Oorlog in mijn Buurt
‘Toen wist ik dat er iets niet klopte’
Dyan, Merdan, Sem, Senna ontmoeten Marian Schaap
Zeynep Acar, Adam, Mirac, Zyulyay uit groep 7 van OBS De Spiegel uit Zaandam interviewen Samuel de Leeuw (1941). Hij is Joods en was een klein jongentje tijdens de oorlog: hij heeft die tijd niet bewust meegemaakt. Zijn moeder hem aan het verzet meegegeven om hem te laten onderduiken in Limburg.
Wat deden uw ouders in de oorlog?
‘Mijn ouders werkten in een regenjassenfabriek Hollandia-Kattenburg in Amsterdam-Noord. Tijdens een razzia was mijn moeder niet aan het werk. Maar mijn vader is meegenomen door de Duitsers en met veel anderen naar Auschwitz gestuurd. Hij is daar vermoord. Mijn moeder is nadat ze mij had meegegeven aan het verzet, zelf ondergedoken in Heiloo, hier vlakbij. Ze werkte daar in een huis bij een vrouw met drie kleine kinderen. Ze zorgde voor de kinderen: gaf ze te eten, waste hun kleren en bracht ze naar bed.’
Moest u een Jodenster dragen?
‘Kinderen onder de zes hoefden geen Jodenster te dragen, dus ik niet. De Jodenster moesten mensen zelf kopen en overal dragen: op je jas, maar ook op je trui. Joodse mensen mochten steeds minder: niet meer naar de bioscoop, het zwembad of het park. Zo werden de regels langzaam steeds strenger.’
Wat herinnert u zich van de oorlog?
‘Ik was nog een klein kind, maar ik herinner me dat ik ondergedoken was in Limburg. Mijn moeder maakte een moeilijke keuze: ze gaf mij, een baby van één jaar, weg aan mensen die ze niet kende, zodat ik veilig zou zijn. Ze wist niet of ik het zou overleven of ooit terug zou komen. Aan het einde van de oorlog, toen ik vier of vijf jaar oud was, kwamen Amerikaanse of Canadese tanks Heerlen binnen om Nederland te bevrijden. Na de bevrijding kwam mijn moeder mij ophalen in Limburg.’
Waar zat u ondergedoken?
‘Ik werd ondergebracht bij een gezin in Heerlen, Limburg. Zij hadden zelf geen kinderen. Eerst woonden we in het centrum. Mijn pleegouders noemden mij ‘Baukje’. In het begin was ik zogenaamd hun neefje, omdat de buren wisten dat ze geen kinderen hadden. Later verhuisden ze en werd ik hun zoon. Ik woonde in een katholieke omgeving en ging later naar school bij de nonnen. Ik speelde veel met buurtkinderen. We hadden een grote tuin waar mijn pleegvader ook groenten verbouwde.’
Hoe heeft uw moeder u weer gevonden?
‘Tijdens de oorlog kregen mensen een bonkaart op naam voor voedsel. Het verzet zorgde ervoor dat ook onderduikers zo’n kaart kregen. Bij mijn pleeggezin stond per ongeluk mijn echte naam op een bonkaart. Zo ontdekte mijn pleegvader wie ik was en schreef hij na de oorlog een brief aan mijn moeder, die haar via een omweg bereikte. Zij wist toen dat ik nog leefde en schreef terug.
Na de oorlog kwam mijn moeder mij halen. Dat was moeilijk, omdat ik verlatingsangst had, net als veel andere ondergedoken kinderen. We reisden liftend naar Amsterdam, omdat de treinen nog niet reden. De stad was grotendeels verwoest en veel van mijn familie was vermoord; ik had geen grootouders, ooms of tantes meer. Mijn moeder bracht me regelmatig terug naar Limburg om te wennen. Uiteindelijk ging ik in Amsterdam naar school, maar ik bleef contact houden met mijn pleegouders. Mijn eigen kinderen noemden hen later ook opa en oma’.’


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.