Erfgoeddrager: David

‘Je had de gekste dingen in de oorlog, ik had bijvoorbeeld malaria’

Annie Stoop (97 jaar) is een week eerder naar de Willem-Alexanderschool in Bergen gekomen om de kinderen te vertellen over haar jeugd tijdens de oorlog. Nu mogen Ruben, David, Jip, Lola en Melle haar zelf interviewen. Ze hebben allerlei vragen voor haar bedacht. Iedereen neemt plaats in het kantoor van de directrice van de school en de kinderen schenken lekkere koffie.

Waar woonde u in de oorlog?
‘We woonden op de Loudelsweg. Tegenover ons was een school die vol zat vol met Duitse soldaten. Aan de ene kant van ons woonden de SS‘ers en aan de andere kant was munitie opgeslagen. Daar woonden wij dus tussenin.’

Had u vriendjes?
‘Ik had veel vriendinnetjes. Thuis was ik alleen met mijn ouders want ik had geen broers en zussen. Maar naast ons en tegenover woonden gezinnen met kinderen. We speelden altijd samen buiten op straat: knikkeren, hinkelen touwtjespringen… dat was heerlijk!

Ik speelde ook veel met poppen en met mijn poppenwagen. Ik was zo trots op mijn poppenwagen. Maar mijn vader heeft hem in de oorlog geruild voor een kist aardappelen omdat er geen eten was. Ik vond het heel erg dat ik hem kwijt was.’

Veel mensen moesten evacueren uit Bergen, ook u moest weg. Hoe ging dat?
‘Op een dag kwam er iemand bij ons die zei: ‘Jullie moeten weg. Vanavond gaan ze bommen gooien en jullie wonen naast een munitiedepot.’ Toen zijn we met zijn drieën en andere buren op de fiets naar Krabbedam gegaan. Mijn moeder kon niet fietsen en zat bij de buurman voorop.

De volgende dag zagen we dat ze op het vliegveld alles lieten ontploffen. Het was een enorm lawaai. Dat was de dag dat de geallieerde landden: D-Day. Daarna moesten we allemaal weg uit Bergen. Wij zijn toen in Amsterdam-Noord terechtgekomen bij familie.’

Hoe was het leven na de oorlog?
‘Het was wel vrede, maar er was natuurlijk zoveel vernield. Er was nog niks, dus al het eten was nog op de bon. Er was geen huis gebouwd in de oorlog en er waren geen materialen. Heel West-Europa lag in puin.

Er was nog geen regering, het was allemaal nog een warboel eigenlijk. Je had dan wel de BS, de Binnenlandse Strijdkrachten, dat waren mannen die in de ondergrondse gezeten hadden en nu een beetje soldaat waren geworden. Het was een samengeraapt zooitje in een blauwe overall met BS erop. Zij hebben de boel weer een beetje op orde gebracht.’

Is er iemand in uw familie overleden tijdens de oorlog?
Er was heel weinig medicatie en zorg en mensen waren heel erg verzwakt door gebrek aan eten. Daardoor werd iedereen ook sneller ziek. Er heerste difterie. Mijn nichtje van 17 jaar is eraan overleden. Nu zijn er genoeg medicijnen, maar in de oorlog was er bijna niets.

Je kreeg ook hele rare ziektes. Ik heb bijvoorbeeld malaria gehad, een tropische ziekte die hier nooit voorkomt. Je had de gekste dingen in de oorlog. Mijn vader is in maart 1946 overleden. Hij heeft het allemaal niet goed kunnen verwerken.’

Erfgoeddrager: David

‘Het was net alsof we in Nederland waren, midden in de tropen’

Vol spanning gaan Walid, Dylan, David en Zubair op een herfstige dag in oktober op weg naar het interview met de 89-jarige Dee van Eldik. De spanning verdwijnt meteen als ze hen hartelijk ontvangt in haar warme huis, vol sporen van haar leven in het voormalige Nederlands-Indië en op Aruba. De jongens van basisschool De Schelp in Eindhoven zijn onder de indruk van de Indonesische muziekinstrumenten van bamboe waarop mevrouw Van Eldik nog altijd speelt. Terwijl ze thee inschenkt, stellen de jongens hun eerste vragen.

Hoe was het om een gemengde achtergrond te hebben?
‘Weet je, heel lang geleden, wel bijna 300 jaar, was Nederland de baas in Indonesië. Dat noemen we de koloniale tijd. Er kwamen veel Nederlanders naar Indonesië om handel te drijven, vooral in specerijen zoals kruidnagel en nootmuskaat. Daar werd Nederland heel rijk van.

In het begin mochten Nederlandse mannen geen vrouwen meenemen uit Europa, en dus kregen ze gezinnen met Indonesische vrouwen. Zo ontstonden kinderen die een beetje van allebei waren, een beetje Nederlands en een beetje Indonesisch. Dat zijn wij: de Indo-Europeanen, of Indische mensen.

We waren niet helemaal Indonesisch, maar ook niet helemaal Europees. We zaten er een beetje tussenin, en dat was soms moeilijk. We kregen een Nederlandse opvoeding, spraken Nederlands en gingen naar Nederlandse scholen. Maar in ons hart leefden twee werelden: de warmte van Indonesië en de gewoontes van Nederland. Dat maakte ons wie we zijn, een beetje van beide.’

Hoe was het op de Nederlandse school?
‘Toen ik kind was in Nederlands-Indië, ging ik naar een Nederlandse school. We begonnen al vroeg, om half acht, want later werd het veel te warm, soms wel 40 graden!

Op school leerden we lezen, schrijven, rekenen en netjes schrijven met kroontjespennen. Maar weet je wat vreemd was? We leerden niets over Indonesië, het land waar we woonden. We leerden alleen over Nederland, over rivieren, steden, sneeuw en bloemenvelden. De meeste kinderen hadden nog nooit sneeuw gezien!

We spraken Nederlands, zongen Nederlandse liedjes en lazen uit Nederlandse boeken. Het was net alsof we in Nederland waren, midden in de tropen. Toch heb ik er ook warme herinneringen aan: de geur van het krijt, de zon door het raam en de bel die klonk als we eindelijk buiten mochten spelen.’

Hoe was het leven tijdens de Japanse bezetting?
‘Tijdens de Japanse bezetting hoefden mijn moeder en ik niet naar een kamp. Wij waren buitenkampers, dat betekende dat we buiten het kamp woonden. Maar het leven was zwaar. We hadden bijna niets te eten, en omdat we half Nederlands waren, kregen we geen werk. We moesten alles verkopen: eerst sieraden, zelfs de trouwringen van mijn ouders, daarna kleren en meubels.

Mijn moeder was heel vindingrijk. Van kleine lapjes stof maakte ze kleertjes om te verkopen, zodat we een beetje rijst of groenten konden kopen. Ik miste mijn vader verschrikkelijk. Hij zat in een kamp, en elke dag hoopte ik dat hij terug zou komen.’

Hoe was de onafhankelijkheidsoorlog?
‘In 1942 kwamen de Japanners naar Indonesië. Ze wilden er de baas worden en zeiden: ‘Azië voor de Aziaten’. Ze leerden de Indonesiërs vechten om hun land terug te krijgen. Zo begon de strijd voor onafhankelijkheid.

Na de oorlog wilden de Indonesiërs hun vrijheid. Ze stuurden de Nederlanders weg en namen de plantages en huizen over. Maar toen kwamen wij aan de beurt, mensen met gemengd bloed. Tegen ons zeiden ze: ‘Jullie horen bij de vijand’.

We werden uit onze huizen gejaagd en konden bijna niets meenemen. Alles foto’s, spullen, herinneringen moesten we achterlaten. Ik was nog maar negen of tien jaar en ik weet nog goed hoe bang ik was. De mensen wilden hun land terug, en dat begrijp ik nu. Maar toen voelde het vooral alsof we nergens meer echt bij hoorden.’

Waarom zijn jullie toen naar Nederland gekomen?
‘Na de oorlog moesten we kiezen: blijven we in Indonesië en worden we Indonesisch, of gaan we naar Nederland? De Nederlanders zeiden dat we beter konden blijven. Mijn vader tekende daarvoor, want hij vond Nederland niet zo leuk. Maar al snel bleek dat de Indonesiërs ons ook niet wilden. Ze zeiden: ‘Jullie horen bij de Nederlanders’. We werden weer gepest en buitengesloten. Toen kregen we spijt dat we gebleven waren.

Naar Nederland gaan was moeilijk. We moesten maanden wachten op papieren en langs veel kantoren voor stempels. Toen het eindelijk mocht, waren we zó blij! Op 3 augustus kwamen we aan in Nederland. Het was warm, alles voelde vreemd en nieuw, en de boot zat stampvol mensen.

In Nederland moesten we weer in een opvangkamp wonen. We kregen kleding en eten, maar alles moesten we later terugbetalen. Zelfs toen ik ging werken, moest ik een groot deel van mijn loon inleveren. Toch waren we dankbaar dat we er waren: eindelijk waren we veilig.’

Erfgoeddrager: David

‘Mijn oma zei tegen het Joodse meisje dat ze vanaf nu altijd in de tram mocht’

Pjotr, David en Figo lopen van de Pinksterbloemschool in Amsterdam-Oost naar het huis van Frank Meelker. Eerst een hoge trap op naar de vierde verdieping, om erna te worden beloond met koekjes. In de woonkamer tikt een oude klok gezellig op de achtergrond. De Joodse grootvader van Frank Meelker heette Eli van Tijn en heeft veel goede dingen gedaan in het verzet. Eli was 38 jaar toen de oorlog uitbrak. Grootmoeder Mien van Tijn was ook een verzetsheld. Meneer Meelker vertelt hun verhaal.

Uw grootvader zat in het verzet, wat deed hij?
‘Voor de oorlog hielp mijn opa al vluchtelingen die vanuit Duitsland naar Nederland kwamen, want Hitler was er al aan de macht. Dus hij kende de verhalen van hoe erg het was in Duitsland. Het verbaasde hem niet toen de oorlog kwam.

In de oorlog had je scholen waar Joodse kinderen heen gingen en scholen voor niet-Joodse kinderen. Op de Joodse scholen moesten ook Joodse leerkrachten zijn. Mijn opa was hoofdonderwijzer op de Kraaipanschool. Op zolder van deze school zaten ’s nachts en in het weekend Joodse onderduikers. Dit was een tijdelijke plek totdat er een goede onderduikplek gevonden was en dan gingen mensen daar naartoe.

Mijn opa vervalste persoonsbewijzen en voedselbonnen, ook om zo aan eten te kunnen komen voor de onderduikers. Later in de oorlog drukten ze illegale krantjes en verspreidden ze. Als je gepakt werd, kreeg je een zware straf, dus het was spannend.

Via via kwam er een gevluchte Duitser bij hem die een persoonsbewijs nodig had. Deze man bleek een verrader te zijn. Toen hij het vervalste persoonsbewijs aan hem gaf, werd hij begin mei 1943 gearresteerd door de Nederlandse politie. Hij heeft een half jaar in een kamp in Amersfoort gezeten, en ging daarna naar Westerbork, nou die naam kennen jullie wel. Daar heeft hij negen maanden gezeten. Toen zat hij in de laatste trein naar Auschwitz. Het was er zo vol dat ze er niet meer mensen bij konden hebben. Uiteindelijk is hij omgekomen in een kamp naast Stuttgart in Duitsland.’

En wat deed uw oma in de oorlog?
‘Bij mijn oma en opa was een Joodse mevrouw ondergedoken. Ze werd door de kinderen ‘tante Joke’ genoemd, dat was haar verzetsnaam, ze heette eigenlijk Suzanne. Ze is heel oud geworden. Op een dag hoorde tante Joke dat een nichtje van haar was opgepakt. Een meisje van 2 jaar oud, dat met haar ouders in een kleine woning woonde. In de zomer van 1943 werden zij opgehaald om mee naar Duitsland te gaan. Het meisje sliep in een afgesloten kast.

‘s Avonds werden de ouders opgehaald om gedeporteerd te worden. Het meisje lieten ze expres liggen in de hoop dat anderen haar zouden vinden en haar zouden onderbrengen om de oorlog te overleven. Nou, dat meisje werd ‘s ochtends wakker en begon te huilen, want er was niemand. Anderen vonden haar en wat deden ze? Ze brachten haar naar de plek waar Joodse weeskinderen werden gebracht om te wachten op vervoer naar Duitsland, om daar te worden vermoord.

Dat verhaal hoorde mijn oma van tante Joke, en ze wist: ik heb geen moment te verliezen. Ze vroeg hoe dat meisje eruit zag. Geel truitje, bruin rokje, was het antwoord. Ze ging naar het verzamelpunt en knikte ‘goeiendag’ naar de Duitse militairen, vroeg waar dat meisje was, nam haar mee en knikte weer tegen die soldaten, alsof het zo hoorde.

Buiten zei het meisje: ik mag niet in de tram. Joodse mensen mochten dat niet. Mijn oma zei toen dat ze vanaf nu altijd in de tram mocht. Het meisje is bij ze gebleven tot haar vader, die de oorlog had overleefd, weer voor haar kon zorgen, samen met een lieve stiefmoeder. Ze heet Juliet. Dat meisje heeft mijn oma altijd mama genoemd. Ze woont in Australië en een paar keer per jaar spreek ik haar.’

Erfgoeddrager: David

‘Mijn tante heeft geen geboorteplaats in haar paspoort’

Djess, Yassin, David en Semih uit groep 8 van de Admiraal de Ruyterschool in Amsterdam-West interviewen meneer Randy Schoemaker. Meneer Schoemaker is conciërge op de school, dus ze kennen hem al een beetje, maar de kinderen weten niets over zijn familiegeschiedenis. De moeder van meneer Schoemaker moeder komt uit Indonesië, dus ze heeft daar het koloniale verleden meegemaakt.

Waar zijn uw ouders geboren?
‘Mijn moeder is geboren in Indonesië, in Bandoeng, op West-Java en daar is ze ook naar school geweest. Toen ze zes of zeven jaar was, is ze met haar ouders met de boot naar Nederland gekomen. Op de boot is nog een zusje van haar geboren, dat is dus mijn tante. Mijn tante heeft geen geboorteplaats in haar paspoort staan, maar de cijfers van een lengte en breedtegraad.’

Heeft u ook de moeder van uw moeder nog gekend?
‘Ja, dat was dus mijn oma, zij was Australisch. Haar moeder was vanuit Engeland naar Australië verhuisd. Australië werd in die tijd door de Engelsen gebruikt als een soort openlucht gevangenis, met werkkolonies voor criminelen. Maar na een tijdje werden er dorpen gesticht en de vader van mijn oma was apotheker in een dorp. Ze hadden het wel armoedig, geen elektriciteit en eens in de week kwam er iemand grote blokken ijs brengen, die in een kist gingen en dat was dan de koelkast.’

Wanneer is uw oma van Australië naar Indonesië verhuisd?
‘Mijn oma was verpleegster en werkte in een ziekenhuis, dat naast een vliegbasis stond. De vliegbasis was Indonesisch, maar lag in Australië. Mijn opa was half Indonesisch, half Nederlands en zat bij de Koninklijke Luchtmacht, hij moest in de oorlog bommen gooien op Indonesië. Daar bij de vliegbasis hebben ze elkaar ontmoet. Ze gaven briefjes aan elkaar door het hek en wilden allebei weg van daar. Toen zijn ze samen op Java gaan wonen, en daar is mijn moeder geboren.’

Waarom kwam uw moeder en haar gezin naar Nederland?
‘Ze zijn eigenlijk gevlucht, want ze waren geen volbloed Indonesiërs en als je ook een beetje Nederlands of Europees was, dan werd je weggepest, omdat Indonesië toen een zelfstandig land wilde worden en geen kolonie meer wilde zijn. Nederland had vierhonderd jaar Indonesië leeggeroofd met alle kruiden, de koffie en de thee. Indonesië werd onafhankelijk in 1949.’

Hoe vond uw moeder het in Nederland?
‘Ze was dus nog klein, 7 jaar, en ze kon niet goed wennen in Nederland. Ze vond het koud en de mensen niet gastvrij. Je moest een afspraak maken om een kopje koffie te drinken met elkaar. Mijn moeder had wel een beetje heimwee, denk ik. Toen ze wat ouder werd, ontmoette ze mijn vader. Mijn moeder had een beetje bruinige huid en wat sproetjes en dat vond mijn vader wel leuk. Ze zullen elkaar wel bij de ijssalon gezien hebben.’

Leven uw ouders nog?

‘Ja, ze wonen nu op Aruba. Toen ik achttien was, kreeg mijn vader daar een baan aangeboden. Ze zijn nu allebei in de tachtig en meer dan vijftig jaar getrouwd. Ik ga wel eens naar hen toe.’

Bent u wel eens naar Indonesie geweest?
‘Mijn opa wilde wel met me naar Indonesië toen ik 18 werd en als ik goede cijfers zou halen. Ik had wel goede cijfers op mijn achttiende, maar toen wilde hij niet meer. Je hoort vaak van mensen die iets met Indonesië hebben, dat ze zich er vertrouwd voelen. Dus ik ben daar wel benieuwd naar of ik dat ook heb, dus ik moet nog wel een keer gaan.’

Erfgoeddrager: David

‘De grootouders van mijn moeder bezaten plantages in Oost-Java’

Livia, David, Wick, Liv en Tom van de Hildebrand van Loonschool in Amsterdam interviewen John Rade. Hij komt uit een welgestelde familie in Indonesië, vertelt hij. Op oude foto’s laat hij zijn grootouders zien. Helaas is van het geld van zijn familie niks meer over. Als toonbeeld van de Indonesische gastvrijheid heeft hij aan het einde van het interview voor iedereen een taartje. Gelukkig kunnen de kinderen hem ook een mooi pakje chocolaatjes geven.

Hoe kijkt u terug op toen u klein was?
‘We hadden allemaal nannies, oppassen die continu bij je waren, ze sliepen ook in het kamertje waar je overnachtte. Het was oorlog, Nederlanders vonden dat ze allerlei acties moesten uitvoeren omdat Indonesië onafhankelijk wilde zijn. Dus er waren veel spanningen. Indonesiërs staken soms gewoon huizen in brand. Mijn vader had beveiligers om te zorgen dat de mensen buiten de deur bleven. Mijn moeder was in die tijd zwanger van mijn zusje. De spanning van mijn moeder heeft mijn zusje in de buik gevoeld en daar heeft ze nog steeds last van.’

Wie van uw familie waren plantage-eigenaren?
‘De grootouders van mijn moeder bezaten plantages in Oost-Java. In totaal waren er vier zussen en ze waren allemaal heel rijk. Mijn grootmoeder is getrouwd met een officier van de KMA, de Koninklijke Militaire Academie, daarna is hij gescheiden en ervandoor gegaan met het geld van mijn grootmoeder. Hij ging in Monaco wonen.

De familie van mijn vaderskant was niet zo rijk, maar mijn grootvader was ook militair en had uiteindelijk genoeg verdiend om een buitenhuis te bouwen. In het huis waren tien slaapkamers en een paviljoen voor de bediendes. Ik heb het later bezocht, het is nu een ruïne, er is niks van over.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘De Nederlanders waren nogal onnadenkend een oorlog gestart met Indonesië. Ik was nog klein, 5 jaar, toen ook wij het land uit moesten omdat we bij de lichtgekleurde elite hoorden. We moesten alles achterlaten. Maar mijn vader was een succesvol architect en het was hem gelukt om woningen aan Chinese relaties te verkopen. We vertrokken met de boot en moesten alles achterlaten, meubels, huizen… Mijn vader had in de wieg van mijn zusje, die was 6 maanden, wel nog voor 200.000 gulden aan goud gestopt.’

Hoe was het voor jullie om in Nederland te wonen?
‘Mijn ouders kwamen aan met 200.000 gulden aan goud. Daar konden we een bescheiden huisje van kopen en van leven. Maar de meeste Nederlanders uit Indonesië kwamen in pensions terecht en werden in kampen gestopt. Mensen die hen opvingen, kregen 10 gulden voor eten, maar ze kochten het allergoedkoopste eten en de rest van de 10 gulden stopten ze in hun eigen zak. Dus ze misbruikten dat geld. De mensen uit Indonesië waren gewend Indonesisch eten klaar te maken, maar dat mocht niet. En ze wisten niet wat boerenkool was. Maar ze moesten maar zien er wat van te maken. Mijn vader huurde een huis voor zijn familieleden, want die kwamen allemaal zonder geld en zonder meubels naar Nederland, en zo konden ze tijdelijk wonen.’

Welke cultuurverschillen ziet u tussen Nederland en Indonesie?
‘Ik ben zelf voor een kwart Indo want mijn grootvader was getrouwd met een Indonesische vrouw. En in mijn hart ben ik echt Indisch. Ik voel me geen Nederlander, ik ben hier opgegroeid ik doe wel aan de spelregels mee, maar ik voel me meer Europeaan.

Volgens een mooie Indonesische traditie nam je als je bij iemand op bezoek ging een rantang mee, dat zijn drie pannetjes op elkaar. En als je wegging nam je er eten in mee zodat je thuis ook nog wat had. Indische mensen zijn heel gastvrij. Als wij aan het spelen waren in het dorpje, dan mochten kinderen altijd om 6 uur mee-eten. Bij Nederlandse ouders moest je om 6 uur wegwezen. In Indonesië ben je altijd welkom. Als je kookte en je was maar met vier mensen, dan kookte je voor zeven, want er konden altijd mensen aankomen. Dat is een cultuurverschil.’

Erfgoeddrager: David

‘Mijn vader wilde niet onderduiken en werd in 1941 gearresteerd’

Vera, Mirentxu, Sam, David, Bibi en Charlie lopen van de Asvo-school in Amsterdam naar het huis van Tinie IJsberg. Onderweg komen ze een aantal stolpersteine tegen. Aandachtig lezen ze de namen, en zien ook de plek waar deze mensen zijn vermoord. Er blijkt ook een steen te liggen van iemand die het heeft overleefd. Dan arriveren ze bij mevrouw IJsberg en gaan ze rond de tafel zitten met een drankje en wat lekkers.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was een baby, kijk maar op deze foto zie je mij. Ik was een nakomertje. Ik had twee zussen en een broer. Duitsland bezette Nederland in 1940. In het begin ging het leven gewoon door. Je moet weten dat de Duitsers toen dachten dat het Arische ras het beste was. Dat wil zeggen: blond haar en blauwe ogen. Ze vonden dat Nederlanders ook tot dat ras behoorden. Anderen, zoals Joden, zigeuners en gekleurde mensen, waren fout. In Amsterdam woonden toen ongeveer 80.000 Joden. Er kwamen allerlei regels. Joden mochten niet meer naar de bios, parken of dierentuin.’

Wat deed uw vader?
‘Mijn vader was conducteur op de tram. Soms rijdt er in Amsterdam nog zo’n oude blauwe tram rond, daar zat hij op. In februari 1941 werd Amsterdam opgeschrikt door een razzia. 425 Jonge Joodse mannen werden door de Duitsers opgepakt op het Jonas Daniel Meijerplein en afgevoerd. Veel mensen hadden het zien gebeuren en waren ontzettend boos. ‘Dat kunnen we niet laten gebeuren in onze stad!’, vonden ze. Op 25 en 26 februari werd er gestaakt. Mijn vader was een van de leiders van de trambestuurders die meededen. De Duitsers hebben de staking met geweld beëindigd. En mijn vader ging naar huis.’

En hoe ging het verder?
‘Van alle kanten werd hem aangeraden om onder te duiken om maar niet te worden gearresteerd. Maar mijn vader dacht: ik houd me gewoon rustig, dan trekt de bui wel over. Hij ging niet in de onderduik. Maar in november 1941 werd hij midden in de nacht gearresteerd en naar het Huis van Bewaring aan het Leidseplein gebracht. Mijn moeder kreeg een briefkaart waarop stond dat hij vastzat. Het was de bedoeling dat zij voor zijn was zou zorgen. Daar kom ik straks nog op terug. Mijn vader kreeg de doodstraf met nog veertien andere mannen. Ze zijn op vliegveld Soesterberg gefusilleerd.’

Wat was er met de was?
‘Pas in 1980 kwam ik erachter dat mijn ouders via de was een tijdlang met elkaar in contact bleven. Ze schreven elkaar korte kleine briefjes en verstopten die in de was. Ik heb dat nooit geweten, ze lagen jaren opgeborgen in een kast. Pas in 1980 kreeg ik de doos en heb de moed gehad om ze te lezen, dat was heel moeilijk voor mij. Je moet weten dat er thuis wel over de oorlog werd gepraat, maar eigenlijk nooit over mijn vader. Het idee was dat als je er niet over sprak, het er ook niet was. Kinderen vergeten snel, was de gedachte. Maar zo heb ik dat niet ervaren. Ik had eigenlijk graag met mijn moeder gesproken over die tijd en wat ons was overkomen. Ik raad jullie aan om met mensen te praten als er iets rottigs gebeurt.’

Mist u uw vader?
‘Ik wist dat hij dood was, maar toch heb ik hem jaren gezocht. Wat ik van hem heb is zijn afscheidsbrief. Een kopie hoor, het origineel is in het Verzetsmuseum. Zal ik hem voorlezen? We kregen allemaal een soort persoonlijk bericht. We moesten flink, sterk en moedig zijn en goed voor elkaar zorgen. En allemaal krijgen we duizend kussen. Na drie of vier weken kreeg moeder zijn persoonlijke eigendommen opgestuurd. Zij heeft een rouwkaart laten maken. Daarop staat niet dat hij is doodgeschoten, maar dat hij is weggenomen.’

Hoe ging het na de oorlog?
‘Ik had een hele goede band met mijn moeder, het is echt jammer dat we ons verdriet niet hebben kunnen delen. Na 1980 ben ik wel gaan praten, ook al omdat ik vond dat mijn dochters het verleden niet als een geheim zouden ervaren. Verdriet hoort niet in een kast. Er is een filmopname waarin ik in de tram mijn verhaal vertel. Elk jaar ga ik naar de herdenking van de Februaristaking en ontmoet daar nabestaanden van de mannen die samen met mijn vader zijn doodgeschoten.

Erfgoeddrager: David

‘We zijn allemaal trots op onze cultuur’

Mevrouw Samar Shaalan komt op bezoek op de Admiraal de Ruijterschool in Amsterdam West om zich door David, Hidde en Samantha uit groep 7 te laten interviewen. Mevrouw Shaalan werd in Libanon geboren. Ze kwam met haar Irakese man naar Nederland.

Hoe was uw leven in Libanon?
Ik ben geboren in 1958. Ik had een goed leven daar. Ik had een leuke baan en een fijne familie. Thuis waren wij met negen kinderen. Mijn vader werkte voor de regering, mijn moeder werkte niet. Maar omdat er veel kinderen waren, was mijn vader ook nog taxichauffeur. Libanon is een mooi land met prachtige natuur, lekker weer en aardige mensen. Ik voelde me erg verbonden met mijn familie en de buren. Mijn lievelingsplek in Libanon is Rouche Manara, dat ligt aan de kust. En elke keer als we erop uit waren geweest, eindigden we daar. Beetje flaneren langs de kust en dan naar huis. Mijn familie is moslim, maar in Libanon wonen veel mensen met een ander geloof: Christenen, Sjiieten, Soennieten, Druzen. Deze groepen vochten met elkaar. Er was wel een burgeroorlog. Dat was best wel eng, want je kunt doodgaan. Er kwam eens een raket in de slaapkamer, maar gelukkig was er niemand gewond.’
Mijn vader is jong gestorven, we waren heel verdrietig. Ik dacht dat het goed zou zijn als ik mijn rijbewijs haalde, dan kon ik met de kleinen toch reisjes maken. Ik was de enige vrouw die dat deed. Ik was erg verdrietig, maar wilde niet bij de pakken neer gaan zitten. Ik wilde iets wat erg zwaar was buigen naar iets goeds.’

Hoe kwam u in Nederland?
Mijn broer studeerde in Parijs en ik ging hem bezoeken. De reis vond ik geweldig en Parijs ook!
Ik had al mijn sieraden verkocht om een ticket te kunnen kopen. In Parijs heb ik mijn man leren kennen. Hij kwam uit Irak. We zijn getrouwd en naar Nederland gekomen. Ik kreeg twee kinderen.’

Wat vindt u van Nederland?
Ik ben erg blij dat ik hier woon. Ik ben gescheiden van mijn man. Ik doe hier vrijwilligerswerk. Bij de vrouwenbazaar. Ik ben daar voorzitter van. Alle mensen hebben mooie dingen en we zijn allemaal trots op onze cultuur. We willen laten zien dat je goed bent, zoals je bent. Ik wil ook zeggen dat dat veel belangrijker is dan geld. We helpen mensen met formulieren invullen en vertellen welke rechten ze hebben’.

Zou u ooit terug willen naar Libanon?
Tja dat is niet zo gemakkelijk, je woont al lang in Nederland en veel van mijn familieleden zijn gestorven.’

Erfgoeddrager: David

‘De beheerder van de Waalsdorpervlakte plantte stiekem bij elk graf helmgras’

De Derde Daltonschool in Amsterdam-Zuid, bij het Sarphatipark, is verbonden met het verhaal van de ijssalon Koco aan de Van Woustraat. De plaquette op de ijssalon is door de school geadopteerd en jaarlijks wordt er op 4 mei een herdenking gehouden. David, Eva en Faye interviewen Freerk van der Meulen en Frank Blom die familie zijn van een van de voormalige eigenaren van Koco, Ernst Cahn. De broer van Ernst Cahn, Otto, had namelijk twee dochters: Suze is de moeder van Freerk van der Meulen, en Doris is de moeder van Frank Blom. De mannen vertellen aan David, Eva en Faye het verhaal over hun familie.

Wat is er gebeurd met de ijssalon?
‘Ernst Cahn en Alfred Kohn hadden in 1941 een ijssalon in de Van Woustraat. Maar het was ook de vergaderruimte van een Joodse knokploeg die zich verzette tegen de NSB. Op 15 februari waren er vernielingen geweest aan de salon. Cahn en Kohn hadden er genoeg van en bedachten dat een fles met sproeiend ammoniak de vernielers een lesje zou leren. Op 19 februari was het zover. Maar wat bleek? Het waren geen NSB’ers maar Duitsers die de ammoniak in het gezicht kregen. De eigenaren van de ijssalon werden gearresteerd en Ernst Cahn werd doodgeschoten in de duinen. De beheerder van de Waalsdorpervlakte plantte stiekem bij elk graf in de duinen helmgras. Zo wisten de nabestaanden van de mensen die door de Duitsers waren doodgeschoten, waar ze lagen. Kohn is omgekomen in 1945 bij een dodenmars vanuit Auschwitz.’

Bestaat de ijssalon nog?
‘Nee, na de arrestatie van de twee mannen is de salon gesloten. Wel is er een plaquette die herinnert aan de gebeurtenissen van 19 februari.’

Waren jullie ouders getraumatiseerd door de oorlog?
Freerk: ‘Dat wat er in de oorlog met de Joden is gebeurd heeft enorme invloed gehad op de Joden, hun kinderen en ook de generaties na hen. Bij ons thuis werd bijvoorbeeld nooit eten weggegooid.

Onze moeders moesten onderduiken en dat vonden ze eng. Mijn moeder verschuilde zich boven de schuifdeuren in een loze ruimte. Ook sliep zij bij haar dochter in bed, zodat er bij een inval geen warm leeg bed gevonden kon worden. Je moest stil zijn, want wie kon je vertrouwen?

Frank: ‘De buren van mijn ouders waren NSB’ers, dus veel lawaai was gevaarlijk.’

Aten jullie ouders lekkere dingen in de oorlog?
Frank: ‘Als je in de onderduik zit, is het best moeilijk om aan eten te komen. Je moest daar bonnen voor hebben. Het verzet zorgde ervoor dat die bonnen op de juiste plekken terechtkwamen, maar moest daarvoor wel overvallen plegen.

In de Hongerwinter werden er bomen omgezaagd voor kleine kacheltjes. Mijn opa ging op hongertocht. Hij werd aangehouden door de Duitsers, maar tot zijn geluk spraken ze allebei hetzelfde Keulse dialect. Dat schepte een band en hij mocht doorlopen!’

Hoe vierden jullie ouders de Bevrijding?
‘De Bevrijding werd uitbundig gevierd. Iedereen wilde weer ‘normaal’ leven. Ze gingen bijvoorbeeld vaak naar de bioscoop. Maar de nagedachtenis blijft in leven. Zo werden er in Keulen stolpersteinen geplaatst voor Ernst, zijn zus Louise en haar dochter Mirjam.’

Erfgoeddrager: David

‘Het verzet vroeg mijn vader of hij wapens in zijn artsenauto wilde vervoeren’

Een beetje te laat omdat ze de weg niet konden vinden, komen David, Duco en Luna van de Dongeschool rennend aan bij Ingeborg Oderwald in Amstelveen. Ze kijken vol bewondering naar de prachtige tekeningen en schetsen die in de centrale hal en in haar woning hangen. Mevrouw Oderwald heeft ze zelf gemaakt. Jassen uit, schoenen uit en lekker op de bank met drinken en een koekje steken ze van wal met de eerste vraag.

Wat merkte u als kind van de Jodenvervolging?
‘Joodse kinderen in mijn klas moesten in de loop van de oorlog onderduiken en verdwenen. Een vriendinnetje uit mijn klas zei op een dag: ‘Ik moet je een geheim vertellen, je zult me nooit meer zien’. Ik wilde niet geloven dat ze zomaar wegging. De volgende dag was ze niet meer in de klas. Ik denk dat ze is gaan onderduiken. Eén keer nog zag ik haar lopen met een vrouw. Ik wilde blij roepen: hee, ik zie je wel, maar we voelden ons allebei ongemakkelijk. Ze zag me wel, maar durfde me niet te groeten. Ze liep met die vrouw het hoekje om en ik bleef haar nakijken en toen zwaaide ze even.

Een ander vriendinnetje vroeg ik eens of ze mee ging zwemmen, maar ze antwoordde: ‘Ik ga niet mee zwemmen, ga jij maar naar je rotzwembad’. Ik snapte niet waarom ze dat zei maar toen ik bij het zwembad kwam, zag ik een groot bord: voor Joden verboden. En toen begreep ik het.’

Merkte u iets van het verzet?
‘Mijn vader was arts en moest in de oorlog van de Duitsers met alle artsen in een ‘ärtzekammer’. Een groot aantal artsen heeft gezamenlijk heel succesvol verzet gevoerd. Ze weigerden en besloten dan maar geen dokter meer te zijn, en haalden van het bordje voor de deur het woord ‘Arts’ weg. Dus dan stond er ‘Dr Jansen, oog’, met het woord arts afgeplakt. Mijn broertje en ik vonden dat heel grappig en gingen de hele stad door om naar de bordjes op de deuren van artsen te kijken. Onze vader had ook zijn bordje afgeplakt, maar hij kon wel blijven werken. De Duitsers waren heel bang voor ziektes, dus dokters waren nodig. Mijn vader is ook geregeld door het verzet gevraagd of hij wapens in zijn artsenauto wilde vervoeren. Ze vroegen hem bijvoorbeeld als ze met wapens de pont over moesten, want mijn vader werd in zijn artsenauto van de GG&GD niet gecontroleerd. Mijn vader was ook weleens een paar dagen weg. Maar ik wist toen niet waarom want ik was nog een kind, dus ik had het niet echt door dat mijn vader meewerkte aan het verzet.’

Merkte u iets van de Hongerwinter?
‘Later in de oorlog hadden heel weinig te eten en iedereen was broodmager. Ik weet nog dat ik in een veld met madeliefjes zat en daar alle gele hartjes van de madeliefjes ging eten. Die zagen er zo lekker uit, het leek op de binnenkant van een lekker eitje. Ook probeerde ik bladeren van een struik maar die waren zo scherp dat ik moest overgeven. Bij ons thuis kwamen ook kinderen die aanbelden en bedelden voor eten. Hun moeder stond dan een stukje verderop te wachten. In de Hongerwinter hadden wij thuis ook niet genoeg en mijn vader en moeder hebben toen hun twee middelste kinderen, mijn broer en mij, naar Schagen meegestuurd met mensen die op hongertocht gingen. We gingen er op de fiets heen, om de beurt een uur, op een fiets met loodzware banden zonder lucht. Daar konden we blijven, mijn broer op een boerderij en ik bij de dorpsdokter. In het dorp en in de buurt waren nog veel meer Amsterdamse hongerlijertjes zoals wij, die opgevangen werden.’

Kunt u zich de bevrijding herinneren?
‘Ik weet nog hoe blij ik was en dacht: ik ben vrij, ik ben vrij, ik mag weer naar huis naar Amsterdam. Ik mag weer naar school en ik ga mijn vader en moeder en andere broertjes weer zien. In Schagen speelde een fanfare en wij liepen erachteraan met vlaggetjes. Ik was toen dagenlang zo opgewonden dat ik niet meer kon slapen. Tot ik dacht: ik ga niet meer achter de fanfare aan, ik ga tekenen. Ik tekende en tekende… een tekening met alles van de Bevrijding er op: een mof, een Canadees in een auto, vlaggetjes, collecterende dames, een ondergrondse met blauw overall. Ik werd na al die opwinding als het ware afgewonden. Vanaf toen wist ik: dit wil ik, en ben ik altijd blijven tekenen. Later heb ik van een klassenfoto van kort voor de oorlog een ets gemaakt. En toen nog een met van de Joodse kinderen die er op een dag niet meer waren, alleen de silhouetten. Die ets is in het Rijksmuseum. Mijn vader vond het in het begin niet zo’n goed idee dat ik kunstenaar wilde worden. Hij vond dat als je kon leren je ook moest leren, dus ging ik studeren. Maar later begreep hij: een kunstenaar word je niet, een kunstenaar ben je.’

Erfgoeddrager: David

‘Toen ik haar weer zag, stond er een klein vermagerd vrouwtje’

Tim, David en Floris van OBS Corantijn in Amsterdam-West gaan op bezoek bij mevrouw Marian Smook. Mevrouw Smook ontvangt ons in een ruime flat vlak bij het WG-terrein. Het is snel duidelijk dat ze olifantjes verzamelt, want haar hele kast staat er vol mee. Mevrouw Smook is een goede verteller.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was 7 jaar oud. Er kwamen vliegtuigen heel laag overvliegen en op de radio hoorde je heel opgewonden stemmen. Mijn moeder zei dat we doodstil moesten blijven zitten en niet bij de ramen mochten komen.’

Was u bang in de oorlog?
‘Mijn moeder was Joods en eigenlijk ben ik dat door de oorlog te weten gekomen, want er werd nooit over gepraat. Mijn moeder moest een ster dragen, mijn vader was niet Joods, maar hij is in het begin van de oorlog bij mijn moeder weggegaan en bij een andere vrouw gaan wonen. Daardoor was mijn moeder onbeschermd. Ze mocht niet op straat en niet in winkels, dus dat moest ik allemaal doen. We hadden geen geld. Mijn moeder had heel veel potjes met kruiden. Dus toen deed ze de kruiden in kleine dubbelgevouwen papiertjes en dan ging ze ‘s avonds in het donker de kruiden proberen te verkopen in cafés waar de NBS’ers en Duitsers zaten. Dan droeg ze niet de jas met de ster erop. Ik wist dat dat ongelooflijk gevaarlijk was. Ik ging nooit naar bed voordat mijn moeder thuis was, ik moest heel zeker weten dat ze er was.’

Kon uw moeder wel aan geld komen voor eten?
‘We hadden enorme honger, we waren lopende ribbenkastjes geworden. Toen heeft het hoofd van de Montessorischool geregeld dat wij mee mochten op een boot naar het platteland. Daar was nog wel een beetje eten. Op een donkere novemberavond in 1944 heeft mijn moeder ons naar het IJ gebracht. Daar lag een platte dekschuit. Mijn moeder stond ons uit te zwaaien. Ik wist dat ik haar misschien nooit meer terug zou zien. Er lag een dikke laag stro op die bodem, we gingen zitten en we kregen een droge homp brood. Het was net of het een taartje was, zo’n honger hadden we. Door het donker zijn we over het IJsselmeer gegaan. Daarna zijn we uitgeladen alsof we spullen waren. We kwamen in een gebouw, daar lag op de zolder een laagje stro en de volgende morgen werden we met auto’s naar Ommen gebracht. Dat is een klein stadje. Ze brachten ons naar een school en daar lag weer stro op de vloer. En om de beurten kwamen de bewoners van Ommen naar dat schoolgebouw toe om een kind uit te zoeken, alsof we konijntjes waren.
Mijn zusje werd heel snel gekozen door twee ongetrouwde vrouwen, die zelf geen kinderen hadden. Ik werd ook uitgekozen, maar mijn broertje niet. Ik hoorde mensen praten dat hij naar een andere stad moest, maar dat kon niet, want ik voelde mij verantwoordelijk voor hem. Ik heb hem met twee handen vastgepakt en heb staan huilen en staan gillen, maar ik kreeg op m’n kop. Ik moest toch dankbaar zijn dat mensen mij eten wilden geven, ik moest niet zo’n lawaai maken. Op een bepaald moment ging de deur open en kwam een hele grote man binnen met het uniform van een postbode en die zei: ‘Wat is hier aan de hand?’. Ik vertelde met tranen mijn verhaal. Toen zei hij: ‘Ik ga jouw broertje meenemen en je mag elke dag komen kijken of het goed met hem gaat.’

Wat gebeurde er toen de oorlog voorbij was?
Uiteindelijk waren we bevrijd. Maar ik wist niet waar mijn moeder was. Ik had nooit een briefje of een kaartje van haar gekregen, want ze kon niks op de post doen. Niemand mocht weten waar ze was. Mijn moeder was een mooie joodse vrouw met donker haar en prachtige krullen. Toen ik haar weer zag, stond er een klein vermagerd vrouwtje met grijs haar en heel veel rimpels in haar gezicht, ik schaamde me voor haar.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892