Dion, Vince, Tijn en Tijs gaan op bezoek bij Jan de Wijze. Het is maar 5 minuten lopen vanaf hun school, ’t Honk in Kapelle. De leerlingen worden hartelijk bij hem thuis ontvangen en genieten van zijn verhalen, vooral van het verhaal over kattenkwaad. Meneer De Wijze was 9 jaar toen de oorlog begon en woonde destijds in Schorre.
Wat kunt u zich nog herinneren van de oorlogstijd?
‘We woonden natuurlijk maar in een kleine gemeente. Toen ik naar school ging, zat ik maar met zes man in de klas, vier meisjes en twee jongens. Daarnaast had ik een vriend uit de straat en zijn vader had koeien die achter de dijk moesten blijven, maar als ze er overheen kwamen dan moesten wij er achteraan.
Later ging ik nog met andere jongere kinderen kattenkwaad uithalen. We gingen op zoek naar eieren van eenden, die we natuurlijk niet konden vinden want we hadden geen idee waar we naar moesten zoeken. Zo gingen we naar de kolenboer. Als hij bezig was om de zakken met kool te vullen in de loods, dan stonden de deuren wijd open en dan deden wij, boem!, zo de deuren dicht. Dan kwam hij ons achterna met een stuk hout, maar wij waren sneller, dus hij kreeg ons niet te pakken.’
Heeft u ook wel eens een beschieting meegemaakt?
‘De Duitsers waren in ons schoolgebouw ingekwartierd en daardoor konden we niet hele dagen naar school. Als we niet naar school konden dan moesten we op het land werken, de bieten splitsen, op een veld vlakbij de Duitse luchtafweerstelling. Ineens waren er schoten op de luchtafweerstelling vanuit vliegtuigen die overvlogen. Lege hulzen vielen uit de vliegtuigen. Ik kreeg er twee op mijn rug, maar mijn vriend werd geraakt op zijn hoofd. Hij dacht dat hij doodging, maar behalve een grote bult op zijn hoofd was er eigenlijk niets aan de hand.’
Is er in de oorlog iets ergs gebeurd?
‘Mijn moeder is gestorven aan runder-tbc. Dat kwam doordat er niet genoeg te eten was tijdens de oorlog. Meer mensen stierven aan deze ziekte omdat het moeilijk was om aan eten met veel vitaminen te komen.
Wij hebben thuis altijd genoeg brood gehad. Mijn vader ging naar de molenaar en met het meel ging hij naar de bakker om brood voor thuis te laten maken.
Ik had verschillende huisdieren, een hond, drie katten en een varken. Het varken kreeg groenafval en erwtenmeel, daar werd ons varken dik van. Dan werd het varken geslacht en hadden we weer genoeg eten voor een hele tijd. We aten alles op, behalve de maag en een deel van de darm.
We woonden dicht bij de school. Zodra de kinderen wisten dat het varken geslacht werd kwamen ze allemaal naar ons toe voor een stukje zwoerd, een drukte van belang.’
Hoe begreep u dat de oorlog ten einde was?
‘Toen we al in Kapelle woonden, werd het oosten van Zeeuws-Vlaanderen bevrijd door de Poolse afdeling. Maar zij hadden hele lange kanonnen en daarmee beschoten ze ons, zo over de Schelde heen. Toen moesten wij schuilen in een schuilloopgraaf. Een jongen moest naar de wc. Ineens verscheen een Canadees in het raampje van de wc. Die jongen schrok zich natuurlijk rot en rende terug naar de loopgraaf en riep dat hij een Engelse had gezien. Hij wist niet dat het een Canadees was die ons kwam bevrijden. Zo wisten wij uiteindelijk dat er een einde aan de oorlog was gekomen.’
























