Aankomst in mijn buurt
‘De openheid in Nederland vind ik heel mooi, ook tussen jongens meisjes’
Halima, Lasse, Thomas ontmoeten Batoul Zouhair
Djelena, Fabienne, Nisa en Ivana van de Klimboom in Eindhoven gaan op bezoek bij Hanne Nordt-Kok (1938). Zij woonde tijdens de oorlog in Hilversum. De kinderen zijn een beetje zenuwachtig voor het interview, maar mevrouw Nordt-Kok heeft gelukkig schaaltjes met koekjes en appelsap klaar staan. Ze nemen plaats in de eetkamer tussen de grote boekenkasten met allemaal atlassen en beginnen het interview.
Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Mijn zus was 7 jaar oud toen de oorlog begon en ik was 2 jaar oud. Ik kan mij daarom van de beginjaren niets meer herinneren, maar wel van daarna. Mijn zus is nu 92 jaar oud en leeft nog, ze is wel een beetje dement. Vanaf mijn vierde begon ik op te merken dat sommige dingen niet klopten. Mijn oom en tante woonden bij ons om de hoek. Mijn oom droeg altijd een uniform en ging heel vaak weg. Hij bleek in Duitse dienst te zijn.
Achteraf heb ik te horen gekregen dat mijn oom na de Eerste Wereldoorlog in 1919 geadopteerd is in het dorp van mijn ouders, in Ankeveen, in de buurt van Hilversum. Hij was een Oostenrijks kind. In de Eerste Wereldoorlog hebben ze in Duitsland en Oostenrijk veel honger geleden. Hij was de zoon van ongehuwde moeder en die kon niet goed voor hem zorgen. Daarom hadden inwoners uit het dorp hem geadopteerd en groeide hij op als een Nederlands kind. Ze hebben hem nooit genaturaliseerd want ze wisten daar niets van.
Toen de Duitsers ons land binnen vielen, werden alle mannen die Duits of Oostenrijks waren opgeroepen voor de dienstplicht. Mijn oom moest in Duitsland in dienst en hij kreeg een uniform en werd naar de Baltische staten gestuurd. Mijn tante werd er op aangekeken dat ze met een Duitse man was omdat de Duitsers natuurlijk de vijand waren. Gelukkig wist iedereen wel dat hij er niets aan kon doen. Er waren in die tijd veel Duitsers in Nederland, veel dienstmeisjes kwamen uit Duitsland.’
Had u onderduikers in de oorlog?
‘Wij hadden twee onderduikplekken waar mijn vader zich kon verstoppen als de Duitsers kwamen. Alle mannen waren werkeloos. Ze durfden niet meer te werken en daarnaast was er geen werk meer. De Duitsers haalden mannen op om in Duitsland te gaan werken, maar dat wilden de mannen niet dus doken ze onder. Een schuilplaats was tussen twee slaapkamers in, achter de inbouwkast, daar zat een loze ruimte. En de ander was op zolder, tussen het dak en het beschot.
Ik mocht daar nooit over praten, dat was geheim. Als kind snapte ik heel goed wat de ernst was en wat wel en niet goed was.
Mijn vader is toch een keer opgepakt. Bij ons in de wijk woonde een man van wie wij wisten dat hij een NSB’er was. Nadat mijn vader was opgepakt, is mijn moeder naar deze man gegaan en hij heeft haar verzekerd dat zij zich niet ongerust hoefde te maken en heeft ervoor gezorgd dat mijn vader weer thuiskwam. Hij is in een vrachtwagen richting Vught eruit gehaald dankzij deze man. Vanuit Vught werden de mannen getransporteerd naar Duitsland, waar zij in de fabrieken moesten gaan werken.
Toen de oorlog over was, werden oorlogsmisdadigers gestraft. De NSB’er uit de wijk heeft toen strafverlichting gekregen omdat hij onder andere mijn vader had gered.’
Hoe kwamen jullie aan eten tijdens de Hongerwinter?
‘In 1943 was er heel weinig eten en toen ging mijn moeder met een vriendin op de fiets uit Hilversum naar Emmen. Bij alle boeren gingen ze langs en vroegen ze om eten. Ze laden hun fietstassen vol en gingen dan weer terug. Onderweg sliepen ze in hooibergen en hooizolders van boeren. Ik denk dat mijn moeder dit drie keer moest doen gedurende de oorlog.
Eén keer is mijn moeder in de nacht bestolen op de terugweg en was al het eten weg. Het was niet zonder gevaar zo’n tocht want ze moesten over de rivieren en overal stonden Duitsers die geen mensen mochten doorlaten.’
Hoe waren de winters in de oorlog?
‘De laatste twee winters van de oorlog was het heel koud, -20 graden en er viel heel veel sneeuw. Omdat er geen gas beschikbaar was, was het ook binnen erg koud. We woonden vlakbij de gasfabriek, waar veel vrachtwagens naartoe reden met kolen. Ze werden begeleid door Duitse soldaten. Onderweg vielen er kooltjes van de vrachtwagens af. Kinderen renden daarom achter de vrachtwagens aan met een jutten zakje om de kooltjes op te rapen.
Ik was erg klein, een jaar of vier oud, en had een mooie bos krullen. Ik ging soms het terrein van de gasfabriek op terwijl dit eigenlijk niet mocht. De Duitse soldaten vonden het wel leuk om met kinderen te spelen en te kletsen dus lieten ze mij gewoon rondscharrelen en dan kwam ik wel eens met een zakje kolen thuis.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.