Oorlog in mijn Buurt
‘Mijn ouders werden tijdens de onderduik verliefd’
Jacob, Juliette, Liv, Mia ontmoeten Freerk van der Meulen en Frank Blom
Matteo, Devin en Cem, studenten van het ROC Nijmegen, spreken met de 89-jarige Trees van Asperen-Veldkamp tijdens een bijzondere avond in het ROC-restaurant, waar medestudenten koken en bedienen. Het wordt een warme en open ontmoeting, waarin niet alleen herinneringen aan de oorlog worden gedeeld, maar ook persoonlijke verhalen van de studenten zelf.
Wat herinnert u zich nog van het begin van de oorlog?
‘Toen de oorlog begon in mei 1940, was ik nog maar vier jaar oud. In juli zou ik vijf worden. We woonden aan de Heiweg in Nijmegen, met mijn vader, moeder en vijf oudere broers en zussen. Ik was de jongste van zes. Mijn vader werkte bij de politie.
Van het allereerste begin van de oorlog weet ik zelf niets meer. Ik was te jong. Mijn oudste broer was achttien toen de oorlog begon. Hij moest in Duitsland werken als schilder. Eerst in Kleef, later in Oberhausen en Frankfurt. Tegen het einde van de oorlog kreeg hij verlof om naar huis te gaan en is hij niet meer teruggekeerd. Daarna moest hij voorzichtig zijn, want in onze straat woonde een NSB’er.
Mijn eerste echte herinneringen zijn van 1942. Duitse soldaten werden in onze school ondergebracht en wij kregen les in een timmerwerkplaats aan het Knolpad. Een jaar later zaten we in een café aan de Jacobslaan. In die periode vond het bombardement op Nijmegen plaats, op 22 februari 1944.’
Hoe heeft u het bombardement ervaren?
‘Die dag zal ik nooit vergeten. Ik was thuis met mijn moeder toen de sirenes weer begonnen te loeien. Mijn broers en zussen waren in de stad, net als mijn vader. We hoorden de vliegtuigen laag overkomen. Mijn moeder ging op haar knieën in de gang bidden en ik knielde naast haar. We wachtten in angst. Later zagen we rookwolken boven de stad. Pas ’s avonds was iedereen weer thuis. Mijn vader was blijven helpen; hij was politieman en voelde zich verantwoordelijk.’
Wat is uw meest aangrijpende herinnering aan de oorlog?
‘Dat is mijn herinnering aan Letty. Letty logeerde met haar moeder twee huizen verderop bij familie. We speelden samen op straat. Op een dag vroeg ze of ze mee mocht spelen. Mijn broer zei: ‘Dat mag, als je geen NSB’er bent’. We wisten toen nog niet dat ze Joods was. Haar moeder had mijn ouders in vertrouwen verteld dat ze Joods waren en daarom uit Amsterdam waren weggegaan.
Op een ochtend wilde ik haar ophalen om te spelen. Toen hoorde ik dat ze plotseling terug waren gegaan naar Amsterdam. Ik vond het gemeen dat ze niets had gezegd. Later hoorde ik dat ze waren opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz waren gedeporteerd. Ze is daar omgekomen. Ik ben later op onderzoek gegaan naar wat er precies gebeurd is.’
Kunt u vertellen wat u later te weten bent gekomen over Letty en haar familie?
‘Ik kwam erachter dat Letty eigenlijk Lily Abrams heette. Na terugkomst in Amsterdam zijn zij en haar moeder verraden. Ik heb geschreven naar instanties en hoorde dat ze via Westerbork naar Auschwitz was gedeporteerd. Mijn man en ik zijn later naar Westerbork en Auschwitz geweest. In Amsterdam vond ik haar foto terug op een tentoonstelling met omgekomen Joodse kinderen. Dat moment raakte me diep.
De vader van Letty is niet vermoord is. Hij heeft de oorlog overleefd. Hij deed werk voor het verzet, onder andere het vervalsen van paspoorten.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.