Erfgoeddrager: Anissa

‘Hier in het dorpje betekende de oorlog niet zoveel’

Al meteen als Anissa, Damian, Maysam en Maris van de Twiskeschool het huis van Evert van Voorst binnenkomen, is de sfeer ontspannen en gezellig. Meneer Van Voorst is erg vriendelijk. Hij brengt de kinderen naar de eettafel en zodra ze zitten begint hij meteen te vertellen.

Wat heeft op u indruk gemaakt in de oorlog?
‘Boven Tuindorp-Oostzaan waar ik ook in de oorlog woonde, is ooit een vliegtuig beschoten. De piloten zijn toen uit het vliegtuig gesprongen. Eén van hen kwam terecht op de oude Bongerd, waar nu de Cornelis Douwertsweg is, bij de NDSM. Dat was vroeger een oude volkstuin. Duitse soldaten hebben de piloot net zo lang achtervolgd tot ze hem gevangen konden nemen. Vroeger vlogen de vliegtuigen niet zo hoog dus die kon je bij wijze van spreken zelfs met een geweer de lucht uit schieten. In de oorlog zijn ook bommen gevallen op Tuindorp-Oostzaan.’

Hoe was het leven in de oorlog voor u?
‘Voor Tuindorp-Oostzaan betekende de oorlog niet zoveel. We waren nog net Amsterdammers, maar eigenlijk kwamen we niet in de stad. Hier leefden we op het dorpje. De eerste drie jaar gebeurde er ook haast niks. Eigenlijk begon pas de ellende toen er in de Hongerwinter niet genoeg te eten was. Ook na de bevrijding was er nauwelijks voedsel. Het doet nog wel eens pijn als ik terugdenk aan de armoede en honger van toen.’

Erfgoeddrager: Anissa

‘Ik denk dat we ons ondergoed wel een week aan hadden’

Huub Liebrand stond Aniisa, O’Shun, Britta en Nina van de Rosa Boekdrukkerschool op te wachten op zijn balkon. Eenmaal binnen kregen de leerlingen een groot stuk taart en chocolademelk met slagroom! Ook een mapje met uitgeprinte foto’s, dat ze mochten houden, lag klaar. Het interview kon beginnen! Meneer Liebrand had veel te vertellen.

Heeft u familie verloren in de oorlog?
‘Zelf heb ik geen familie verloren. Ik ben na de oorlog getrouwd met een joodse vrouw. Mijn vrouw heeft ook de oorlog meegemaakt en die heeft het na de oorlog altijd heel moeilijk daarmee gehad. Die oorlog heeft zo veel met haar gedaan. Zij heeft zelf in de oorlog onder moeten duiken hier in Amsterdam, waarna ze door de ondergrondse naar Sevenum, in Zuid-Limburg, is gebracht. Haar vader heeft de oorlog gelukkig ook overleefd door onder te duiken. Mijn vrouw had veel foto’s van haar familie en daar zag je al die tantes, ooms en kinderen op. Die zijn allemaal opgepakt en vergast. Daarom ben ik zo ontzettend fel tegen het antisemitisme. Joden hebben het op dit moment nog erg moeilijk in Amsterdam. Die worden door bepaalde mensen uitgescholden, nog steeds! Daarom ben ik heel erg fel tegen discriminatie, tegen wie dan ook. Of je nu jood bent, of moslim, het interesseert me niet, we zijn allemaal mensen. Daarom is oorlog zo afschuwelijk en krankzinnig. Ook al heb ik zelf geen familie verloren, ik ben daar wel mee in aanraking gekomen, omdat veel familieleden van mijn vrouw zijn vermoord.’

Hoe was de hongerwinter?
‘Ik weet wat honger is. Daarom vind ik het afschuwelijk als ik mensen zo nonchalant met eten om zie gaan tegenwoordig. Als de houdbaarheidsdatum van eten verlopen is met 1 of 2 dagen gooien mensen het al weg. Dat is waanzin. Sommige dingen kun je bij wijze van spreken een jaar later nog eten. Dus ik ben daar fel tegen, ik gooi nooit eten weg. Ook brood niet, dan rooster ik het wel. Ik kan me nog goed herinneren dat we tijdens die hongerwinter ’s avonds zonder licht zaten, met de dekens om ons heen tegen de kou. We hadden zo’n honger. Het enige wat mijn moeder had, was een pakje met surrogaatpudding. We deden er water bij, want water was er nog wel. We maakten het klaar op het noodkacheltje. We zaten allemaal om mijn moeder heen en we proefden er van, maar het was niet om te vreten! We zijn maar naar bed gegaan, want het was ook hartstikke koud. Afschuwelijk was het. ’s Nachts werden we wakker van de honger, ook mijn moeder. Toen zijn we toch midden in de nacht die pudding op gaan eten, zo’n honger hadden we.’

Wat deed uw familie om toch aan eten te komen?
‘Alles was op de bon. Alles was schaars. Je moest elke keer in de rij staan om brood te krijgen. Je kreeg heel weinig. Het brood werd ook steeds slechter en slechter. De bakkers kregen geen goed meel meer, dus ze vermaalden het met ander spul. Op het laatst was er helemaal niks meer. Er was geen suiker, geen zout. Mijn vader werkte bij de tram. Hij moest vaak naar de remise toe. In de winter als het glad is, bestrooien ze de straat met pekelzout. Dat doen ze nu nog. In de tramremise lag ook die pekel opgeslagen. Mijn vader heeft daar toen ingebroken en die kwam met zakken met pekel thuis. Dat mocht natuurlijk helemaal niet wat hij had gedaan. In plaats van het gewone zout gebruikten wij dus pekel, wat ze eigenlijk op straat gooiden. Dat was heel bijzonder hoor. We hadden zakken vol en dat verkochten we aan de deuren. De mensen vonden het geweldig.’

Wat voor kleren droeg u in de oorlog?
‘We hadden heel weinig kleren. Ik was nog een kind, dus ik groeide ook snel. De kleding die je had, kon je dus ook maar kort aan. Kleding was haast niet te koop. Mijn moeder was vroeger naaister geweest, in een atelier. Zij kon heel goed naaien. Dan haalde ze bijvoorbeeld van een oude jas alle naden uit elkaar en dan had ze weer losse stukken stof. Die keerde ze om en dan had je weer nieuwe kleding. Het ondergoed kan ik me amper herinneren. Dat zal ook wel niet al te best zijn geweest. Er was geen warm water, geen gas. Ik denk dat we ons ondergoed wel een week aan hadden. Er was niks. Kleding moest je ook met bonnen kopen, dat waren textielbonnen. Er was ook zwarte handel. Dan kon je voor heel veel geld extra bonnen kopen, maar daar hadden wij helemaal geen geld voor.’

                 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892