Erfgoeddrager: Ashraf

‘Stiekem naar de achterkant van de gaarkeuken’

Leni en Bert Dekker zijn broer en zus en hebben hun hele leven in de Pijp gewoond. Leni was 7 en Bert was 1 toen de oorlog uitbrak en er waren nog 2 andere kinderen in het gezin. Hun vader werkte bij ‘Die Port van Cleve’, een restaurant dat aan het eind van de oorlog een gaarkeuken was. Ze vertelden dat er veel NSB’ers bij hen in de buurt woonden.

Hoe leefde uw familie in de oorlog?
Bert: “Wij hebben een tijdje met ons zessen bij onze grootouders in Noord gewoond omdat zij een kachel hadden en aan hout konden komen en wij niet. Mijn opa was socialist en een tikje anarchistisch. Er hing in huis een grote foto van Domela Nieuwenhuis en hij had een radio waarmee hij naar Radio Oranje luisterde. Ik luisterde vaak mee, maar dat mocht ik niet verder vertellen.”
Leni: “Als ik uit school kwam, moest ik in de rij staan voor eten, dan stond ik soms vier uur te wachten en dan was het uitverkocht. Als kind werd je weggeduwd door ouderen.”

Had u direct met Duitsers te maken?
Bert: “Een keer stond mijn moeder op het balkon toen er op straat iets grappigs gebeurde waar ze om moest lachen. Daarna kwam de buurvrouw van de overkant aanlopen met twee hele hoge Duitse soldaten die dachten dat ze werden uitgelachen. Een van die Duitsers trok zijn pistool en richtte dat op mijn moeder. Die schrok zich dood en was bang om weggehaald te worden. Beneden ons woonde een vrouw die Duitse kennissen had. Mijn moeder vertelde die buurvrouw dat ze zo bang was dat we weggehaald zouden worden. ‘Oh’, zei die buurvrouw: ‘Dat regel ik wel’. Een uur later kwam ze terug om te zeggen dat mijn moeder zich geen zorgen hoefde te maken. Mijn moeder was zo blij. We hadden in de buurt wel meer mensen die veel met de Duitsers hadden. Over die mensen durfden we niets lelijks te zeggen.”

Hoe bent u aan eten gekomen?
Leni: “Onze vader werkte bij ‘Die Port van Cleve’, dat werd later de Centrale Voedselvoorziening oftewel de gaarkeuken, waar je met bonnen van de gemeente eten kon halen. Ik ging vaak stiekem met mijn emmer naar de Spuistraat, waar de achterkant van de gaarkeuken was. Ik moest er omheen lopen, want de mensen mochten mij niet zien en dan deed mijn vader eten in het emmertje. Mijn moeder wachtte op mij in een zijstraat zodat we weer samen lopend teruggingen naar Noord naar opa en oma. We konden niet terug met de pont, want dan liepen we het risico dat ze in ons emmertje keken en dan moest je het afgeven.”

Erfgoeddrager: Ashraf

‘Verderop woonde een man die bij de NSB zat, maar het waren wel hele goede mensen’

Ali Schepers woont al 84 jaar midden in Floradorp. Wij vinden het heel bijzonder dat ze nog in hetzelfde huis zit als tijdens de oorlog, want zo konden we precies zien waar haar broer zich verstopte tijdens razzia’s. Het is lastig voor te stellen dat in dit huis vroeger maar liefst negen mensen woonden, terwijl ze er nu in haar eentje woont.

Hoe was het in Floradorp tijdens de oorlog?
“Toen ik nog jong was, was het hier ontzettend gezellig. In de buurt woonden allemaal grote gezinnen, met soms wel zeven of acht kinderen. Met al die kinderen speelden we buiten allerlei spelletjes, zoals bokbokberrie of schuilhokkie. Maar tijdens de oorlog veranderde de sfeer. We hadden weinig tijd meer voor buitenspelen want we moesten vooral zorgen dat we aan eten konden komen. Mijn vader had een sigarenwinkeltje aan de Buiksloterdijk. De sigaren maakte hij zelf. In de oorlog kwam dat nog goed van pas. Met een handkar liepen we van Floradorp helemaal naar de Anna Paulownapolder om sigaren te ruilen tegen zakken aardappelen. De boeren namen in deze periode geen geld meer aan, maar sigaren wilden ze wel. Zo konden we toch aan eten komen.”

Kende u mensen die tijdens de oorlog zijn opgepakt?
“Hier in Floradorp woonden veel jongens die ouder dan achttien jaar waren. Zij moesten allemaal naar Duitsland om er te werken voor de Duitsers. Eén razzia staat me nog scherp voor de geest. Op een zondagmorgen werden de jongens uit de buurt door de Duitsers bijeen gebracht in een hofje achter ons huis. De bakker en de slager verderop gingen als de wiedeweerga aan de slag om pakjes met brood en vlees voor ze te maken. Toen werden al die jongens in grote bussen naar Duitsland vervoerd. Mijn broer moest eigenlijk ook mee, maar hij heeft zich verstopt in ons huis. Via een klein luikje achter een kast kwam hij in een kruipruimte terecht. De kruipruimte was niet erg groot, maar hij hoefde zich er gelukkig altijd maar even te verstoppen. Na tien minuten was de kust meestal wel weer veilig.”

Had u vrienden die bij de NSB zaten?
“Verderop woonde een man die bij de NSB zat, maar die was voor de oorlog al lid van die partij. Het was misschien geen vriend van me, maar het waren wel goede mensen. We groetten elkaar altijd op straat. Toen hij en zijn vrouw een kindje kregen, hebben ze veel oude kinderkleertjes gekregen van mensen uit de buurt. Op zijn beurt waarschuwde deze man de jongens in Floradorp als hij wist dat er een razzia zou komen. Ik heb nooit gehoord dat ze iemand hebben verraden.”

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892