‘’Ik heb mijn vader heel lang niet gezien’’


Chaimae, Gilljunhio, Malyar vertellen het verhaal van Ria Schifflers, 4 jaar toen de oorlog begon
MospleinAmsterdam-Noord

Met Chaimae, Gilljunhio en Malyar op de fiets van het IJplein naar het huis van Ria Schifflers, verderop in Amsterdam-Noord, is al een beetje een avontuur… met krakende wielen, lekkende remmen en te hoge zadels. Dankzij speculaas, chocomelk, het huiskonijn Moppie en Ria zelf natuurlijk wordt het al snel een ontspannen en boeiende vertelochtend waarbij de tijd vliegt. Ria is in 1936 geboren, vier jaar als de oorlog uitbreekt en dan net van de Nachtegaalstraat naar het Mosplein verhuisd. Als de tweeling wordt geboren, verhuist de familie naar de Latherusstraat.

 

Had U vriendjes in de buurt?
“Op de hoek van de straat was een Joodse kapperszaak. Het zoontje van de kapper heette David, ik noemde hem Dapie. Het was mijn vriendje, maar op een dag is hij weggevoerd. Ik heb hem nooit meer gezien. Ik was veel op straat, en speelde dan vaak puntenkrijgertje met mijn vriendinnetjes. In de buurt was een synagoge, waar wij op zaterdag vaak gingen kijken. Dan gingen de Joodse mensen naar de kerk. In 1943 viel er een bom op de synagoge, maar er waren toen al bijna geen Joden meer in de buurt.”

Hoe heeft uw familie de oorlog overleefd?
“Mijn ouders hadden een houtwinkel op de Papaverweg, maar moesten hem in de oorlog sluiten omdat het hout heel snel op was. Achter in de winkel hielden ze konijnen. Mijn vader dook onder op de zolder van de lege winkel zodat hij niet te werk kon worden gesteld in Duitsland. Ik wist daar niets van en dacht dat mijn vader wel in Duitsland zat om te werken. Elke dag zei mijn moeder na het eten dat ze de konijnen ging voeren van de restjes die over waren. Maar stiekem bracht zij dan eten bij mijn vader en de buurman die ook op de zolder onderdook. Ik heb mijn vader heel lang niet gezien. Mijn moeder was vaak op pad naar de Wieringermeerpolder en ruilde dan gereedschap voor voedsel. Echt veel honger heb ik niet gehad. De konijnen werden ook opgegeten, maar ik heb zelf nooit konijn gegeten. Als het luchtalarm afging, zaten wij onder de trap op de wc, de tweeling op mijn moeders knie en ik naast haar. Op een dag viel er een bom in de achtertuin aan de andere kant van de straat. Toen wij de wc uit kwamen bleek ons hele huis kapot. De ramen lagen eruit en de muur naar de buren ook. Wij verhuisden naar een huis verderop in de straat. In het portiek onder ons woonden twee families waarvan de mannen allebei bij de politie werkten. De één hielp in het verzet, de ander was NSB’er. Ze hebben elkaar niet verraden. Wij hebben het allemaal overleefd.”

Hoe bang was U in de oorlog?
“Ik was altijd bang dat er iets kon gebeuren met mijn moeder of mijn broertje en zusje. Wij moesten altijd oppassen als wij iets zeiden. Je kon niemand meer vertrouwen. Iedereen was achterdochtig. Toen de Tommies, de bevrijders, met de pont naar Noord kwamen met hun Jeeps, werd ik erop getild en kregen wij sigaretten voor mijn vader en kauwgom en chocola voor onszelf. Al een week na de bevrijding moesten wij weer naar school. Er kwamen twee vreemde jongens bij ons in de klas. Het waren twee Joodse jongens die ondergedoken hadden gezeten in de buurt.”

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892