Aankomst in mijn buurt
‘Toen konden we elkaar alleen zien als we het vliegtuig pakten’
Darwin, Gioa-Dean, Koyuki ontmoeten Angelica Goyenecheau
Felix, Ties en Tuur van basisschool De Talisman staan al in de deuropening van de lerarenkamer, die uitkijkt op het grote schoolplein, waar de jongste kinderen rondkrioelen. Het is net pauze. Ze wachten op Carmen Schaken. Binnen hebben ze een gezellig plekje gemaakt, met een schaaltje koekjes op tafel. Mevrouw Schaken (1950) is geboren in Paramaribo en kwam op haar achttiende naar Nederland. Om meer te laten zien over haar jeugd, heeft ze voor Felix, Ties en Tuur van alles meegenomen, zoals een kalebas met sterren erop en de vlag van Suriname.
Hoe was het om op te groeien in Suriname?
‘Ik ben geboren in Paramaribo en groeide op in een achterstandswijk. Toch was het daar vooral gezellig. We leefden dicht op elkaar, speelden samen en zorgden voor elkaar. Ik kon eindeloos buiten spelen, van het ene erf naar het andere. We speelden tikkertje, deelden wat we hadden en kookten soms zelf. Mijn grootmoeder was een medicijnvrouw. Als een kind ziek was, gingen mensen naar ‘moesje’. Ze maakte iets in een kalebas, zoals deze, en smeerde het kind daarmee in en vaak zakte dan de koorts. Ik rende achter haar aan, ook al mocht dat eigenlijk niet.
Op school was het heel anders. Ik zat op een katholieke school waar het streng was. Thuis was er vrijheid, maar op school moest alles volgens de Nederlandse normen. Ze hadden het idee dat je opgevoed moest worden. Terwijl wij thuis juist onze eigen geschiedenis leerden, wij maakten die geschiedenis. We spraken op school Nederlands. Mijn beeld van Nederland kende ik vooral uit boeken.
Wat ik het moeilijkst vond, was dit: ik zat op school naast een meisje voor wie ik op zaterdag het huis van haar ouders moest schoonmaken. En op maandag zat zij naast mij in de klas. Dat voelde vreemd, maar ik liet het niet zien. Het maakte me sterk. Ik dacht: dit wil ik niet voor mijn kinderen. Ik besloot alles op alles te zetten om in Nederland te studeren en mijn kinderen een betere toekomst te geven. Kennis is de sleutel, het opent deuren. Daar ben ik zelf het bewijs van.’
Wat heeft en van uw oma en tantes geleerd?
‘Mijn oma en tantes hebben mij geleerd om een sterke vrouw te zijn, mijn eigen boontjes te doppen en tevreden te zijn met wat er is. En nog steeds ben ik aan het leren. Mijn oma zei altijd: je bent nooit te oud om te leren. Van hen leerde ik ook koken, authentiek Surinaams, met aandacht en liefde. Maar vooral leerde ik iets groters, mensen ontvangen zoals ze zijn. Openstaan voor iedereen, groot en klein, zonder meteen te denken in ‘anders’. Ik heb van jongs af geleerd om mensen met ander gedrag te accepteren.
Zo ben ik al vroeg gaan werken als telefoniste. In Nederland heb ik gewerkt én gestudeerd, onder andere op een psychiatrische afdeling, waar ik voor zieken zorgde. Ik herinner me een patiënt die zei: ‘Die grote zwarte indiaan heeft mijn tas gepakt’. Ik was haar tas juist aan het opruimen. Maar zij was ziek, haar wereld was klein. Dit speelde vijftig, zestig jaar geleden in Friesland. Ik kon het haar niet kwalijk nemen. Ze kende de wereld alleen uit verhalen, en daarin kwamen mensen zoals ik nauwelijks voor. Voor mij bleef één ding belangrijk: we zijn allemaal mensen, en zij had zorg nodig.
Maar toen een collega in opleiding, iemand die beter zou moeten weten, ooit zei: ‘Ga maar terug naar de rimboe om bomen te kappen’, kon ik dat niet zomaar laten gaan. Toen heb ik gezegd: ‘Om bomen te kappen moet je slim zijn, anders valt die op je’. Ik heb mijn diploma gehaald. Zij niet. Over slim gesproken.’
Hoe heeft uw tijd in Suriname u nu gevormd?
‘Ik was veertien, vijftien jaar toen ik begon met werken. Ik deed van alles: telefoniste, schoonmaken en repareren wat kapot was. Dat leerde ik van de ouderen met wie ik werkte. Ik had een beste vriendin, net zo oud als ik. Samen haalden we de gekste dingen uit, ook dingen die onze moeders niet mochten weten: uitgaan, dansen en spijbelen. Toen ik achttien was, stuurde mijn vader me naar Nederland. Vanaf dat moment zijn we elkaar uit het oog verloren.
Ik creëer nu mijn eigen dagen om me gelukkig te voelen. Elke dinsdag heb ik mijn wandelclub, daarnaast de Surinaamse club en de kerk. Volgende week ga ik naar De Peel met een oud-collega.
En nog steeds, als ik door de bossen in Nederland loop, kijk ik om me heen of er geen slangen zijn… Het gevoel dat ik een giftige slang kan tegenkomen, zit er gewoon nog in.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.