kamers met muren en deuren en telefoon. Al heel snel vond ik dat normaal. Eigenlijk vind ik dat vreemd van mezelf, dat ik dat gewoon vond. Ik was gewend om buiten te spelen, maar dat miste ik dus niet. Ik ging op het balkon zitten, zo kon ik naar buiten kijken en daar paste ik me makkelijk aan.’

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘Mijn ouders zijn ook verhuisd, naar een groter dorp dichter bij de stad, vlakbij het vliegveld. Toen ik 9 was, kwam ik daar ook wonen. Mijn vader kon daar niet meer goed jagen, omdat er weinig dieren waren, die waren allemaal weggevlucht voor de vliegtuigen. En mensen spraken daar niet meer de Arowakse taal. Iedereen sprak Sranantongo, dat is Surinaams. Ik kon wel Nederlands, want dat had ik op school geleerd. Dat was een verplichte taal in Suriname, maar we spraken toch het liefst onze eigen taal. We hebben daar wel armoede gekend, dan hadden we soms ook honger, dat was zwaar. In dat dorp heb ik een hele lieve man ontmoet, hij kwam uit Nederland en was daar op vakantie. Ik kwam hem tegen en het was liefde. Dus binnen een paar maanden was ik hier in Nederland. Toen was ik 17 jaar, dat ging heel snel. Ja, als je iemand tegenkomt, die bij je past en je voelt je er goed bij, dan is het oké.’

Wat deed u toen u in Nederland kwam?
‘In Nederland ben ik meteen gaan studeren, want in Suriname kon ik dat niet, omdat mijn ouders daar geen geld voor hadden. Dat vond ik heel erg, want leren is mijn hobby. In Nederland zag ik de bibliotheek en ik vind dat zo’n rijkdom! Je kunt zoveel kiezen! Ik ben in de ouderenzorg gaan werken, want ik heb altijd van oude mensen gehouden. Als kind ging ik vaak op bezoek bij oude mensen. Mijn moeder vroeg wat ik daar deed, maar ik vond het gezellig. Die ouderen gingen dan verhalen vertellen over vroeger. Daar zat ik dan als kind te luisteren en zij vonden het hartstikke leuk. Dus mijn moeder was me altijd kwijt, omdat ik altijd weg was. En toen gaf ze me een bijnaam, ze zei: ‘Waar is dat wilde varken?’ Ik was heel ondeugend.’
Omdat ik het hier in Nederland zo goed had, heb ik mijn zusje en twee broers hier naartoe gehaald. En mijn moeder is ook een paar keer geweest. Ik wilde heel graag dat mijn moeder zag hoe ik het hier in Nederland had. Ik voel me hier niet alleen, ik heb twee dochters en vijf kleinkinderen. Mijn oudste dochter is 50 en we geven samen workshops. Dan maken we kettingen en armbanden met kralen, volgens onze Arowakse cultuur. Er komen allemaal vrouwen. We gaan schouderdoeken maken om te dragen op 1 juli, de viering van de afschaffing van de slavernij. Volgend jaar beginnen we met hangmatten weven.’

Erfgoeddrager: Emma

‘We moesten naar de Ortskommandant, die ons streng toesprak’

Jaap Staadegaard woont in een klein, pittoresk straatje in Bergen in een heel leuk huis. Nova, Emma, Syb en Fin worden binnengelaten door zijn zoon en schoondochter en hartelijk verwelkomd door iedereen. Meneer Staadegaard heeft zich al geïnstalleerd tegenover een loungebank waar de leerlingen van de Kennemerpoort in Alkmaar kunnen gaan zitten. Er staat allemaal lekkers klaar. Meneer Staadegaard vertelt graag en laat zijn levensverhaal zien dat hij heeft opgeschreven.

Hoe begon de oorlog?
‘Ik woonde net buiten het dorp Bergen aan de Kogendijk, daar waar toen de tram reed tussen Bergen en Alkmaar. Ik woonde er samen met mijn ouders en zeven broers en zussen. Op 10 mei 1940 werd het vliegveld van Bergen gebombardeerd door de Duitse soldaten. Een vriend van mijn vader die daar gestationeerd was, is toen overleden. Uit ons huis vandaan konden wij alles zien wat er gebeurde. Dat was heel eng.’

Wat aten jullie in de oorlog?
‘Aardappelen, groenten, af en toe vlees en mijn moeder bakte het brood zelf. Maar in 1943 was er geen eten meer. De boeren moesten graan kweken en dat inleveren bij de Duitse soldaten. Wij hadden honger en wilden ook graan. Ik ben toen met mijn broers en zussen naar aren zoeken. Van al dat lopen door de velden kregen we hele pijnlijke enkels. Ons graan ging mijn vader dorsen om er korrels van te maken. Die werden dan gemalen in een koffiemolen, zodat we meel hadden om platbrood mee te bakken.

We hadden een kachel in de kamer staan met een plaatje erop. Als de kachel brandde, legden we daar het deeg op en dan bakten we ‘platters’. En we maakten stroop van suikerbieten, dat was heerlijk zoet. Maar het was moeilijk om aan kolen te komen en hout om je huis te verwarmen en te koken. Sommige mensen stookten hun eigen vloer op. Bij ons voor het huis reed de tram Bello langs. Zij hadden kolen en wij hadden emmertjes melk. Als de tram bij ons langsreed, ging hij heel langzaam rijden en dan gooiden zij kolen naar buiten en gaven wij een emmertje melk.

Mensen uit de grote steden hadden echt niks te eten meer. Eerst kreeg iedereen voedselbonnen waarmee je eten kon kopen, maar toen dat allemaal op was moest iedereen voor zichzelf zorgen. Heel veel mensen uit de grote steden kwamen lopend naar de dorpjes hier om aardappelen en graan te vragen. De boeren wilden daar geld voor hebben maar omdat er geen geld niet meer was gingen mensen spullen ruilen voor eten.’

Kende u NSB’ers?
‘Op een dag hadden vrienden en ik folders gezocht die door Engelsen uit de vliegtuigen werden gegooid met informatie over de oorlog. We deelden ze uit in de klas op school. In onze klas zat Frits, wiens vader NSB’er was. Frits nam ook folders mee naar huis. Toen hij thuis kwam vroeg zijn vader van wie hij de folders had gekregen, Van Jaap en zijn vrienden, antwoordde Frits. Nou toen kwamen de Duitse soldaten bij ons in de klas om ons op te halen en moesten we naar de Ortskommandant. Die sprak ons streng toe. We werden erg bang, wat zou er met ons gebeuren? Maar wij waren kinderen dus wij moesten als straf konijnenstammen zoeken voor zijn konijnen. Dat heb ik vier dagen gedaan. Mijn moeder was zo bang dat de soldaten ons huis zouden doorzoeken, dat ze alle folders heeft verbrand.’

Heeft u wel eens een vliegtuig zien neerstorten?
‘Ik herinner me dat ik eens ‘s morgens wakker werd door een hevige klap: een vliegtuig was naast ons huis neergestort. De piloten die de klap overleefd hadden, stonden bij ons voor de deur. Maar mijn moeder durfde ze niet binnen te laten uit angst dat mijn broers zouden worden opgepakt. Van de zeven piloten zijn er vier overleden.’

Wat is uw heftigste verhaal uit de oorlog?
‘In de duinen lagen in die tijd allemaal mijnen. In mijn klas waren vrienden die toch vaak in de duinen gingen spelen. Op een dag toen ze daar aan het spelen waren is een mijn ontploft. Twee broers zijn overleden, een overleefde het, heel verdrietig.

Ik had ook twee buurjongens die bij het verzet zaten. Op een dag waren wij in de sneeuw aan het spelen toen mijn buurjongens kwamen aanrijden op de motorfiets. Wij wilden sneeuwballen naar ze gooien, maar ze riepen: ‘Niet doen, de moffen zitten achter ons aan!’ Vijf minuten later kwamen er Duitse soldaten voorbijrijden met een auto. Iets verderop hebben zij mijn buurjongens opgepakt omdat zij wapens vervoerden. Jan Martin is toen gefusilleerd en de ander is gevangengezet.’