Oorlog in mijn Buurt
‘Het laatste jaar wisten we niet of hij nog leefde’
Philip, Roef ontmoeten Monne de Miranda
In de vroege ochtend van een zonnige februaridag bellen Juliaan, Tuguldur, Julian en Haruya van basisschool Philipsdorp aan bij het huis van Yusuf Basci aan in Eindhoven. Ze worden hartelijk ontvangen. Meneer Basci schenkt Turkse thee in kleine theeglaasjes en zet zoete traktaties en gedroogde abrikozen op tafel. Daarna schenkt hij, volgens Turkse traditie, een beetje eau de cologne in hun handen. Het ruikt heel lekker, vinden de kinderen.
Meneer Basci is geboren ineen klein dorpje in het oosten van Turkije, maar toen hij 2 jaar was verhuisde hij naar Ankara, de hoofdstad van Turkije.
Hoe was uw kindertijd?
‘Ik ben opgegroeid in Turkije, in Ankara. Istanbul is groter, maar Ankara is de hoofdstad. Wij woonden in een buurt waar bijna alles nog natuur was. Veel bomen, heuvels, open plekken. Geen flats zoals hier. Wij waren eigenlijk alleen binnen om te slapen. De rest van de tijd waren we buiten. We hadden een grote tuin en overal om ons heen groeide fruit. Watermeloenen lagen gewoon op de grond, druiven, abrikozen, alles. Wij plukten wat we nodig hadden. Dat was normaal. Wij dachten niet: dit is bijzonder. Dat besef je pas later.
We waren met vijf kinderen thuis, plus mijn ouders. Maar eigenlijk was ons huis nooit leeg. De deur stond altijd open. Mensen kwamen en gingen. Mijn vader werkte bij de gemeente en hielp andere mensen aan werk. Mensen die arm waren, uit andere delen van Turkije, kwamen vaak bij ons langs. Dat hoorde erbij.
We hadden geen speelgoed zoals nu. Geen PlayStation, geen lego. Maar we misten het niet. We maakten alles zelf, van hout, metaal, fietsbanden. We maakten karretjes en skateboards, lang voordat dat woord bestond. Gewoon een plank met vier metalen wieltjes eronder. Dan gingen we van de heuvel af, keihard. We vielen vaak op asfalt. Dat deed pijn, ja. Maar beschermers? Die kenden we niet.
Als kind werkte ik ook al. In de zomer verkocht ik water op de markt. Het was heet, dus mensen hadden dorst. Het water zat in aardewerken kannen, die bleven koel. Geen plastic. Glas en klei. Gezond, echt gezond. We deelden het geld altijd samen. Wat we verdienden, was van ons allemaal.’
Wat speelde u het liefst als kind?
‘Voetbal was onze grote liefde, zoals bij bijna alle jongens. Maar een echte bal? Die hadden we bijna nooit. Plastic ballen gingen snel kapot en waren duur. Dus maakten we ballen van stof.
Toen ik 13 of 14 was, heb ik samen met andere kinderen een voetbalclub opgericht. Dat klinkt nu misschien groot, maar het begon heel klein. Er was net een moskee gebouwd in onze buurt. Wij hielpen allemaal mee. Stenen dragen, zelfs in de minaret, trap op, trap af. Dat deden kinderen gewoon.
Onder de moskee kwamen kleine winkeltjes. We hebben gevraagd: mag één winkeltje voor ons zijn, als clubruimte? En dat mocht. Onze club heette Cevislidere Spor, dat betekent ‘notenboom-sport’, omdat er bij ons een grote notenboom stond.
We hadden geen geld. Dus gingen we langs de huizen. We wisten: deze man werkt bij de gemeente, die kan iets meer betalen. Die ander werkt in de bouw, die iets minder. Iedereen gaf wat hij kon. Zo spaarden we genoeg voor shirts en sokken. Schoenen konden we niet betalen. We kozen onze clubkleuren zelf: rood-groen. Niet zoals de grote clubs. Dat voelde speciaal. Toen we voor het eerst onze eigen shirts aantrokken… dat gevoel vergeet ik nooit. Echt nooit.
We organiseerden toernooien. Mensen kwamen kijken. Iedereen voelde zich trots, omdat ze hadden meegedaan. Dat was gemeenschap. Samen iets maken, samen plezier hebben.’
Waarom ging u weg uit Turkije?
‘Toen ik ouder werd, raakte ik geïnteresseerd in politiek. Ik was jong en idealistisch. Ik wilde dat mensen gelijk behandeld werden, dat iedereen goed kon leven. Ik zat in een linkse studentenbeweging, wat verboden was in Turkije.
We organiseerden protesten en liepen ook voor andere landen, zoals Palestina en Nicaragua. Dat was gevaarlijk. Ik ben een paar keer opgepakt, maar gelukkig steeds snel vrijgelaten.
Die tijd was zwaar. Er gingen dagen voorbij dat dertig of wel veertig mensen werden gedood. Niet in een oorlog, maar door politiek geweld. Vooral linkse studenten, docenten, professoren. Mijn ouders waren bang en zeiden: als je blijft, ga je dood of de gevangenis in.
Ik ben niet als politieke vluchteling naar Nederland gekomen. Ik ben gekomen omdat ik met mijn vrouw trouwde. Maar de politiek speelde zeker mee. Het verschil met Nederland? Hier kon ik ademhalen. Vrij praten. Vrij leven. Dat kende ik niet op die manier.’
Hoe was het toen u net aankwam in Nederland?
‘Ik kwam op 9 oktober 1989 naar Nederland, met het vliegtuig, van Ankara naar Amsterdam. Vier uur vliegen, dat was alles. Maar mijn leven veranderde compleet.
Op Schiphol werd ik opgehaald en we gingen meteen naar het huis van mijn schoonouders. Ze woonden achter in de straat. In dat huis woonden zeven mensen. Drie slaapkamers. Mijn vrouw en ik sliepen twee jaar in een piepkleine kamer. Eén klein bed, een plastic kast van de V&D, meer paste er niet.
Het was vreemd. Nieuw land, nieuwe taal, nieuwe regels, alles was anders. Maar je bouwt het op, stap voor stap. Je hebt geen keuze. Je leert, je werkt, je past je aan. En langzaam wordt het ook jouw plek.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.