Erfgoeddrager: Dina

‘Er zijn zoveel kanten aan het koloniale verleden’

Janneke Roos is in 1946 geboren in Nederlands-Indië. Het gezin moest vanwege de onafhankelijkheid naar Nederland, maar in 1949 woonden ze weer in – toen – Indonesië vanwege het werk van vader bij de Indonesische Rijkswaterstaat. Derdejaars leerlingen Dina, Sulafah, Darius, Jaslien en Saloua van het OSB vragen haar naar haar jeugd in Indonesië.

Hoe was het in Indonesië na de oorlog?
‘Tijdens de oorlog kwamen de Japanners. Ze hielden de Indonesiërs voor dat ze hun vrijheid zouden krijgen. Maar als je dan gaat kijken hoeveel mensen er omgekomen zijn van de lokale bevolking. Er zijn 2 miljoen Indonesiërs omgekomen en die werden door de Japanners als slaven behandeld en in kampen gezet in Japan, in Birma en in Indonesië zelf. En dan had je de eufemistisch genoemde politionele acties van Nederland in Indonesië. Het wat een hele gewelddadige periode. Er was zelfs ook hongersnood. Er zijn zoveel kanten aan het koloniale verleden. Elke vorm van overheersing en onderdrukking is verkeerd. Dat deden de kolonialen toen en de mensen zelf deden het ook. De Nederlanders werkten via de lokale machthebbers. Ze lieten het hele systeem intact. En zo persten de lokale machthebber hun eigen mensen uit. Dat is het smerige aan de koloniale overheersing geweest; dat ze de lokale mensen gebruikten en zelf buiten schot probeerden te blijven.’

Hoe was het om daar op te groeien?
‘Het was heel dubbel. We behoorden tot de koloniale machthebbers; ik kende niets anders. Indonesië was voor ons een tweede vaderland. We zaten op een Nederlands schooltje met drie lokalen zonder deuren en drie leerkrachten uit Nederland. Ik kende de hele topografie van Nederland, maar het zei me niets. Over Indonesië leerde ik niet, alleen over Indonesische gewoonten, want je woont er en mijn vriendjes waren niet Nederlands. Die waren Indisch en Chinees en we spraken Maleis. Toen we met de boot naar Nederland gingen, kwamen er in Singapore allemaal Engelstalige kinderen bij. Maar we spraken allemaal Maleis dus dat was geen probleem.’

Wanneer zijn jullie naar Nederland gegaan?
‘Na de lagere school, in 1957, moesten we naar Nederland. Hier moest ik naar de middelbare school,  in een vreemd land met vreemde mensen, vreemd eten en naar weer. Ik vond het helemaal niet leuk. Het was best wel een pittige overgang. De Nederlanders waren ons ook niet gewend. Mijn vader wilde niet naar Den Haag tussen de andere Indische kolonialen zitten. Wij gingen in Roosendaal wonen. Mijn vader had ook geen goede herinneringen aan Den Haag. Toen zijn vader met pensioen ging, kwam hij daar wonen. Hij was toen negen jaar, dat was in 1909. Ik ken een anekdote over die periode. Mijn vader ging met zijn vader schoenen kopen en toen zei de verkoper: “Wat kan hij al goed op schoenen lopen!” Dus de discriminatie waar je nu veel over hoort, was er toen ook al terwijl er veel gekleurde mensen in Den Haag woonden.’

Wat voor werk deed uw vader?
‘Mijn vader werkte in Indonesië mee aan een irrigatieproject. Ze damden een rivier af en zo werd een heel groot waterbassin gemaakt van waaruit alle rijstvelden in de omgeving geïrrigeerd – bewaterd – konden worden. Zo kon er in de droge tijd water uit het bassin worden gehaald, zodat oogsten niet mislukten. Ik wilde vroeger zeeman worden. Dat leek me fantastisch: op een boot! En natuurlijk wilde ik de kapitein zijn, vrijheid hebben. Ik denk dat ik dat zo de rest van mijn leven ook heb ingevuld; door mij niet in een keurslijf te laten persen hier in Nederland.’
    

Erfgoeddrager: Dina

‘Ik kreeg elk uur een druppeltje bouillon, zo heb ik het overleefd’

Alva, Dina, Achmet en Aboubakr van de Corantijnschool ontmoeten Tiny Aarssen op Nieuw Vredenburgh aan de Postjesweg. Vanuit het raam zien we haar rode autootje staan, die ze haar mini-hummer noemt. Aan de overkant kijken we zo de Van Spilbergenstraat in met op de hoek het huis waar zij middenin de oorlog geboren werd als zesde kind van het gezin.

Wat merkte u van de oorlog?
‘Ik ben geboren in 1943, midden in de oorlog, dus ik ben nu bijna 76 jaar jong. Het moet lastig geweest zijn met zes kinderen die moesten eten. We hadden alleen een tafel met stoelen en een opklapbed van mijn ouders. Daar sliepen we allemaal want het hout van de kinderbedjes was al in de kachel verdwenen. Er waren ook geen kolen meer. Er was armoed en werkeloosheid en dan zijn mensen het zwakst. Vanaf 1938 probeerde Hitler de wereld al te veroveren en steeds meer mensen gingen hem geloven. Er zijn ook wel Joodse mensen opgepakt in de buurt. Hele families werden verraden voor geld. Je kon van de buurman een aai over je bol krijgen en de week erna vertelde hij de Duisters waar je woont. Er werd verteld dat ze moesten werken, maar ze kwamen niet meer terug. Hitler had daar een hekel aan, dus moesten ze allemaal maar weg. Dat iemand dat kan doen is heel erg. Er is een keer een Joodse buurman bij ons naar boven gevlucht, zijn vrouw en kinderen waren al gevlucht naar Zeeland. Hij is bij ons achter de stoel verstopt en mijn moeder is daar gaan zitten. De Duitsers kwamen binnen, maar hij is gelukkig niet gevonden. Anders was iedereen doodgeschoten.’

Wat is er met uw familie gebeurd tijdens de oorlog?
‘Mijn broer was 10 jaar en tramblokjes aan het stelen op de hoek van de Witte de Withstraat. Toen kwam de politie en heeft de hele groep neergezet bij de Ambachtsschool en om en om werd iemand doodgeschoten. Mijn broer gelukkig niet, maar hij was wel heel bang. Angst is heel erg, want dan heeft iemand macht over je. Mijn vader werkte in een alcoholfabriek. Op een dag ging hij gewoon om zes uur naar zijn werk, maar kwam niet meer thuis. Hij was opgepakt, in een vrachtwagen gezet en moest naar een fabriek in Duitsland. Hij sprak Duits en kreeg daardoor een bevoorrechte positie. Zo heeft hij mensen kunnen helpen. Je weet niet wat je zou doen in zo’n positie, want wie niet luisterde werd doodgeschoten. Op drie hoog woonde een vrouw die vaak Duitsers over de vloer had. Mijn broertje zat op de trap te spelen, hij hoorde gestamp en er stond een Duitse soldaat voor zijn neus. Hij vroeg naar mutti (mijn moeder). Zij wilde hem eerst niet binnen laten, maar hij zei dat hij van mijn vader kwam. Hij had ook een vrouw en kinderen, was gedwongen naar Amsterdam gestuurd en vond het vreselijk. Uit zijn schoenzool haalde hij een briefje en geld van mijn vader. Er waren dus ook goede Duitsers.’

Hoe was het voor u als baby in de oorlog?
‘Toen mijn vader opgepakt was, bleef mijn moeder alleen achter met vijf kinderen en hoogzwanger van mij. Er was niks en dat was verschrikkelijk. Mijn moeder at tulpenbollen en schillensoep. Als je honger hebt, eet je alles. Steeds meer mannen moesten naar de fabrieken en de vrouwen gingen samenwerken. Dan pikte ze groenten bij de landerijen, ging er een in de sloot staan en gaven ze het zo aan elkaar door. Je doet vreemde dingen, maar je moet toch eten. Jan van den Broek, de vader van Dirk van den Broek, had een grote boerderij. Hij was heel goed voor de mensen. Na de bevrijding kregen we allemaal melk en slagroom. Inmiddels was ik 9 maanden en ik woog maar 9 pond, want ik had veel te weinig voeding gehad. Ik zou het eind van de week niet meer halen, zei de dokter. Er zat een slagerij, Pijper, op de Postjesweg en die vrouw had op dezelfde dag een kind gekregen en dat was een bolle jongen. Mijn moeder is daarheen gegaan en zij mocht vlees en merg op komen halen. Zo kreeg ik elk uur een druppeltje bouillon. Het is een wonder, maar zo heb ik het overleefd. En nog steeds drink ik elke dag bouillon.’

           

 

 

 

Erfgoeddrager: Dina

‘Oorlog doet rare dingen met mensen’

Wow, wat veel boeken staan hier… Het huis van John Geelof staat vol boeken en aan de muur hangen oude foto’s. Op een tafeltje liggen oude kranten, oude munten, een granaatscherf, bonnenboekjes en zelfgemaakt speelgoed. John Geelof was al vroeg wakker want het is weer een belangrijke dag. Vandaag komen Berkay, Khadija, Dina, Sara en Wesleyn van de IJdoornschool luisteren naar wat hij heeft meegemaakt in de oorlog. En vertellen doet hij graag.

Hoe was het voor u in de Hongerwinter?
‘Het was een vreselijk strenge winter. Het was soms -20. Het vroor zo hard dat het water in het IJ bevroren was. We konden dus gewoon naar de overkant lopen. De sneeuw werd niet weggehaald en overal stonden dijken van bevroren sneeuw. We gingen naar bed als het donker was en stonden pas weer op als het weer licht werd. Dat was overleven. Alles was op, de winkels hadden niks meer. De bomen werden gekapt, dus we konden niks meer. Het was ijskoud binnen. Eten konden we ook niet bereiden want we hadden niks om te stoken. Ook het licht deed het niet meer. Wat ik ook wel heel tragisch vond was dat de woningen van de Joden, die weggehaald waren, werden leeggeroofd. De spullen waren vaak al weg, maar alles wat van hout was werd er ook uitgehaald. We werden wel heel creatief. De blaadjes van paardebloemen kun je eten en soep van koken, net als de blaadjes van brandnetels. Bloembollen werden gegeten en suikerbiet. Het was niet heel lekker, maar je moest wat.’


Wat is u het meest bijgebleven uit die tijd?

‘De angst voor wat er verder nog zou gebeuren. Er was altijd iets engs, iets wat je niet begreep. Oorlog is niet altijd alleen maar vechten. De bombardementen op de fabrieken in Noord waren ook heel angstaanjagend. Soms barstten de granaten in de lucht al uit elkaar of de ramen sprongen kapot. Ik begreep vaak niet wat er gebeurde. Je kon ook niemand vertrouwen. De Duitsers gaven de mensen soms extra te eten als ze hielpen. Soms ging het om iets klein maar het ging ook om bijvoorbeeld Joden verraden. Oorlog doet rare dingen met mensen.’


Kende u NSB’ers?

‘Ja, mijn oom. Maar deze man was al voor de oorlog lid van de NSB. Dat vond hij geweldig. Dat was een soort PvdA, maar dan helemaal op Nederland gericht. Tijdens de oorlog waren de NSB’ers voor de Duitsers en dus gevaarlijk. Maar mijn oom heeft er wel voor gezorgd dat wij de Hongerwinter doorkwamen. Hij kwam op zijn fiets helemaal vanuit een dorpje bij Haarlem om ons wat brood te brengen. Dus soms waren de NSB’ers onze vijanden maar soms ook onze vrienden. Dat was het gekke in die oorlog: wie was je vriend en wie was je vijand?’

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892