Erfgoeddrager: Cas

‘Ik heb me hier nooit gediscrimineerd gevoeld, mensen waren eerder nieuwsgierig’

Een beetje spannend vinden Boaz, Cas en Zoë van basisschool de Talisman in Eindhoven het wel als ze met hun interviewvragen aanbellen bij het huis van Evelyne Marti. Zij begroet de kinderen hartelijk en nadat ze drinken en wat lekkers hebben gekregen starten ze het interview. Mevrouw Marti werd geboren op 8 maart 1952 op Curaçao. Ze groeide daar op samen met haar ouders, twee zussen en twee broers. Haar vader werkte bij de Shell en haar moeder zorgde voor het gezin.

Hoe was het voor u om met vijf kinderen in huis op te groeien?
‘Ik kom uit een gezin met vijf kinderen, en wij hadden het thuis niet breed. Mijn vader vertrok en betaalde geen alimentatie, waardoor mijn moeder alleen voor ons moest zorgen. Zij werkte heel hard, eerst in de huishouding en later in een winkel waar gordijnen werden genaaid. Ondanks dat we weinig geld hadden, wist mijn moeder ervoor te zorgen dat we er netjes uitzagen, vaak in jurkjes die ze zelf maakte van restjes stof.’

Hoe vond u het dat u op school geen Papiaments mocht spreken?
‘Wij moesten op school verplicht Nederlands spreken, zelfs op het schoolplein. Als je Papiaments sprak en werd betrapt, kreeg je straf. Pas later is het Papiaments, onze eigen taal, op school ingevoerd. Het duurde lang voordat onze taal officieel werd erkend. Toen voelde ik daar niet veel bij, maar later besefte ik hoe vreemd en oneerlijk dat eigenlijk was. Het liet duidelijk zien dat Curaçao een kolonie van Nederland was, want alles draaide om de Nederlandse taal.’

Heeft u ooit discriminatie ervaren toen u in Nederland ging studeren?
‘Toen ik in 1970 in Groningen ging studeren, waren wij als Antilliaanse studenten een bezienswaardigheid. Ik heb me in al die jaren in Nederland nooit gediscrimineerd gevoeld. Mensen waren eerder nieuwsgierig. In Groningen werkte ik ook naast mijn studie. Mijn eerste bijbaan was in een fabriek waar we wortels schoonmaakten. Mensen hadden mijn huidskleur daar nog nooit gezien. Ik herinner me dat iemand eens vroeg of hij mij even mocht aanraken, omdat hij nog nooit iemand van mijn kleur had gezien. Het was geen belediging, maar pure nieuwsgierigheid.’

Wat maakte het meeste indruk op u in uw leven?
‘De armoede waarin wij leefden en hoe hard mijn moeder werkte om ons groot te brengen, heeft veel indruk gemaakt. Ook het koloniale stempel, verplicht Nederlands spreken en het verschil tussen wit en zwart, heeft mijn identiteit gevormd. Later leerde ik dat mijn taal, mijn opvoeding en zelfs hoe mensen naar mijn haar keken, allemaal beïnvloed zijn door dat verleden.’

Wat wilt u dat wij onthouden van uw verhaal?
‘Dat het belangrijk is om trots te zijn op je achtergrond, ondanks moeilijke omstandigheden. En dat het koloniale verleden invloed heeft gehad op ons leven, zelfs op hoe we onszelf zagen. Maar je kunt, met doorzettingsvermogen en studie, je eigen weg vinden, net zoals ik dat heb gedaan.’

Erfgoeddrager: Cas

‘Ouders zijn in Marokko heilig en kinderen luisteren naar hun ouders’

Oscar, Amelie, Cas en Tex mogen vandaag op bezoek bij iemand die niet in Nederland is geboren. Ze zijn welkom bij Souad Ber (de eerste vraag van Amelie is ‘hoe spreekt u uw naam uit?’), een lieve vrouw en moeder van 66 jaar die op 42-jarige leeftijd vanuit Marokko naar Nederland is gekomen om met haar man en dochter herenigd te worden. Haar huis laat haar liefde voor Vincent van Gogh zien.

Hoe heeft u uw man leren kennen?
‘Mijn man had in Nederland carrière gemaakt in de boekhouding. Toen hij naar Marokko ging om erachter te komen of hij daar zijn toekomst wilde opbouwen, kreeg hij Arabische les van mij. Zo leerden wij elkaar kennen. We hadden elkaar nog nooit eerder gezien, maar we bleken neef en nicht van elkaar te zijn.’

Was het een moeilijke keuze om naar Nederland te gaan?
‘Mijn man had wel werk, maar hij kon zijn beroep niet goed uitoefenen in Marokko en merkte dat hij heel graag naar Nederland terug wilde. Eigenlijk wilde ik helemaal niet naar Nederland. Maar mijn vader stond aan de kant van mijn man en wees me erop dat een huwelijk ‘in goede en slechte tijden’ was, en dat ik maar mee naar Nederland moest gaan. Af en toe ga ik nog terug naar Marokko, op visite.’

Wat is het grootste verschil tussen Marokko en Nederland?
‘Dat is dat kinderen hier in Nederland zelf fouten mogen maken in plaats van proberen helemaal geen fouten te maken. Ouders zijn in Marokko heilig en kinderen luisteren naar hun ouders. Hier krijgen de kinderen veel meer vrijheid en dus ook om fouten te maken. En ik vind het heel fijn dat de mensen in Nederland duidelijk zijn en zeggen wat ze bedoelen. In Marokko vinden ze dat een stuk lastiger. Je praat er altijd met respect.’

Erfgoeddrager: Cas

‘De volgende dag hoorde ik dat er vijf schoolvriendjes dood waren’

Mimi, Saar, Wout en Cas van basisschool de Hasselbraam gaan op bezoek bij de 92-jarige Bernard van de Moosdijk om hem te interviewen over zijn jeugd in de oorlog. Hij was 12 toen de oorlog eindigde, ongeveer de leeftijd van de leerlingen nu. Dat maakt best veel indruk op ze, ze zijn er even stil van. Als meneer Van de Moosdijk vertelt over zijn vrienden die aan de Biesterweg in Eindhoven zaten tijdens het bombardement, wordt hij heel emotioneel. Wat er toen gebeurde, heeft hem enorm geraakt en verdriet gebracht.

Hoe vond u het toen het eerste luchtalarm afging
‘Als je buiten was, moest je de schuilkelder in, anders kreeg je een bekeuring. Eindhoven had veel schuilkelders in de oorlog. Nestenhutten hadden we ook, een grote hut gemaakt van ijzer waar zand omheen gelegd wordt. Verstoppen thuis mocht ook, onder de trap of in de kelder thuis.’

Woonden er Joden in uw buurt?
‘Wij hadden zelf geen Joden in huis en ook in de buurt waren er geen, behalve bij de buren. Daar waren Joden ondergedoken. Ze moesten altijd binnen blijven, een hel was dat. De Joodse onderduikers betaalden deze mensen voor het onderduiken. Die konden van dat geld eten kopen en kleding. De Joodse onderduikers hebben de oorlog overleefd.’

Kende u mensen die in het verzet zaten?
‘Mijn vader bracht verzetskrantjes rond. Die deed hij tussen de post. Hij had adressen waar hij ze af moest geven. Mijn vader hield ook op een kaart bij hoe de oorlog verliep, dat hoorde hij bij Radio Oranje. De radio hadden we niet ingeleverd, we luisterden stiekem. Mijn zus werkte bij Philips en ze wisten dat wij een radio hadden, dus dat was best gevaarlijk.

Op 4 februari was er staking, de zogenoemde februaristakingen, ook bij Philips. Mensen kwamen massaal uit de fabriek gelopen. Ook mijn zus staakte. Er zijn toen vijf mensen doodgeschoten.

Alle jonge mannen moesten in Duitsland gaan werken. Mijn oudste broer zat in het klooster en als je in het klooster werkte hoefde je niet naar Duitsland. Mijn andere broer moest eigenlijk wel in Duitsland werken. Hij kreeg toen snel een baan in het klooster als boekhouder zodat hij niet weg hoefde.’

Hoe was de bevrijding in september 1944?
‘Iedereen was aan het feesten op de markt, ook op 19 september, de dag na de bevrijding. Ineens was er oranje feestverlichting in de lucht. Dat dachten de mensen… maar het waren lichtkogels. De Amerikanen waarschuwden dat we snel naar huis moesten want het waren lichtkogels. Ik rende naar huis. Ik hoorde overal al bommen vallen.

Alleen de vrouwen waren thuis, ik was de enige jongen, ook mijn vader was er niet. Toen brak de hel los. Er vielen veel veel bommen en er was een enorm lawaai. Er viel een bom in onze tuin. Alle ruiten sprongen uit ons huis… ik was heel bang. We schuilden in de gang. Daarna gingen we naar bed, maar durfden niet boven te slapen. Dus lagen we beneden tegen elkaar aan. Vader kwam midden in de nacht thuis en vertelde aan moeder hoe erg het was onderweg. Veel later kwam mijn broer Eddie ook thuis.

De volgende dag hoorde ik dat er vijf schoolvriendjes dood waren. Er was een bom gevallen op de schuilkelder aan de Biesterweg. Ik was misdienaar bij de begrafenis. Er waren twee grote massagraven voor alle 41 doden.’

 

Erfgoeddrager: Cas

‘Als het vliegveld ’s nachts werd gebombardeerd, hoefden we niet naar school’

Cas, Mees en Mikki van basisschool de Hasselbraam beginnen een tikje onwennig aan het gesprek met Jan Sprengers, maar dat gaat al snel over. Meneer Sprengers was bijna 3 jaar toen de oorlog begon. Hij praat ogenschijnlijk makkelijk over de oorlog van destijds, en er wordt ook nog gesproken over de oorlogen van nu.

Hoe zag uw gezin eruit?
‘Ik was met mijn vader en moeder en broer, maar die is zes jaar ouder. Wij woonden tijdens de oorlog in Tongelre. Er was toen al een vliegveld in Eindhoven. Als deze ’s nachts werd gebombardeerd, dan hoefden we de dag erna niet naar school. Ik was dus eigenlijk wel blij dat dat vliegveld er was.

Langs het Eindhovens Kanaal was nog helemaal geen bebouwing. Nu had mijn vader gehoord dat daar Canadese soldaten waren en dus gingen wij er samen met mijn tante en nichtjes kijken. Mijn vader kreeg een sigaret van een Canadese soldaat. Dat was voor ons heel bijzonder. Maar vlak daarna werden we beschoten door Duitse soldaten die iets verderop lagen. We renden snel de dijk af om beschutting te zoeken. Mijn tante viel en belandde met haar gezicht in een koeienvlaai. Dat zal ik ook nooit meer vergeten.’

Wat vond u van de NSB?
‘Onze buren waren NSB’ers, maar dat was vooral omdat zij een zoon van 20 jaar hadden. Door NSB’ er te worden, hoefde hun zoon niet naar de werkkampen in Duitsland. We hebben daar verder weinig last van gehad.

Maar het was wel altijd oppassen. Je moest altijd opletten wat je zei. We hebben een paar weken een onderduikster in huis gehad. Ik was toen een jaar of 4, en dat was toch wel gevaarlijk, want als ik als kind daarover zou kletsen met anderen, en de Duitsers zouden er daardoor achter komen, dan kon ik iedereen in gevaar brengen. Dus de onderduikster heeft niet lang in ons huis kunnen zitten.

Toen ik op de kleuterschool zat, kwam er een nieuw jongetje in de klas. Dat was de zoon van de burgemeester van Eindhoven, een NSB’er. Ik wilde niet meer terug naar school, want ik wilde niet naast ‘een stinkende NSB’er’ zitten. Dat had ik anderen over dat jongetje horen zeggen. Daarmee bracht ik mijn moeder in een lastige situatie, want die moest toen gaan uitleggen waarom ik niet meer naar school wilde.’

Heeft u ook mooie herinneringen aan de oorlog?
‘Het mooiste wat ik gezien heb van de oorlog was toch wel de bevrijding, op 18 september 1944. Eindhoven had nog geen hoge gebouwen, alleen een paar kerktorens. En het was prachtig weer, net als nu. Bij Best en Son hing de hele lucht vol met vliegtuigen, gliders en parachutisten. Ik heb de hele dag in de dakgoot gezeten met uitzicht op hele luchtlanding. Dat was echt spectaculair.

En de volgende dag kwam het leger vanuit België via Valkenswaard door Eindhoven getrokken. Dat was ook heel spannend om mee te maken. Dat was ook de eerste keer dat ik Canadese soldaten zag en hoorde praten. Het was opnieuw mooi weer en ik heb met mijn ouders de hele dag langs de Aalsterweg gestaan met vlaggetjes.

Toen we eenmaal thuis waren, hoorden we knallen. Mijn moeder dacht nog dat het vuurwerk zou zijn, maar het bleken fosforbommen van de Duitsers te zijn. Daarmee maakten ze licht en zo konden ze beter zien waar ze moesten bombarderen. Ik ben samen met mijn ouders onder de trap gaan schuilen, want een trap is heel sterk en overleeft bijna altijd een bombardement.’

Erfgoeddrager: Cas

‘Als het luchtalarm ging, openden mensen gewoon de deur voor je’

Het is een prachtige dag als Mila, Jordan, Nika en Cas naar Wil Dorrestein lopen. De leerlingen van de Kennemerpoort in Alkmaar rennen vrolijk naar boven. Na drie trappen roept mevrouw Dorrestein ze terug: ‘Hier is het!’ Ze komen binnen in een ruim en licht appartement. Haar dochter is er ook en biedt iedereen wat te drinken aan.

Hoe woonde u in de oorlog?
‘Ik woonde in de Landsstraat 2 met twee broers en mijn ouders. We hadden een fiets in de kamer staan zodat we licht konden maken want we hadden geen elektriciteit meer. Door te trappen maakte mijn broer licht, maar je moest wel blijven trappen… We hadden een houtkachel, een soort haard, waarmee we ons warm hielden.

Mijn vader werkte in de gasfabriek waar ze kolen maakten en kon dus makkelijk aan kolen komen. Hij nam wel eens een zakje mee. Dat mocht natuurlijk eigenlijk niet. Maar omdat hij telkens stiekem zakjes kolen meebracht, hadden wij het een beetje warm tijdens de strenge winter van 1944. We hadden ook een klein kacheltje in de schuur, dat we ‘de vuurduvel’ noemden. Daarop warmden we het eten op. Ook hadden we een radio, waarmee we stiekem naar radio Oranje vanuit Engeland luisterde.

Vlakbij ons was een barakkenkamp neergezet waarin eerst de Nederlandse soldaten verbleven en later de Duitsers. Dat waren een soort opgezette bunkers waar je binnen kon komen via een poort.’

Wat deed u in de oorlog?
‘Ik speelde buiten en ging natuurlijk ook naar school. Maar dat was maar een paar uurtjes want je moest de school delen met andere klassen, dus na ons kwam er weer een andere klas. Na school knikkerden we, gingen we touwtje springen en als het sneeuwde speelden we heerlijk in de sneeuw.

Oh ja, en ik heb in de oorlog fietsen geleerd van mijn buurmeisje, op een fiets met houten banden. Er waren toen geen fietsen met luchtbanden meer. Iedere avond oefende ik.’

Wat deed u tijdens een luchtalarm?
‘Soms liep ik op straat en ging ineens het luchtalarm af. Dat was heel eng. Je moest zorgen dat je jezelf in veiligheid bracht. Mensen deden gelukkig hun deur voor je open en zeiden ‘kom maar binnen!’ Soms hoorde ik bommen vallen. Ik herinner me een bom die viel op de Oude Gracht, hier vlakbij. ‘s Nachts kwamen de vliegtuigen uit Engeland vandaan en dan lieten ze hun bommen los, af en toe werd er een vliegtuig neergeschoten. Ik lag dan in mijn bed en kon niet slapen van alle lichten van die vliegtuigen en de herrie van die motoren en het gezoem, zoem zoemmm…’

Hoe was de Hongerwinter?
‘Wij hadden genoeg te eten, maar het was niet altijd lekker. We aten suikerbieten en vissoep. In de Vondelstraat werden twee keer week potten met eten neergezet. Met een strippenkaart met bonnen en een pannetje kon je dan eten halen. Soms at ik ook iets lekkers. In een schuurtje was een klein fabriekje waar van suikerbieten stroop werd gemaakt. Daar ging ik dan heen met een pot om stroop te halen, heerlijk!

Er waren ook mensen die uit Amsterdam en Den Haag kwamen lopen met een handkar om eten hier in de buurt te zoeken, zoals bijvoorbeeld graan om brood van te maken. Ik herinner me twee jongens uit Den Haag die mijn broer had gevonden op straat; hij nam ze mee naar ons huis en wij gaven ze te eten. Daarna gingen ze door naar de Schermer naar het boerenland, want daar was eten en melk. Later hoorde ik dat een van hen op de terugweg naar Den Haag was opgepakt en dat al hun eten en melk in beslag was genomen. Dat gebeurde regelmatig, vreselijk.’

Hoe was de Bevrijding voor u?
‘Dat was een feest. Op mijn tiende verjaardag stonden we hier op de Straatweg en kwamen ze vanaf Heiloo met grote tanks de stad inrijden. Je mocht ook op de tanks zitten. Ik weet nog dat ik een speciaal oranje rokje aan had. Er waren die week voedseldroppings in Bergen, waarbij allemaal eten naar beneden werd gegooid. Dat werd dan verdeeld over winkels waar je dan weer eten kon halen; muesli, eierpoeder, melk, witte brood; alles smaakte naar gebakjes, zo lekker.’

 

Erfgoeddrager: Cas

‘Mijn overgrootvader had het niet veel beter dan de slaven die net vrij waren’

Als Cas, Roan en Merijn basisschool ’t Karregat in Eindhoven om zich heen kijken in de woning van Prem Dihal worden ze direct nieuwsgierig. Wat zijn al die potten? Komen die uit Suriname waar meneer Dihal in 1954 geboren werd? En al die oude instrumenten, waar komen die vandaan? Zijn ze uit Suriname, of juist van zijn tijd in Nederland die in 1972 begon?

Hoe was het om op te groeien in Suriname?
‘Mijn overgrootvader kwam als arbeider naar Suriname. Hij had het nauwelijks beter dan de slaven die net vrij waren. Ze werden geronseld als arbeiders, toen ze op de vlucht waren voor de pest in India. De mensen in India werden met mooie beloftes overgehaald om op een maandenlange reis naar Suriname te gaan. Het loon was slecht en ze zochten altijd naar manieren om de arbeiders te straffen en nog minder te betalen. Toch gingen de meeste aan het einde van hun contract niet terug! Mijn overgrootvader was ondernemend. Hij spaarde geld en kocht grond waarop hij wat gewassen kon verbouwen. Mijn overgrootoma kocht een naaimachine en deed daarmee verstelwerk om geld te verdienen. Mijn opa bouwde het werk van zijn vader uit en verbouwde groente en fruit die hij verkocht aan instellingen, zoals ziekenhuizen. Mijn vader ging weer verder met het bedrijf en opende een winkel. We hadden het daardoor goed als gezin. Mijn jeugd in Suriname was goed.’

Wat zijn uw fijnste herinneringen uit Suriname?
‘Als ik aan Suriname denk, dan denk ik vooral aan de vrijheid die ik daar had. We waren niet arm, ik zat op goede scholen. Ik kon veel sporten (voetbal en volleybal) en kattenkwaad uithalen. Ik zal jullie daar een verhaal van vertellen. We hadden mangobomen waar een groep jongens altijd uit wilde stelen. Niet alleen de rijpe, maar ook de onrijpe mango’s werden geplukt. Dat moest stoppen. We hebben ons een keer verstopt en toen de jongens in onze boom zaten, hebben wij ze opgewacht en flink klappen gegeven. Daarna bonden we ze vast aan de boom. We stonden klaar om ze een klein stroomstootje te geven met de draadjes van de bougie van een brommer. De vader van die jongen kwam later met grote stok verhaal halen. Ik ga naar de politie, zei hij. Dat moet je doen, zei mijn vader, want uw zoon is een dief. Daarna vertrok hij, maar naar de politie ging hij niet. Nog altijd moet ik lachen om dit verhaal. Dat we dat durfden!’

Wat heeft u meegemaakt en merkt u nu nog door uw verleden?
‘Toen ik in Suriname woonde, kende ik uiteraard blanke Nederlanders. Dit waren ondernemende mensen, avonturiers. Ik dacht dat alle Nederlanders zo waren. Toen ik op mijn 18de in Leiden ging wonen om farmacie te studeren, leerde ik snel dat het helemaal niet zo was dat alle Nederlanders avontuurlijke ondernemers waren. Ik heb zeker zelf ook discriminatie mee gemaakt. Van slaan en agressie, omdat ze je bijvoorbeeld lelijk vinden. Maar ook bijvoorbeeld dat jonge kinderen denken dat ik zwarte piet ben, zelfs nu ik 69 ben en grijze haren heb! Die kinderen kunnen er niets aan doen, die weten niet beter, maar ik ben blij dat er de laatste jaren echt anders naar dit feest wordt gekeken. Ook in Suriname vierden we Sinterklaas. Dat hadden de Nederlanders naar Suriname meegenomen, maar bij iedere overgang gaat er iets verloren. Pas in Nederland ontdekte ik dat ik de essentie van gedichtjes en surprises helemaal niet kende, dat heb ik hier geleerd. In India heb ik nooit gewoond, maar als ik daar ben, dan voel ik me ook direct thuis. Ik spreek de taal, ken de muziek en vier de godsdienst. Het land is me heel eigen. Mijn overgrootoma heeft de cultuur van India mee naar Suriname genomen en die herken ik nog altijd als de mijne.’

Erfgoeddrager: Cas

‘Het engste was dat er 20 meter van mijn bed een vliegtuig neerstortte’

Wel zes leerlingen van de Willem-Alexanderschool in Bergen gaan Jaap Staadegaard interviewen. Dat vindt hij geen probleem. Na wat geharrewar over wie er zal beginnen en welke vragen er gesteld gaan worden, schuiven de interviewers bij hem aan. Meneer Staadegaard heeft plattegronden bij zich van waar hij woonde en waar een vliegtuig pal naast zijn huis neerstortte. Dante, Eline, Alec, Viggo, Bodhi, Cas en Lucas zijn er klaar voor.

Hoe was het begin van de oorlog?
‘Dat was heel eng. ‘s Nachts werden we wakker van de bombardementen op het vliegveld in Bergen. We schrokken van laag overvliegende vliegtuigen en luchtdoelgeschiet en we zagen vanuit het raam een lucht vol donkere wolken van de bombardementen.

Ik had zeven broers en zussen. Mijn broers waren ouder dan ik, ik was zeven jaar toen de oorlog begon. Zij waren bang om opgepakt te worden om te moeten gaan werken in Duitsland. Daarom doken ze bij ons thuis onder. Mijn ouders hadden achter en voor ons huis schuilplaatsen gemaakt, zoals een deel van de boerderij dat gesloopt was en waar een kelder onder was die wel kon worden gebruikt.

Mijn vader was boer en werkte bij de nonnen, daar zorgde hij voor de koeien. Thuis hadden we ook koeien dus we hadden altijd genoeg melk en ruilden dat ook voor andere dingen.’

Wat was het engste dat u meemaakte?
‘Het engste was dat er 20 meter van mijn bed een vliegtuig neerstortte. De vliegtuigen vlogen laag over ons huis heen en deze stortte pal naast ons neer, precies tussen vier woningen. Er zaten zes piloten in, van wie er drie dood waren. Twee kwamen er bij ons aan de voordeur en vroegen of we ze konden helpen. Mijn moeder durfde ze niet binnen te laten omdat ze bang was. Later kwamen de Duitse soldaten ze ophalen en werden ze opgepakt.’

Heeft u wel eens beschietingen meegemaakt?
‘Treinen waren vaak het doelwit van geallieerde vliegtuigen. De tram Bello (tussen Alkmaar en Bergen aan Zee) werd op een keer beschoten door een jachtvliegtuig, terwijl mijn vader en ik bieten aan het uitdunnen waren naast de trambaan. We zochten dekking om niet geraakt te worden.’

Zijn er mensen in uw omgeving opgepakt?
‘Ik had een overbuurjongen die ouder was dan ik en die samen met een vriend zorgde voor wapens voor mensen die ondergedoken waren of in het verzet zaten. Op een keer kwamen ze met z’n tweeën aanrijden op de motor. Het was een strenge winter met veel sneeuw. Wij wilden sneeuwballen naar ze gooien, toen ze riepen: ‘Wegwezen, niet gooien, de moffen zitten achter ons aan!’ Een stukje verderop zijn die twee opgepakt en een van hen is doodgeschoten. De ander heeft een jaar in de gevangenis gezeten omdat hij wapens had.’

Kende u NSB’ers?
‘Ik had een oom die NSB’er was en een zoon had die een belangrijke militair was bij de Duitsers. Mijn vader was heel bang voor hen en wij probeerden ze te ontwijken. In mijn klas zat ook een jongen, Frits de Groots, van wie de ouders NSB’ er waren. Mijn ouders waarschuwden ons: ‘Denk erom, je moet niet hem omgaan!’

Omdat we geen kranten hadden, kwamen de Engelsen met een vliegtuig folders met nieuws rondstrooien. Ik dacht: weet je wat, ik neem wat folders mee naar school en geef ze aan mijn vriendjes. Maar Frits de Groots vertelde het aan zijn vader en toen kwam er een hoge militair bij ons op school en moesten wij mee naar de Eeuwigelaan, naar de Ortz-commandant, en werden we streng toegesproken. Hij kon ons niet gevangennemen, daarvoor waren we te jong, maar voor straf moesten wij konijnenstammen zoeken voor zijn konijnen. Mijn vader en met name mijn moeder was doodsbang dat wij razzia’s kregen om te kijken of er nog meer folders waren, dus mijn moeder heeft alles verbrand.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘Er kwamen allemaal mensen uit de grote steden, zoals Amsterdam en Alkmaar, met oude kinderwagens langs de boerderijen om te vragen om eten. Ook bij ons vroegen ze of we eten voor ze hadden, dus we hebben wel mensen geholpen.

Mensen kregen voedselbonnen, maar dat was niet genoeg. We hadden ook geen graan en konden geen brood bakken. Wij gingen daarom aren zoeken. De aren sloegen we dan kapot zodat er graan uitkwam en dat maalden we dan weer in de koffiemachine tot meel. We kregen ook bonnen voor klompen. Schoenen waren er niet, dus we liepen op klompen. Naar school was het een half uur lopen op die klompen… daar kreeg je blaren van.’

Erfgoeddrager: Cas

‘We zagen dat ze op het vliegveld van Bergen alles lieten ontploffen’

Annie Stoop doet de deur open. Viggo, Bodhi, Cas en Lucas stellen zich netjes voor en doen zelfs de schoenen uit omdat het zulk slecht weer is. De leerlingen van de Willem-Alexanderschool in Bergen gaan zitten in de woonkamer. Mevrouw Stoop zegt benieuwd te zijn naar de vragen die ze hebben, en biedt ze een glas sap aan met een biscuitje uit een bijzonder trommeltje. Dit trommeltje komt namelijk nog uit de oorlog. Mevrouw Stoop begint dan te vertellen over deze periode. Ze was 10 jaar toen de oorlog begon.

Hoe was het in Bergen aan het begin van de oorlog?
‘Alle jongens moesten in dienst en niemand kon meer naar school; de grote vakantie duurde op die manier wel heel lang! Wij woonden op de Loudelsweg, tegenover de Roland Holstschool. Wij hadden ook een zomerhuis en daar verbleven mensen toen de oorlog uitbrak. Van hen kreeg mijn moeder dit trommeltje met koekjes. Ik liep met het trommeltje en liet het natuurlijk vallen! Alle koekjes gebroken… Dit trommeltje staat voor mij symbool voor het begin van de oorlog.’

Hoe begon de oorlog voor u?
‘s Nacht hoorden we ineens bomen vallen op het vliegveld. Mijn vader zei: ‘En nu is het oorlog’. De hele oorlog gingen de bombardementen door. Ik zat op de lagere school toen de oorlog begon en later ging ik naar de mulo in Alkmaar. Iedere dag moest ik helemaal op de fiets, langs het vliegveld, en dan zagen we vliegtuigen overkomen. Op school zagen we dan vaak de bommen op het vliegveld vallen. Maar ‘s middags fietste ik toch weer langs dat vliegveld naar huis. Nu denk ik: dat we dat durfden… Maar het leven gaat gewoon door, ook in een oorlog.’

Was er genoeg te eten?
‘In het begin was er nog wel genoeg te eten maar dat werd minder en minder. Alles ging op de bon. Hier in Bergen had je een distributiekantoor naast De Pilaren, waar ze voedselbonnen uitdeelden. Je kreeg een bonnenkaart per persoon. Met een bonnetje kon je bijvoorbeeld boter kopen, of eens per week een brood en wat vlees. Maar het was geen luxe.’

Iedereen moest weg uit Bergen, maar jullie mochten blijven. Waarom?
‘Alleen de mensen die noodzakelijk waren, zoals bakkers en slagers, mochten blijven. Alle scholen, huizen en het vliegveld kwamen vol met Duitsers. Wij mochten blijven omdat mijn vader timmerman was en een eigen zaak had. De bakker bakte dus met name voor de Duitse soldaten; ik zag hem geregeld met heerlijke gebakjes naar de Duitsers gaan, maar wij kregen amper brood. In de vreselijk koude winter kwamen ze ook met grote wagens met kolen voor de Duitsers. Sommige kooltjes vielen eraf en bleven liggen op de straat. Als ze dan wegwaren, raapte mijn moeder de kooltjes op. Een keer kwam er meteen zo’n Duitse soldaat op haar af, die zei dat we hun kooltjes stalen.’

Uiteindelijk moesten jullie ook weg. Hoe was dat?
‘Op een dag kwam er iemand bij ons langs die zei: jullie moeten weggaan want vanavond gaan ze bommen gooien. En jullie wonen naast een munitiedepot. Toen zijn we met zijn drieën en buren op de fiets naar Krabbedam gegaan. Mijn moeder kon niet fietsen en zat bij de buurman voorop. De volgende dag zagen we dat ze op het vliegveld alles lieten ontploffen, het was een enorm lawaai! Dat was de dag dat de geallieerden landden: D-Day.

Daarna moesten we allemaal weg uit Bergen. Maar waar moest iedereen naartoe? Je moest je huis achterlaten en de sleutel geven aan de Duitse soldaten en maar zien hoe je een dak boven je hoofd kreeg. Wij zijn toen in Amsterdam-Noord terechtgekomen bij familie. Maar stel je voor dat je geen familie had?

Wat voedsel betreft was het verschrikkelijk slecht in Amsterdam. Mijn moeder was niet zo sterk en mijn vader kon het geestelijk niet verwerken dat hij zijn huis uit moest en zijn zaak op moest geven. Daarom ging ik, als 15-jarige, regelmatig mee met een oom van mij op de fiets met allemaal geplakte banden naar Bovenkarspel. Dan probeerden we spullen die we hadden te ruilen voor eten. Dat was wel 60 km fietsen…

Op de terugweg reden we een keer door Hoorn langs vroegere buren. Het was heel koud. De buren vonden dat ik daar moest blijven slapen omdat het weer te slecht was. Mijn oom reed door en al het eten dat hij op zijn bakfiets had, hebben de Duitse soldaten toen gestolen van hem. We hadden dus uiteindelijk niets. De volgende dag ging ik zelf terug naar Amsterdam. Ik hield zo van witlof en toen zag ik langs de weg allemaal kisten witlof staan. Ik vroeg aan de tuinder of ik een pondje witlof mocht. Ik heb centjes, zei ik. Maar ik kreeg het niet; hij wilde geen geld, hij wilde alleen ruilen.

Het was verschrikkelijk koud en was er geen hout om te stoken. Achter ons huis was een heel groot bos en mensen gingen daar dan stiekem allemaal bomen omhakken. Mijn vader zaagde die bomen in stukken, zo verdiende hij er nog wat mee.’

Wat ging u doen bij de bevrijding?
‘De Canadezen, onze bevrijders, zouden komen naar de Dam, dus ik ben met een buurmeisje daarheen gegaan; dat wilden we weleens zien! Wij stonden voor het paleis op de Dam, het was heel erg druk, toen ineens Duitse soldaten vanuit een gebouw boven ons begonnen te schieten op de mensen. Een jongen voor mij werd dwars door zijn hoofd geschoten, verschrikkelijk. Dan ben je eindelijk vrij en word je alsnog gedood.’

Erfgoeddrager: Cas

‘Wij dachten: Duitsland moet wel helemaal kapot zijn nu’

In de stromende regen rijden Cas, Noah Vos, Nienke en Julian met de auto naar Frans Busselman. Frans en de fotografe staan hen al op te wachten en iedereen heeft er veel zin in. Frans woonde tijdens de oorlog in Amsterdam en vertelt de kinderen graag over zijn ervaringen. Twee van hen woonden vroeger in Amsterdam, vlak bij waar Frans toen woonde. Ze speelden zelfs op dezelfde pleintjes.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘Eigenlijk begon de oorlog veel eerder dan 1940. Ik zag mijn ouders de jaren daarvoor steeds zorgelijker kijken. En ik hoorde ze dingen zeggen als: “Dat zal toch niet hier komen?” Zij hadden ook al eerder een oorlog meegemaakt, die van 1914-1918, waarin Nederland neutraal bleef. Ze dachten dat dat wel weer zo zou zijn. Maar dat hadden ze mis. Aan het begin van de oorlog rommelde het nog een beetje, Er was nog vlees bij de slager, er was nog brood bij de bakker, je kon nog naar je voetbalclubje. Ik wilde heel graag voetballen, maar je kon pas op voetbal als je twaalf jaar was en ik was pas tien. Ik heb toen gewoon gezegd dat ik twaalf was. Ik was de snelste van iedereen! Aan het einde van de oorlog konden we niet meer trainen, omdat we geen materiaal hadden. We konden geen schoenen meer kopen en liepen daarom vaak op klompen. Daar konden we niet op voetballen.

Waar zat u op school?
‘Ik zat op school aan de rand van de Jordaan. Het was een hele strenge school. Op een dag werd de  hoofdonderwijzer door twee mannen weggehaald. We begrepen er op dat moment niets van. Hij was Joods en werd dus gewoon opgepakt door de Duitse soldaten. Hij heeft de oorlog niet overleefd. Later in de oorlog konden we vaak niet naar school, omdat er bijna geen eten meer was en we op zoek moesten naar eten in de polder. Omdat de tocht te lang was om in één keer te maken – de boeren dichter bij huis hadden al snel niks meer voor ons – sliepen we onderweg in hooibergen. Bij de boeren ruilden we spullen die we hadden voor eten. Ook had je een gaarkeuken waar je met je pannetje naartoe kon. Daar werd het eten verdeeld; iedereen kreeg heel weinig. Je had in die die tijd maar één gedachte; hoe kom je aan eten? We aten bloembollen en suikerbieten. En we hadden nog een probleem: we hadden geen gas en licht. Om licht te krijgen gooiden we in een kommetje een paar druppels lampenolie, wat bleef drijven. Dan deden we daar een pitje in, zoals van een waxinelichtje, en dat staken we dan aan. Bij dat lichtje probeerde ik te lezen.’

Was u bang in de oorlog?
‘In 1941 en 1942 bombardeerden de Engelsen Duitsland. ‘s Nachts vlogen duizenden vliegtuigen over en daar gingen de Duitsers met hun afweergeschut op schieten, bijgelicht door enorme schijnwerpers. Ik kon dan geen oog dicht doen. Je zag flitsen van de schijnwerpers en hoorde het lawaai van de vliegtuigen: boem boem knal shhht. Ik was bang. Stel je voor dat ze een vliegtuig raakten, dan donderde dat op onze huizen! Het werd steeds erger, omdat ook Amerika ging meedoen en het leger in Engeland stationeerde. De Amerikanen vlogen met vliegende forten; zo noemden we die omdat ze zo groot waren. Elke nacht vlogen ze over ons heen. Wij dachten: Duitsland moet wel helemaal kapot zijn nu.’

Wat deed uw moeder in de oorlog?
‘Mijn moeder was kostuumnaaister en maakte van oude kledingstukken nieuwe kleding. Niet alleen voor ons maar ook voor veel andere mensen. De vrouwen waren heel actief in de oorlog. Zij gingen vaak eten halen bij de boeren. Dan trokken ze lange broeken aan, omdat ze dan stiekem eten in de broekspijpen konden doen. Het was in die tijd heel bijzonder, een vrouw in een lange broek. Door het hele land waren controleurs die je aanhielden als ze je zagen fietsen. Dan moest je je tassen laten zien. Je mocht namelijk geen eten halen bij de boeren. Al het eten moest naar de Duitsers. Maar die dames die het in hun broekspijpen hadden verstopt en geen tassen bij zich hadden, die hadden niets, dachten ze.’

Kende u NSB’ers?
‘Bij ons in de straat was een NSB-echtpaar. Hun dochter liep in uniform; een zwart rokje en een schuin petje met rood erin. Als ik als jongen een meisje leuk vond en mijn ouders wisten dat haar ouders NSB’ers waren, kwam ze er niet in. Dat was voor die kinderen vreselijk. Mijn buurmeisje was verliefd op een Duitse soldaat. Zij is na de oorlog kaalgeschoren. Dat is een zwarte bladzijde in de geschiedenis. Mensen die dat deden waren vaak mensen die zelf in de oorlog niets uitgevoerd hadden.’

Hoe was de Bevrijding?
‘Tijdens de Bevrijding was er een groot feest op de Dam. We stonden daar mannetje aan mannetje. Ineens werd er vanuit een gebouw vol Duitsers geschoten op de menigte. Ze schoten niet rechtstreeks op de mensen, maar er brak paniek uit en iedereen rende gillend weg. Mensen vielen, het was echt een puinhoop! Ik kon gelukkig wegkomen.’

Erfgoeddrager: Cas

‘Stelen mag natuurlijk ook niet maar je moest wel overleven’

Frederika de Boer-Blom vertelt aan Teun, Sam, Sophie, Fahad en Cas over de spannende gebeurtenissen die ze meemaakte tijdens de oorlog. Bijvoorbeeld over de dag dat haar broer in prikkeldraad viel en vast kwam te zitten. De leerlingen van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost luisteren aandachtig.

Wat was het engste moment in de oorlog?
‘Er waren heel wat enge momenten in de oorlog… Toen ik eens met mijn broer en moeder bij mijn grootouders sliep, werden we midden in de nacht wakker van een keiharde knal. Wat bleek er nou gebeurd te zijn? Op een weiland in de buurt was een bom gevallen. Gelukkig niet dicht bij een huis en niemand was omgekomen, maar op dat moment was ik wel heel bang.

‘En nog een verhaal… Mijn broer en ik gingen, net als anderen, vaak naar het spoor hierachter want daar reden goederentreinen langs waar we spullen uit wilden stelen. Het gebied was beschermd met prikkeldraad want je mocht daar niet komen. Stelen mag natuurlijk ook niet maar je moest wel overleven. Dus iedereen ging onder het prikkeldraad door om bij de goederentrein te komen. Ook mijn broer deed dat. Allee viel hij in het prikkeldraad en zat vast. Juist op dat moment kwam er een Duitse soldaat op ons aflopen. We moesten met hem mee naar zijn kantoortje. Daar pakte hij een verbanddoos gaf die aan mijn broer en toen mochten we naar huis gaan. Dat was een spannend moment.’

Hoe bent u de Hongerwinter doorgekomen?
‘Wij hadden het geluk dat wij familieleden buiten de stad hadden. Zij woonden op boerderijen en van hen kregen wij aardappelen en groenten. En we kregen voedselbonnen. Zo konden we naar de kruidenier of een andere winkel om boter of melk te kopen. Mijn zusje is geboren in de Hongerwinter en daarom kregen we extra voedselbonnen want mijn moeder moest goed eten en drinken voor mijn zusje. Mijn moeder zei ook altijd dat ons zusje ons leven heeft gered. Bij de bakker kregen wij, de kinderen in de buurt, vaak een bordje pap om aan te sterken. Wij hoefden gelukkig nooit op zoek te gaan naar eten in de containers of afvalpunten. We zochten er wel naar kleding want het was zo koud. Eens deed mijn broer mee met een hardloopwedstrijd en won de eerste prijs. Dat was een zak kolen, en dat was geweldig want zo hadden we een warm huis.’

Hoe ging het verder na de oorlog?
‘Er was heel veel kapotgeschoten, iedereen die kon moest helpen alles weer op te bouwen. Na de oorlog was er ook nog niet iedere dag school want we hadden niet genoeg kolen of hout om te verwarmen. De wederopbouw duurde wel tien jaar.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892