Erfgoeddrager: Emin

‘Uitstapjes maakten we onder begeleiding van gewapende militairen, want het was vaak onveilig’

Jeanette van der Stelt is bijna 83 jaar en is in 1943 geboren in Zwolle. Amanah, Esma, Maryam, Emin uit groep 8 van Elif Noord ontmoeten haar op school. Jeanette groeit op met een oudere broer en zus en een jonger broertje. Haar vader had tropische landbouwkunde gestudeerd en wilde in warme landen planten verbouwen en mensen helpen om hun gewassen beter te beschermen tegen ziektes. Daarom verhuisden ze naar Indonesië.

Wanneer vertrok u uit Nederland?
‘In het voorjaar van 1949 vertrokken we. Ik was toen 5 1/2 jaar oud.Mijn vader was al eerder naar Indië gegaan en wij reisden hem later achterna. Voor ons kinderen was het één groot avontuur. We gingen met een schip. We zaten in de kinderkamer aan boord, terwijl mijn moeder zich vrij kon bewegen op het schip. Er werd van alles georganiseerd: zwemmen, tennissen, spelletjes. Mijn oudere broer en zus mochten al bij de grote mensen in de eetzaal eten. Onderweg mochten we soms van boord om rond te kijken. We zagen kamelen en mensen in lange gewaden met een rood hoofddeksel met een kwastje eraan. De reis duurde bijna vier weken. Eigenlijk was het gewoon vier weken vakantie op zee.’

Hoe was het leven in Malang na aankomst?
‘De eerste keer woonden we in Malang. Mijn vader had daar een groot huis gevonden. Tussen twee en vier hielden mijn ouders siësta. Wij reden dan met de fiets rondjes in huis. Op zondag kwamen er vaak veel mensen langs. We maakten vaak uitstapjes naar de bergen, of naar watervallen en meertjes. Maar dat kon alleen onder begeleiding van gewapende militairen, want het was vaak onveilig.

 Wat herinnert u zich van de oorlog?
‘Na de Tweede Wereldoorlog volgde de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië. Het was gevaarlijk. Er werd geschoten. We mochten het erf niet af, omdat we vlakbij een kampong woonden. Ik schrik nog steeds van harde knallen met oud en nieuw. Toch heb ik het land nooit als negatief ervaren. De mensen zelf waren vriendelijk. Politiek is iets van machthebbers, niet van gewone mensen.

Uw familie ging een tweede keer naar Indonesië?
Toen het contract van mijn vader na vier jaar afliep moesten we in 1952 terug naar Nederland. Mijn vader hield  zoveel van het land en wilde graag weer terug om een bijdrage te leveren aan een zelfstandige toekomst voor Indonesië. Twee jaar later kreeg hij opnieuw een contract en gingen we weer, dit keer naar West-Java, naar Bandung.

 Wat gebeurde er tijdens de tweede bootreis?
‘De tweede keer was ik bijna twaalf. Tot je twaalfde moest je bij de kleine kinderen zitten. Ik werd twaalf aan boord en had daar geen zin meer in. Samen met mijn broertje ontsnapte ik. We vonden een grote gemeenschappelijke badkamer, lieten een enorm bad vol zeewater lopen en gingen daar ruim een uur in zitten. Mijn moeder was intussen in paniek omdat ze dacht dat we overboord waren gevallen. Gelukkig liep het goed af en werden ze niet boos.’

Hadden jullie ook huisdieren?
‘We hadden een hond en ook een Java-aap. Het aapje was vier dagen oud toen hij uit een boom viel. Wij kregen hem en voedden hem met een pipetje groot. Hij zat met een ketting aan een paal, maar had veel ruimte. Als mijn ouders sliepen, lieten wij hem los. Hij klom in de fruitbomen en kwam terug met volle wangen. Hij liep met mij mee door de kampong, zat op mijn schouder en had een lange staart. Voor de mensen daar betekende een lange staart dat het een wilde aap was. Het was een prachtige jeugd.’

Erfgoeddrager: Emin

‘Ik was als de dood dat ze in de piano zouden kijken’

Emin, Jamy Lee en Lara van de Twiskeschool in Noord gaan helemaal naar Purmerend om Jo Oostervink te interviewen. Mevrouw Oostervink kan niet zo goed meer lopen. Ze woont in een mooie flat, samen met haar man Wim die is al 90 is en haar verzorgt. In de auto nemen de kinderen nog een keer de vragen door. Jamy Lee heeft klamme handen van de zenuwen. De smarties die ze krijgt aangeboden als we binnen zijn, smelten in haar hand. Maar de zenuwen zijn snel verdwenen want Jo Oostervink en haar man zijn superaardig.

Hoe merkte u dat de oorlog begonnen was?
‘Ik was op bezoek bij mijn tante die net een baby’tje had gekregen, toen we hoorden dat het oorlog was. Iedereen begon te huilen. Ik dacht: wat is er nou aan de hand, wat is dit nou? Wat is oorlog eigenlijk? Ik had daar nog nooit van gehoord. Toen zeiden de volwassenen dat je dan in de rij moest staan voor eten en schuilen voor luchtalarm… Ik wist helemaal niet wat dat allemaal was, maar ik dacht: het komt wel goed.’

Wat at u in de oorlog?
‘Ik was de oudste en moest vaak de boer op. Dan ging ik langs bij boerderijen met wat schillen om die te ruilen tegen melk voor mijn 1-jarige zusje. Mijn vader had geregeld dat ik bij een boer kon werken in De Rijp. Daar moest ik dan de hele week werken voor een fles melk en een klontje boter. Ik moest de mevrouw helpen in de huishouding en ze leerden me broodbakken en kaasmaken. Maar ik vond het er vreselijk. Ik kende niemand, sliep in een bedstee en mocht alleen in het weekend naar huis. Ik heb daar vaak op de wc zitten huilen… zo erg miste ik mijn vader en mijn moeder. Maar ik verdiende er wat eten mee. Wij hebben nooit echt honger gehad.’

Waren er mensen uit uw familie die bij het verzet zaten?
‘Mijn vader zat in het verzet, maar dat mocht ik niet weten natuurlijk. We hadden een neef bij ons in huis die was ondergedoken omdat ‘ie anders moest werken voor de Duitsers. Die neef verklapte wel eens wat. Zo kwam ik erachter dat mijn vader eigenlijk hele enge dingen deed. Hij pleegde sabotage en verstopte wapens bij ons in de piano. Op een keer kwamen de moffen ons huis doorzoeken. Ik was als de dood dat ze in de piano zouden kijken. Maar mijn moeder ging met mijn kleine zusje op de arm voor de piano staan, waarop die Duitser zei dat hij zelf ook een klein dochtertje in Duitsland had die hij zo miste. Toen wist ik dat het een goede mof was. Alles werd in de oorlog van lieverlee steeds erger. Op een gegeven moment hadden we geen elektriciteit en gas meer dus we konden geen licht aansteken en niet meer koken. Toen werden alle bomen gesloopt om een vuurtje te maken. Alle tuinhekken verdwenen, alles werd opgestookt, soms haalden ze de deuren uit het huis want ja je moet vuur hebben om eten te koken. Mijn moeder maakte mij op een nacht wakker om me te laten zien dat buurtbewoners op het Polluxplein bezig waren de boom voor onze deur om te hakken. Ik heb samen met mijn moeder staan huilen. Het was onze lievelingsboom. Het was zo’n mooie boom, die groeide met alle seizoenen mee, en toen werd ie omgezaagd.’