School: De Talisman

‘Als de rivier hoog stond, kwamen er krokodillen en slangen het dorp in’

Op een zonnige maandagochtend bezoeken Estee, Marie en Ilvy van basisschool de Talisman in Eindhoven Rasoelan Rodjan. Mevrouw Rodjan (1951) werd geboren in district Saramacca in Suriname, waar haar Hindoestaanse voorouders naartoe waren gebracht als contractarbeiders. Ze woonde er tot haar achtste jaar, diep in de jungle. Op haar drieëntwintigste kwam ze noodgedwongen naar Nederland.

Hoe zijn uw voorouders in Suriname terechtgekomen?
‘De moeder van mijn oma was een jonge weduwe uit India. De Engelsen bepaalden dat zij met haar dochters naar Suriname moest om op de plantages te werken. Op de boot werd ze vaak lastiggevallen, maar er was ook een man die haar beschermde. Uiteindelijk trouwde hij met haar, maar hij moest haar eerst kopen voor 30 cent. Zo werkte dat toen. Na vijf jaar hard werken op de suikerrietplantage was hun beloofd dat ze terug mochten naar India. Maar dat is nooit gebeurd. In plaats daarvan werden ze met een groep van elf in een stuk oerwoud in Saramacca gezet. Er was niets: geen huizen, geen winkels, geen wegen. Met de kennis die ze meebrachten uit India, over gewassen en eetbare planten, hebben ze langzaam een bestaan opgebouwd.’

Hoe was het leven in het oerwoud?
‘Ik ben zelf ook in dat dorp geboren en heb er gewoond tot mijn achtste. We hadden niets: geen elektriciteit, geen televisie, geen stromend water. Rivierwater deden we in een vat en met een poedertje maakten we het drinkbaar. De huizen waren gebouwd van bamboestokken, met een dak van bladeren, op kokosstammen als palen. Als de rivier hoog stond, liep het water het huis in en kwamen er krokodillen en slangen het dorp in. Ik ben nog steeds bang voor slangen. Er was geen radio. Als er iemand was overleden, gingen er twee mensen met een boot en een luidspreker langs alle huizen om het nieuws te brengen.’

Hoe was uw dagelijks leven als kind?
‘Werken, altijd werken. Vanaf mijn achtste moest ik meehelpen: rijst planten, oogsten, de korrels van de stengels afhalen. We aten wat we zelf verbouwden: rijst, linzen, groenten, vis en later hadden we ook kippen en koeien, die we zelf slachtten. Puberen? Dat kende ik niet. Als kinderen de hele dag zinvol bezig zijn, komen er geen rare dingen in hun hoofd.’

Waarom moest u buigen voor witte mensen?
‘Onze ouders leerden ons dat witte mensen alles te vertellen hadden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren er soldaten in Suriname, en als die langskwamen moesten wij buigen. Ik dacht altijd dat witte mensen heel hoog geleerd waren. Maar toen ik hier in Nederland kwam, ontmoette ik witte mensen die nog nooit naar school waren geweest. Toen dacht ik: ik weet meer dan zij. Dat was een grote verrassing. Ik vind nu dat iedereen gelijk is niemand is meer of minder.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Toen Suriname onafhankelijk werd, liepen de spanningen tussen Afro-Surinamers en Hindoestanen hoog op, die haat was er door de Nederlanders ingezaaid. Mijn man werd op een avond opgewacht, neergeslagen en met zijn vrachtwagen de rivier ingereden. Mensen zagen een lampje branden en hebben hem eruit gehaald. Ook mijn broers moesten vluchten: de een na een gevecht, de ander na het verlies van zijn beste vriend bij een schietpartij. Voor ons was het duidelijk: het was niet meer veilig. In 1974 zijn we met het vliegtuig naar Nederland vertrokken. Mijn man kreeg werk bij autofabrikant Daf en al snel daarna kochten we een huis voor 30.000 gulden. Dat heb ik later voor het viervoudige kunnen verkopen.’

Hoe was de aankomst in Nederland?
‘We waren een groot, vrij land gewend. Toen ik hier al die auto’s in de rij zag staan, dacht ik: is hier een feestje? Bij ons stonden er alleen bij een bruiloft auto’s. En toen we in ons huis kwamen, zei mijn vader: dit is net een apenkooi: zo klein, en de hele dag naar buiten kijken door een raam, als een gevangenis… Hij hield het een maand vol en ging terug. Wij zijn gebleven. Ik mis het leven in Suriname nog steeds. Maar ik woon al vijftig jaar hier, en via de app bel ik veel met mijn familie in Suriname.’

School: De Talisman

‘We waren zo mager als een lat, onze ribben waren te zien’

De vader van Anton Stephan (1933) was officier bij de luchtmacht van het KNIL en had veel aanzien. Ze woonden dan ook in een luxe huis met een baboe voor elk kind, een kok en een tuinman. Toen de oorlog uitbrak veranderde alles en bracht meneer Staphan jaren met zijn moeder, inmiddels weduwe, door in verschillende kampen. Lucas, Fos en Cole van de Talisman in Eindhoven hebben zijn voorgeschiedenis gelezen en willen hem graag nog allerlei vragen stellen.

Hoe werd u behandeld in de kampen?
‘Dat hing af van de omstandigheden van het kamp zelf, in het ene kamp waren de kampcommandanten vriendelijker dan in het andere kamp. Maar ze waren allemaal heel streng en iedereen moest werken hoe klein je ook was. Ik was negen jaar en moest schoonmaken en wieden. Je kreeg heel weinig eten en als je ziek was, waren er geen medicijnen of soms ook geen dokter, dus dat was niet best.

Naarmate de oorlog vorderde, kregen we steeds minder eten en werden we strenger behandeld. Het eten dat we kregen in de ochtend en avond was een bord pap. Een soort stijfsel, gekookt van meel. En daar kreeg je een lepel van, gekookt in water, zonder suiker… het smaakte vies, maar je at alles op want je had honger. We kregen zo’n 100 gram en dat is eigenlijk te weinig, zelfs voor een kind. In de middag kregen we wat rijst met wat groenten, er was geen vlees. We waren zo mager als een lat; onze ribben waren te zien, echt vel over been.’

Wat is het ergste dat u heeft meegemaakt?
‘Ik heb daar geen rangorde in, maar wat indruk op me gemaakt heeft is wat er met mijn oma gebeurde. Zij woonde bij ons voordat er oorlog uitbrak en zij is met ons in die kampen gegaan. Ze was toen 72 jaar en een heel gezonde vrouw, vrij fors ook.

Als we ‘s avonds eten kregen dan was dat nooit lekker, echt viezig, maar we aten het wel op. Zij zei dan altijd: ‘Ik vind het niet lekker, eten jullie het maar op’, en dan gaf ze mijn zusje en mij wat van haar eten. Wij wisten echter niet dat zij veel te weinig eten kreeg als volwassen vrouw. Ze is van hongersnood gestorven waar wij bij waren. Dat heb ik me pas later gerealiseerd en toen vond ik dat heel erg.’

School: De Talisman

‘De Molukkers kregen geen huis, maar moesten in oude kampbarakken wonen’

Anne-Fleur, Aras en Raffa zijn op bezoek bij Linda van der Heijden-Van Gurchom in Eindhoven. Ze vertelt de leerlingen van de Talisman, onder het genot van sponscake en spekkoek, het verhaal van haar Molukse en Indische ouders en grootouders. Ze beschrijft hoe het leven voor hen was in Nederlands-Indië tijdens de oorlog en hoe het daarna was om in Nederland te moeten wennen aan een heel andere cultuur. Ook vertelt ze over haar eigen jeugd.

Mevrouw Van der Heijden-Van Gurchom is geboren in 1956 in Eindhoven. Ze heeft tot haar vierde bij haar Molukse grootouders in Tiel gewoond, omdat haar ouders toen niet voor haar konden zorgen. Haar moeder is geboren in 1932 in Batavia (nu Jakarta), wat ligt op het eiland Java in Indonesië. Haar vader is ook geboren in Batavia, een jaar eerder in 1931. Ze waren kinderen van KNIL-militairen, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.

Haar grootouders van moeders kant komen van het Molukse eiland Ambon. Haar grootouders van vaders kant zijn Indisch (opa) en Moluks (oma). De overgrootvader van Linda (geboren in 1872) was een Nederlander uit Tilburg, die naar Nederlands-Indië emigreerde rond 1900 om daar het avontuur op te zoeken. Hij werkte onder meer voor het KNIL en als gevangenisbewaarder. Hij overleed op jonge leeftijd in 1921.

Hoe was het bij uw opa en oma in Tiel?
‘Mijn grootouders waren heel lief, ik werd op handen gedragen. Ze vonden het heel leuk dat er zo’n klein meisje in huis woonde. Ook later toen ik alweer in Eindhoven woonde, werd ik altijd extra verwend: als mijn broertjes en zusjes één gulden kregen, kreeg ik er twee!

Toen ik vier jaar werd, moest ik terug naar mijn ouders, zodat ik naar school kon en Nederlands leren. Dat voelde voor mij alsof ik mijn ‘ouders’ moest verlaten, want zo zag ik mijn opa en oma. Ik sprak alleen Maleis, geen Nederlands. Ik weet nog dat ik onder de eettafel verstopt zat, heel verlegen, en dat mijn moeder Nederlands tegen me praatte en ik er niks van begreep.

Die tijd heeft me sterker gemaakt. In het begin was het moeilijk, maar later heb ik een heel goede band opgebouwd met mijn moeder, vooral door muziek. Muziek verbond ons. Zelfs toen mijn moeder in het verzorgingstehuis zat, ging ik nog iedere week bij haar op bezoek en dan zongen we liedjes. Het zit in onze genen, muziek maken. Mijn vader speelde gitaar en mijn moeder zong.’

Hoe was het voor uw Indische opa om aan de Birma-spoorlijn te werken?
‘Mijn Indische opa moest als krijgsgevangene werken aan de Birma-spoorlijn in Thailand. Dat was extreem zwaar werk onder de hete zon, zonder machines. Als je even stopte, werd je geslagen. Veel mensen stierven; er wordt gezegd dat elke spoorbiels een mensenleven kostte.

Mijn opa overleefde het, maar kwam na twee jaar sterk verzwakt terug. In de tussentijd dacht zijn familie dat hij overleden was en had mijn oma een andere man die haar beschermde. Dat was nodig, omdat vrouwen anders gevaar liepen en door Japanse soldaten konden worden misbruikt. Later kreeg mijn opa een nieuwe vrouw met wie hij nog eens zes kinderen kreeg. Ik heb dus een hele grote familie.’

Waarom waren de Molukkers boos op de Nederlandse regering?
‘Molukse soldaten werden bij aankomst in Nederland ontslagen, terwijl ze jarenlang voor Nederland hadden gevochten. Dit voelde voor hen als verraad. Ook beloofde Nederland dat ze terug konden naar de Molukken en dat de Molukken zelfstandig konden worden, maar die belofte werd niet nagekomen. Ze zouden voor de rest van hun leven in Nederland blijven.

Hun toekomst was uitzichtloos. Ze mochten een lange tijd niet werken en leefden in armoede en in slechte omstandigheden in oude kampbarakken. Sommige Molukse jongeren gingen drugs gebruiken, om de ellende maar niet te hoeven voelen. Nederland zweeg erover en heeft nooit excuses aangeboden voor de slechte behandeling. Vooral dat maakte Molukse mensen zo boos.

Er kwamen protesten. Enkelen hebben zelfs treinen en een school gekaapt om aandacht te vragen voor hun zaak. Er ontstond discriminatie. Op basis van zijn uiterlijk werd mijn broer, jouw opa, meerdere keren gecontroleerd door de politie. Hij was toen 17 jaar en moest met de trein naar school in Helmond. Hij werd publiekelijk gefouilleerd. Zijn schooltas werd overhoop gehaald en hij werd hardhandig tegen de trein gezet. Dat was heel eng en intimiderend voor hem. Dat zou in deze tijd niet zomaar meer kunnen. En gelukkig maar.’

Hoe was het voor de Molukkers om naar Nederland te gaan?
‘Eenmaal in Nederland hadden ze helemaal niks meer. Geen werk, geen spullen en vaak met een oorlogstrauma. Alleen wat dunne kleren die bedoeld waren voor tropische weer.

Ze kregen geen huis maar moesten in oude, primitieve kampbarakken wonen, waar in de oorlog Joden naartoe werden gestuurd. Het was daar koud en kil en ook een beetje eng. Ik heb daar ook nog even gewoond. Ik kan me nog herinneren dat er lange keukens waren; aan de ene kant waste mijn oma mij in de gootsteen en aan de andere kant werd het eten gekookt.

Ook vond de Nederlandse bevolking ons maar vreemd. We droegen andere kleren en hadden een andere huidskleur. Ik weet nog dat ik met mijn oma naar de drogist ging en dat zij een sarong droeg (een Indonesische rok). Mensen stootten elkaar aan en wezen naar mijn oma en zeiden: ‘wat heeft jouw oma rare kleren aan’.’

Bent u verdrietig over de geschiedenis van uw familie?
Ja, best wel. In mijn jeugd werd er weinig gesproken over het verleden. Mijn ouders wilden ons beschermen en waren vooral blij dat er geen oorlog meer was. Als we ernaar vroegen, bleven ze stil.

Door hun trauma’s konden ze hun emoties soms niet goed verwerken. Daardoor kwam het voor dat ze streng waren en soms lijfstraffen gaven. Dat was in die tijd binnen Indische en Molukse gezinnen niet ongewoon. Het verdriet en de pijn uit de oorlog werden dus vaak doorgegeven aan de volgende generatie. Gelukkig zie ik dat dit bij mijn generatie is gestopt.’

School: De Talisman

‘Als ik naar school wandelde, stond men voor de ramen naar ons te kijken’

Stephen, Pleun, Kira en Agnes van basisschool de Talisman in Eindhoven bezoeken Ingrid van der Smitte en haar man in hun Aziatisch-ingerichte huis, vol planten, houten meubels en olifantsbeelden. Mevrouw Van der Smitte, derde van twaalf kinderen, werd geboren op Java en verhuisde als baby naar Nieuw-Guinea. Haar Nederlandse vader diende eerst bij het beroepsleger, maar begon later een houtzagerij. Haar moeder was van Indonesische komaf. Toen ze 9 was, vluchtte het gezin naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Azië?
‘Ik ben in Indonesië geboren, maar daar was het heel onrustig en toen moesten alle Nederlanders weg. We zijn naar Nieuw-Guinea verhuisd, want dat hoorde destijds bij Nederland en daar woonde ik tot mijn negende jaar. Toen kwam daar oorlog en vluchtten we naar Nederland.

Nieuw-Guinea was een heel mooi land. We woonden met ons hele gezin in een Quonset-barak, een halfronde barak van gegolfd staal. In de ramen zat geen glas, maar gaas. Soms zag je een glimmend spoortje over het gaas en dan wist je dat er een slang was geweest. We hadden een hele grote tuin met veel fruit; je kon de sinaasappels gewoon plukken. We hadden een papegaai en die kon een beetje praten en altijd ‘Elly!’ riep, want zo heette mijn moeder.

Ik herinner mij dit tijd als een heel gelukkige periode. Ik had twaalf broers en zussen, dat was heel gezellig, want er was altijd iemand om mee te spelen. We gingen naar een Nederlandse school. Mijn ouders waren lief en streng. Mijn vader was militair en hield van regels en mijn moeder was ook streng; dat moest ook wel met zo’n groot gezin. Mijn vader fotografeerde graag; ik zal jullie het fotoboek van mijn familie laten zien.

De Papoea’s waren de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Guinea en ze leefden in stammen, met eigen taal en gewoontes, vaak dichtbij de natuur. Ik vond ze altijd een beetje spannend omdat ze er zo anders uitzagen: ze droegen vaak bijna geen kleding, hadden een soort schortje aan en ze beschilderden hun gezichten voor feesten en maakten veel geluid door op boomstammen te slaan. We vonden het een beetje een wild volk. We hadden Papoea’s in dienst die hielpen in het huishouden, zorgden voor de kinderen (baboes) en de tuin verzorgden. Dat was toen heel normaal, maar nu besef ik me dat dit ook met onderdrukking te maken had: je maakte gebruik van mensen. Ze kregen wel loon en onderhielden daarmee hun familie. Maar nu ik wat ouder ben vind ik het heel triest voor de Papoea’s: je mag niemand zijn eigen land afnemen of onderdrukken.’

Hoe vond u het om in Nederland te gaan wonen?
‘Het weer in Nederland verraste me. In Azië was ik alleen warme dagen gewend, maar hier wisselen de seizoenen. Dat vond ik het leukste aan Nederland. De eerste keer dat ik sneeuw zag was voor mij magisch: alles zo mooi wit en schoon, al het lelijke is dan even weg.

We kwamen aan met het vliegtuig en hadden bijna geen bezittingen mee kunnen nemen. Ook hadden we veel te dunne kleding aan. Het was ijskoud! Ik ben nog een keer teruggegaan naar Nieuw-Guinea, maar ik kan de warmte nu niet goed meer aan.

We moesten erg wennen aan eten met vork en mes. Ik was gewend om met vork en lepel te eten (dat doe je als je rijst eet). We hebben heel lang geen eigen huis gehad en verhuisden van pension naar pension. We hadden daarom geen eigen keuken en aten met de pot mee: meestal stamppot. Eerst vonden we dat helemaal niet lekker, maar moesten dat toch gewoon opeten. We aten veel liever rijst!

Heeft u last gehad van discriminatie toen u in Nederland aankwam?
‘Ja, dat hebben we zeker, maar in het begin had ik dat niet zo erg door. Ik ben naar een lagere school gegaan in Dommelen. We waren in dat dorp de enige mensen met een kleurtje. Als ik met mijn broers en zussen naar school wandelde stond men voor de ramen naar ons te kijken, zo bijzonder vonden ze ons.

Maar we werden ook heel vaak uitgescholden door mensen buiten de school, voor ‘Pinda’ of ‘Zwartje’ of ze wilden niet naast ons zitten omdat ze bang waren dat we zouden ‘afgeven’. We werden als ‘vreemd’ beschouwd en waren al snel het pispaaltje. Dat vond ik heel erg. Mijn ouders konden er ons niet mee helpen, we moesten voor ons zelf opkomen. Maar we waren daar te verlegen voor.

Ik herinner me dat ik bij de kaasboer vaak met opzet werd overgeslagen als ik voor mijn moeder boodschappen deed. Ik durfde dan niet voor mezelf op te komen en niemand hielp mij. Nu zou dat me niet meer overkomen; ik heb geleerd voor mezelf op te komen. Mijn kinderen en kleinkinderen maken nog steeds discriminatie mee, maar die gaan er gelukkig tegenin.’

Welke sporen heeft het koloniale verleden achtergelaten?
‘Dat ik heel erg opkom voor anderen die gepest of buitengesloten worden. Iedereen is gelijk, hoort erbij en niemand mag apart gehouden worden. Ik hoop dat mensen leren dat welke kleur je ook hebt, uit welk land je ook komt, dat je allemaal hetzelfde bent.

We werden vroeger zo erg uitgescholden, onbegrijpelijk… Ik heb eraan overgehouden dat ik hier heel gevoelig op reageer: noem mensen bij hun naam, niet zwart of wit. Vroeger werden we ‘zwartje’ genoemd, dat deed pijn. Nu mag ‘neger’ zeggen niet meer, maar ‘zwarte man’ wel. Ik kan dat niet zeggen, want voor mij is dat schelden. Dat kunnen Nederlanders niet aanvoelen. Discriminatie speelt nog steeds, eigenlijk over de hele wereld. Ik hoop dat een project als dit zorgt voor meer wederzijds begrip.’

School: De Talisman

‘Ik groeide op in een achterstandswijk, toch was het daar vooral gezellig’

Felix, Ties en Tuur van basisschool De Talisman staan al in de deuropening van de lerarenkamer, die uitkijkt op het grote schoolplein, waar de jongste kinderen rondkrioelen. Het is net pauze. Ze wachten op Carmen Schaken. Binnen hebben ze een gezellig plekje gemaakt, met een schaaltje koekjes op tafel. Mevrouw Schaken (1950) is geboren in Paramaribo en kwam op haar achttiende naar Nederland. Om meer te laten zien over haar jeugd, heeft ze voor Felix, Ties en Tuur van alles meegenomen, zoals een kalebas met sterren erop en de vlag van Suriname.

Hoe was het om op te groeien in Suriname?
‘Ik ben geboren in Paramaribo en groeide op in een achterstandswijk. Toch was het daar vooral gezellig. We leefden dicht op elkaar, speelden samen en zorgden voor elkaar. Ik kon eindeloos buiten spelen, van het ene erf naar het andere. We speelden tikkertje, deelden wat we hadden en kookten soms zelf. Mijn grootmoeder was een medicijnvrouw. Als een kind ziek was, gingen mensen naar ‘moesje’. Ze maakte iets in een kalebas, zoals deze, en smeerde het kind daarmee in en vaak zakte dan de koorts. Ik rende achter haar aan, ook al mocht dat eigenlijk niet.

Op school was het heel anders. Ik zat op een katholieke school waar het streng was. Thuis was er vrijheid, maar op school moest alles volgens de Nederlandse normen. Ze hadden het idee dat je opgevoed moest worden. Terwijl wij thuis juist onze eigen geschiedenis leerden, wij maakten die geschiedenis. We spraken op school Nederlands. Mijn beeld van Nederland kende ik vooral uit boeken.

Wat ik het moeilijkst vond, was dit: ik zat op school naast een meisje voor wie ik op zaterdag het huis van haar ouders moest schoonmaken. En op maandag zat zij naast mij in de klas. Dat voelde vreemd, maar ik liet het niet zien. Het maakte me sterk. Ik dacht: dit wil ik niet voor mijn kinderen. Ik besloot alles op alles te zetten om in Nederland te studeren en mijn kinderen een betere toekomst te geven. Kennis is de sleutel, het opent deuren. Daar ben ik zelf het bewijs van.’

Wat heeft en van uw oma en tantes geleerd?
‘Mijn oma en tantes hebben mij geleerd om een sterke vrouw te zijn, mijn eigen boontjes te doppen en tevreden te zijn met wat er is. En nog steeds ben ik aan het leren. Mijn oma zei altijd: je bent nooit te oud om te leren. Van hen leerde ik ook koken, authentiek Surinaams, met aandacht en liefde. Maar vooral leerde ik iets groters, mensen ontvangen zoals ze zijn. Openstaan voor iedereen, groot en klein, zonder meteen te denken in ‘anders’. Ik heb van jongs af geleerd om mensen met ander gedrag te accepteren.

Zo ben ik al vroeg gaan werken als telefoniste. In Nederland heb ik gewerkt én gestudeerd, onder andere op een psychiatrische afdeling, waar ik voor zieken zorgde. Ik herinner me een patiënt die zei: ‘Die grote zwarte indiaan heeft mijn tas gepakt’. Ik was haar tas juist aan het opruimen. Maar zij was ziek, haar wereld was klein. Dit speelde vijftig, zestig jaar geleden in Friesland. Ik kon het haar niet kwalijk nemen. Ze kende de wereld alleen uit verhalen, en daarin kwamen mensen zoals ik nauwelijks voor. Voor mij bleef één ding belangrijk: we zijn allemaal mensen, en zij had zorg nodig.

Maar toen een collega in opleiding, iemand die beter zou moeten weten, ooit zei: ‘Ga maar terug naar de rimboe om bomen te kappen’, kon ik dat niet zomaar laten gaan. Toen heb ik gezegd: ‘Om bomen te kappen moet je slim zijn, anders valt die op je’. Ik heb mijn diploma gehaald. Zij niet. Over slim gesproken.’

Hoe heeft uw tijd in Suriname u nu gevormd?
‘Ik was veertien, vijftien jaar toen ik begon met werken. Ik deed van alles: telefoniste, schoonmaken en repareren wat kapot was. Dat leerde ik van de ouderen met wie ik werkte. Ik had een beste vriendin, net zo oud als ik. Samen haalden we de gekste dingen uit, ook dingen die onze moeders niet mochten weten: uitgaan, dansen en spijbelen. Toen ik achttien was, stuurde mijn vader me naar Nederland. Vanaf dat moment zijn we elkaar uit het oog verloren.

Ik creëer nu mijn eigen dagen om me gelukkig te voelen. Elke dinsdag heb ik mijn wandelclub, daarnaast de Surinaamse club en de kerk. Volgende week ga ik naar De Peel met een oud-collega.

En nog steeds, als ik door de bossen in Nederland loop, kijk ik om me heen of er geen slangen zijn… Het gevoel dat ik een giftige slang kan tegenkomen, zit er gewoon nog in.’

School: De Talisman

Mijn vader schreef: ‘Marie, ik leef nog. Verbrand dit briefje meteen.’

Carmen Rosendaal (1961) staat al in de deuropening als de kinderen de lift uitlopen. Ze vindt het gezellig dat Bobbi, Jacob en André van basisschool De Talisman in Eindhoven haar vragen komen stellen over haar jeugd. Ze woont op de negende verdieping. Vanuit haar ruime, lichte huis kijken ze uit over de hele stad en proberen ze de Gerarduskerk te vinden, die naast hun school staat. Mevrouw Rosendaal heeft veel te vertellen. Ze is geboren in Indonesië, maar heeft ook in Suriname gewoond. Op haar vijftiende kwam ze naar Nederland. Haar vader was een Surinaams-Nederlandse KNIL-militair.

Wat kunt u nog herinneren van de tijd in Indonesië?
‘Ik ben geboren in de Bersiap-periode (het gewelddadige begin van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, red.). Ik was nog maar anderhalf jaar oud, maar heb toch angst ervaren. Die onrust zat overal. Het kwam door groepen Indonesiërs, ook wel ‘ploppers’ genoemd, die vonden dat wij weg moesten. Mijn vader was militair in het Nederlandse leger en had eerst veel vrienden, maar ineens werden dat vijanden.

We woonden in een huis op palen, met schelpenzand eronder en eromheen. Mijn moeder hoorde vaak geluiden. Dan pakte ze ons snel op en bracht ons naar een schuilplek in huis. Het was een onveilige tijd. Ook al ben je zo jong, je voelt dat. Op foto’s zie je het ook terug: ik had een angstige blik, was bang voor alles en iedereen. Die spanning maakte ik voortdurend mee. Daardoor kan ik me nu ook goed voorstellen wat kinderen in oorlogssituaties voelen als ze moeten vluchten en alles achterlaten.

Op een dag zei mijn vader tegen de overheid dat zijn gezin met spoed naar Nederland moest. Binnen een week vertrokken we met het vliegtuig. De reis duurde drie dagen. Zo zijn we in Nederland aangekomen. Mijn moeder was toen in verwachting. We gingen eerst bij mijn oma wonen, in de Hofstraat in Tongelre, hier in Eindhoven. Later werden we weer naar Suriname gestuurd.’

Is er een verhaal wat u is bijgebleven?
‘Mijn vader werd tijdens de oorlog krijgsgevangen genomen. Hij zat op een eiland in een Japans kamp. Hij was pelotonscommandant. Op een gegeven moment kreeg hij hulp van mensen uit een kampong; een klein afgeschermd inheems dorpje, om hem te helpen ontsnappen.

Ze regelden een kleine boot en gaven hem wat voedsel en drinken mee. Mijn vader vroeg anderen om mee te gaan, maar niet iedereen durfde. “We weten niet waar we naartoe gaan”, zei hij tegen ze. Uiteindelijk gingen er een paar mee, maar gaandeweg bleef hij alleen over. Hij heeft bijna een maand min één dag op zee gezworven. Hoe hij dat heeft overleefd, heeft hij ons nooit echt verteld, maar het moet een zware en eenzame tocht zijn geweest. Uiteindelijk werd hij gevonden door Indonesische vissers die hem hebben verzorgd en weer op de been geholpen.

Na zijn herstel schreef mijn vader een briefje aan mijn moeder: ‘Marie, ik leef nog. Verbrand dit briefje meteen.’ Hij had een donkere huid en een zwarte baard, waardoor hij niet direct als Nederlandse militair werd herkend. Dat hielp hem om onder te duiken. Gelukkig vond hij zijn weg terug naar mijn moeder en samen probeerden ze een nieuw bestaan op te bouwen. Ze bakten pindakoekjes en verkochten die in een Chinese winkel. De koekjes noemden ze ‘Pinas-koekjes’ naar onze achternaam.’

Heeft uw Surinaamse familie slavernij meegemaakt?
‘Mijn overgrootvader was tot slaaf gemaakt. Wat bijzonder is, is dat hij later zelf een plantage bezat. We kregen ooit een foto van zijn graf, een heel mooi graf, en iemand zei: ‘Dat kan niet kloppen, hij was toch slaaf?’ Als kind kende ik dat graf al, maar later bleek dat er een bijzonder verhaal achter zat. Ondanks het gruwelijke leven dat overgrootvader had, vond hij tijd om houtsnijwerk te maken. Toen kwamen de Hernhutters naar Suriname, protestantse zendelingen uit Duitsland. Zij hebben veel betekend op het gebied van onderwijs, opvoeding en geloof.

Mijn overgrootvader kwam met hen in contact. Hij werd door hen geholpen en groeide uiteindelijk uit tot voorganger binnen de Evangelische Broedergemeente. Hij doopte en trouwde mensen.

Dankzij die ontwikkeling kon hij een eigen plantage kopen, een houtplantage, zo groot als Nuenen. Mijn dochter heeft dit familieverhaal verder uitgezocht. Dat kan je lezen op onze familiewebsite  Pinas Roots.’

School: De Talisman

‘Zelfs ’s nachts luisterde ik via de radio naar honkbalwedstrijden’

Lien, Max, Lani en Tian van basisschool De Talisman in Eindhoven worden warm ontvangen door Winston Gibbes (74). Levendig vertelt hij over zijn leven, dat begint op Curaçao en zich vanaf 1973 verder afspeelt in Nederland. Zijn verhalen bewegen moeiteloos van jeugdherinneringen naar werk bij Philips en zijn rol als pastoor.

Hoe was het om op te groeien in een koloniale samenleving?
‘Ik groeide op in de wijk Steenrijk, vlak bij het centrum van Willemstad. Het leven had daar een ander ritme; school begon al om half acht, voordat de hitte echt voelbaar werd. Op school zag je verschillen die te maken hadden met het koloniale verleden. Er was bijvoorbeeld een klas met alleen kinderen uit Nederland. Ook werd verwacht dat we in de pauze Nederlands spraken. Dat deed ik niet altijd en dan kreeg ik straf.

Over de slavernij werd weinig verteld. Sommige leraren vonden dat een moeilijk onderwerp. Toch merkte je dat het verleden nog doorwerkte in hoe mensen naar elkaar keken. Wat ik daaruit heb meegenomen, is dat je je daar niet door moet laten leiden. Uiteindelijk gaat het erom dat je de mens als mens ziet. Als je elkaar met respect behandelt, verdwijnen veel verschillen vanzelf.’ 

Heeft u een bijzondere herinnering uit uw jeugd?
‘Mijn jeugd op Curaçao was hecht. Ik was de oudste van acht kinderen. Mijn vader was streng, maar duidelijk: als anderen kattenkwaad uithalen, moet je daar niet bij horen. Mijn moeder leerde ons iets wat minstens zo belangrijk was: respect. Wat je je eigen zussen niet aandoet, doe je ook anderen niet. Dat is altijd blijven hangen.

We speelden veel buiten, onder andere honkbal en voetbal. Zelfs ’s nachts luisterde ik naar wedstrijden via de radio, met een koptelefoon op zodat anderen konden slapen. De overgang naar Nederland was groot. In het begin had ik moeite om mensen uit elkaar te houden. Iedereen leek op elkaar. Pas als iemand begon te praten, hoorde je verschil.’

Welke sporen heeft het koloniale verleden nagelaten?
‘Ik heb 25 jaar bij Philips gewerkt. Daar heb ik geleerd dat je mensen gelijk moet behandelen. Voor mij was iedereen collega, ongeacht functie. Dat zorgde voor vertrouwen. Een leidinggevende zei ooit tegen mij: ‘Bij jou is er vrede’. Later begonnen we een feestwinkel, Toeters en Bellen. Daar werd één les steeds opnieuw bevestigd: behandel mensen goed. Je weet nooit wie je later weer tegenkomt. Ik vertel vaak het verhaal van iemand die onbeleefd was tegen een chauffeur, en die de volgende dag zijn tandarts bleek te zijn.

Sinds 2002 ben ik pastoor. Niet omdat ik alles zeker weet, maar omdat ik graag met mensen ben. Mensen leren kennen in vreugde en verdriet, dat is voor mij het belangrijkste. Als ik met mensen kan praten, voelt dat als vakantie.

Het koloniale verleden heeft zeker sporen nagelaten, maar dat hoeft niet te bepalen hoe je met elkaar omgaat. Ik heb zelf ervaren dat mensen je soms anders zien, afhankelijk van waar je bent. Toch blijft mijn uitgangspunt hetzelfde: zie de mens als mens, we hebben elkaar nodig.’

School: De Talisman

‘Ik keek vanachter de boom en zag iemand die op mijn vader leek’

Vera, Julian en Alicia worden hartelijk ontvangen bij Tineke van der Woude-Zulver. Ze heeft een tradionele delicatesse mee, spekkoek, voor de leerlingen van De Talisman in Eindhoven en vraagt meteen of ze het kennen.

Mevrouw Van der Woude-Zulver (1926) is geboren in Indonesië. Op haar twaalfde kwam ze terecht in een Japans interneringskamp. En toen ze 20 jaar oud was kwam ze naar Nederland. Nu nog als ze beelden op televisie ziet van oorlogen, dan heeft ze daar heel veel moeite mee.

Had u veel vrienden in het kamp?
‘Ja, maar ik had alleen niet veel tijd om mijn vrienden te zien. Er was weinig tijd om samen te komen. Ieder moest eerst op appel staan, en dan stonden de anderen in een ander straatje en was het moeilijk om samen te komen. Mijn moeder was uitgesloten van corvee omdat ze drie kleine kinderen had, maar ik moest allerlei klusjes doen doen zoals een beerput leeghalen. Als het appel was afgelopen en het werk gedaan was dan kon ik ze wel zien. Nu zie ik deze vrienden nog steeds, tijdens de reünies.’

Wat is uw mooiste herinnering aan het kamp?
‘Aan het eind van de oorlog waren er continu geruchten over dat we vrij zouden zijn. Als ik daar naar zou luisteren, dan zou ik er kapot aan zijn gegaan. Op een dag was er weer een gerucht dat we vrij zouden zijn. Toen heb ik dit aan mijn Engelse leraares mevrouw Cornelissen gevraagd en zij vertelde dat dit honderd procent zeker was. Mijn moeder was destijds zo mager dat ik niet wist of ze het ging halen, maar gelukkig heeft ze het gered.’

Heeft u ooit nog iets van uw vader gehoord?
‘Na de oorlog werkte ik op een kantoor. Elke dag werden er lijsten gepubliceerd wie wie zocht. Op een dag zeiden ze dat mijn vader mij zocht. Ik keek vanachter de boom en zag iemand die op mijn vader leek. Maar ik herkende hem bijna niet meer, mijn vader was zo mager geworden. Ik kwam dichterbij en mijn vader tilde me op de vrachtwagen.

Het eerste wat hij vroeg was: waar is je moeder? Maar omdat het zo slecht ging met mijn moeder, moest ik haar daar op voorbereiden. Ook omdat hij moeilijk te herkennen was. Ik ben toen naar huis gegaan en heb gezegd dat er mannen terug waren, misschien is mijn vader er wel bij. Mijn moeder was buiten aan het breien. Ik ging daarna terug naar mijn vader toe. En ik nam hem mee naar mijn moeder. Ze vlogen elkaar niet in de armen omdat ze allebei zo beschadigd waren. Als kind was dat niet zo fijn om te zien.’

School: De Talisman

‘Bizar mooi waren de avonden op zee onder de sterrenhemel’

Op deze zonnige donderdagmorgen komen Juna en Isabel op de fiets aan bij Liesbeth Moerman (1948). De leerlingen van De Talisman in Eindhoven worden hartelijk ontvangen door mevrouw Moerman in haar woning waar de sfeer wordt bepaald door de prachtige houten meubels met verfijnd houtsnijwerk en de vele planten en schilderijen. Op tafel liggen met de handgemaakte zilveren sieraden en houten beeldjes uit Indonesië en ook een fotoalbum met oude foto’s van vroeger. Mevrouw Moerman biedt de kinderen een blikje Fanta aan en zet wat chocolaatjes op tafel.

Ze vertelt dat ze is geboren in Semarang op Java. Vervolgens heeft ze op verschillende plekken in Indonesië gewoond. Samen met haar ouders en haar twee jaar jongere broer verhuisde ze op 11-jarige leeftijd naar Nederland.

Hoe heeft uw koloniale leven invloed gehad op hoe u naar nadere mensen kijkt?
Ik ben door mijn leven heen omringd geweest door verschillende culturen, waardoor het voor mij vanzelfsprekend werd om me thuis te voelen in een diverse omgeving. Door het vele verhuizen leerde ik steeds nieuwe plekken, mensen en tradities kennen, wat me flexibel maakte en nieuwsgierig naar andere mensen en hun achtergrond.

Toen ik later naar Nederland verhuisde, merkte ik hoe anders mensen soms omgingen met diversiteit. Toen mijn man ziek werd in Nederland, kregen we een verpleegkundige aan huis, een ontzettend leuke vrouw uit Suriname. Zij vertelde me later dat ze verrast was dat ik zo blij op haar reageerde, omdat ze al regelmatig weg was gestuurd bij andere mensen met de boodschap: ik wil geen zwarte vrouw in huis. Ik dacht: et is toch niet waar? Omdat ik zelf had ervaren hoe rijk het is om met verschillende culturen samen te leven, voelde het voor mij vanzelfsprekend om open te staan voor iedereen, ongeacht afkomst of kleur. Die houding heeft me mijn hele leven gevormd: in mijn gezin, mijn vriendschappen en zelfs in de multiculturele families van mijn kinderen.’

Hoe was het voor u om zo vaak te moeten verhuizen?
‘Ik heb in Indonesië op vijf verschillende plaatsen gewoond, en ondanks dat we zo vaak verhuisden, heb ik mijn jeugd altijd als heel fijn ervaren. Het was warm, we waren veel buiten, en ik vond het daar zalig. In Nederland hebben we ook op verschillende plekken gewoond. Doordat we telkens na een paar jaar weer naar een andere plek gingen, leerde ik ook dat alles tijdelijk was. Daardoor ging ik eigenlijk niet te veel investeren in vriendjes worden, want ‘je gaat toch weer weg’. Dat deed ik niet bewust; het ging vanzelf. Soms stond ik een beetje zo te kijken naar iedereen, op afstand, omdat ik wist dat ik toch weer zou vertrekken. Door die manier van opgroeien leerde ik me steeds opnieuw aan te passen, en open te staan voor nieuwe mensen en plekken. Die veelzijdige achtergrond zie ik als een groot cadeau. Het heeft mij geleerd om met een ruime blik naar de wereld te kijken en om verschil niet als vreemd te zien, maar als verrijking.’

Hoe ging de reis van Indonesië naar Nederland in die tijd?
‘Als wij van Indonesië naar Nederland reisden, gingen we vaak met de boot of met het vliegtuig. Als we vlogen, deed je daar drie dagen over, omdat vliegtuigen ’s nachts nog niet konden vliegen. Ze landden vlak voordat het donker werd, waarna we naar een hotel gingen en de volgende ochtend weer verder reisden.

Met de boot deed je er drieënhalve tot vierenhalve weken over. Als kind vond ik dat minder leuk, want vaak werden we op het kinderdek gedumpt en moesten daar de hele dag spelletjes doen. Toch heb ik van die reizen ook mooie herinneringen. Een van de leukste dingen vond ik de avonden op zee onder de sterrenhemel. Dat was bizar mooi.

Ook herinner ik me hoe het vliegtuig soms landde op een baan met fakkels langs de rand, omdat er nog geen verlichting was. Dat vond ik toen heel bijzonder om mee te maken.’

School: De Talisman

‘We woonden in een mooi huis en juist dat maakte ons tot doelwit’

Kaley, Lucy en Kee van basisschool de Talisman in Eindhoven hebben een bijzondere afspraak: ze gaan Charlotte Johann interviewen. In 1952, toen mevrouw Johann zes jaar oud was, vertrok ze vanuit het toenmalige Nederlands-Indië naar Nederland. Haar verhaal is indrukwekkend, niet alleen omdat ze slechtziend is, maar vooral omdat ze deze lange als jong meisje helemaal alleen heeft afgelegd.

Bij aankomst worden de kinderen warm ontvangen. In de kamer valt meteen een speciaal voorwerp op: de koffer die ze als kind meenam op de bootreis naar Nederland. Aan de muur van haar gezellige appartement hangen veel foto’s van familie.

Hoe was het leven van uw ouders tijdens de Japanse bezetting?
Ik ben geboren in 1946, vlak na de oorlog, in Nederlands-Indië. Mijn vader was een Nederlands-Indische man, wat betekent dat hij zowel Nederlandse als Indonesische roots had. In die tijd waren de verhoudingen gespannen, vooral tijdens en na de Japanse bezetting. Mensen zoals wij, met een gemengde achtergrond, werden vaak als vijand gezien.

Mijn vader heeft in de oorlog veel meegemaakt. Hij heeft gevochten en zelfs in Japanse krijgsgevangenschap gezeten. Over die periode vertelde hij niet veel. Dat zorgde ervoor dat er thuis ook veel onuitgesproken bleef.

Zelf heb ik de oorlog niet bewust meegemaakt, maar de gevolgen waren wel gevoeld. Alles stond in het teken van onzekerheid en voorzichtig leven. Zelfs iets eenvoudigs als een kind registreren bij de gemeente kon gevaarlijk zijn. Toch dacht ik daar als kind niet echt over na. Pas later besefte ik hoeveel invloed die tijd op mijn leven en dat van mijn familie heeft gehad.’

Wat gebeurde er met uw gezin na de oorlog?
‘Na de oorlog wilden Indonesiërs onafhankelijk worden van Nederland. Daardoor ontstonden er spanningen, en Nederlands-Indische families zoals de onze kwamen in gevaar. Op een gegeven moment werden wij letterlijk uit ons huis gezet.

Mijn vader had een goede baan bij de marine, en we woonden in een mooi huis. Maar dat maakte ons juist een doelwit. Ons huis werd ingenomen en wij stonden op straat. Gelukkig konden we tijdelijk bij vrienden van mijn ouders terecht. Als kind werd mij verteld dat we gingen logeren, maar in werkelijkheid waren we alles kwijt. Dat logeren duurde steeds maar kort. Na een paar maanden moesten we weer verder. Het leven was onzeker en we hadden geen vaste plek meer.’

Hoe was het om als kind alleen naar Nederland te gaan?
‘Toen ik zes en een half was, moest ik alleen naar Nederland voor een oogoperatie. Ik werd naar de haven gebracht en moest in mijn eentje aan boord van een schip. Mijn familie bleef achter. Ik begreep niet goed wat er gebeurde. Mij werd verteld dat ik ging logeren en dat er voor me gezorgd zou worden. Maar ik voelde dat er iets niet klopte, en ik was bang. Ik ben ook een hele dag zeeziek geweest.

Op het schip moest ik wennen aan alles en iedereen. Ik was omringd door vreemden en miste mijn familie enorm. Hoe langer de reis duurde, hoe sterker het gevoel werd dat ik er alleen voor stond. Mijn ouders mochten niet mee, waarschijnlijk omdat ze geen toestemming kregen. Waarom precies, dat weet ik nog steeds niet zeker.’

Hoe was het in Nederland?
‘In Nederland woonde ik lange tijd gescheiden van mijn ouders. Ik zat op een kostschool en zag hen alleen in de vakanties. Dat was heel zwaar voor mij. Ik had veel last van heimwee, zelfs lichamelijk. Het leven op school was streng en totaal anders dan het vrije leven dat ik in Indonesië kende. Het eten, de regels en het leven in grote groepen, daar moest ik aan wennen. Ik voelde me vaak ongelukkig en moest telkens opnieuw wennen na een vakantie thuis.

Toch vond ik manieren om ermee om te gaan. Ik maakte vriendinnen en probeerde mijn eigen weg te vinden, hoe moeilijk dat ook was.’

Welke moeilijke momenten heeft u als kind meegemaakt?
‘Op de kostschool had ik het soms zwaar. Zo had ik moeite met het eten, vooral met brood. Ik verstopte het en gaf het aan eendjes. Toen dat ontdekt werd, kreeg ik straf. Ik werd geslagen met een kleerhanger. Dat was een harde en pijnlijke ervaring. Ik huilde niet, ondanks de bedoeling dat ik dat wel zou doen. Ik was koppig en hield mijn gevoelens voor mezelf. Ik leerde al jong om sterk te zijn en mijn emoties niet altijd te tonen.’

Welke herinneringen heeft u aan uw jeugd?
‘Aan mijn tijd in Indonesië heb ik mooie herinneringen. We hadden een groot huis en een tuin met dieren zoals kippen, eenden en een hond. Ik kon vrij rondlopen en spelen.

In Nederland was dat anders. De huizen waren klein en ik moest me aanpassen. Toch vond ik ook daar vriendinnetjes en leerde ik mijn weg te vinden. Op de kostschool beleefden we ook avonturen. We speelden, verkenden het gebouw en haalden kattenkwaad uit.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892