Erfgoeddrager: Tessa

‘Maar mijn moeder stimuleerde mij om verder te studeren’

De leerlingen Fee, Pim, Charlotte en Tessa worden met de auto gebracht naar het huis van Joyce Dompi. Mevrouw Dompi (1945) zat al helemaal klaar voor het interview en ze begint te vertellen dat zij een lange tijd in Limburg heeft gewoond. De leerlingen vinden dat heel bijzonder, want zij heeft geen enkel Limburgs accent.

U heeft tot uw twintigste in Suriname gewoond, zou u iets over uw jeugd kunnen vertellen?

‘Ik ben geboren in Paramaribo en kom uit een arm gezin van acht kinderen (vier jongens en vier meisjes). Mijn ouders werkten allebei keihard om ervoor te zorgen dat wij niks te kort kwamen. Omdat ik het oudste meisje was, zorgde ik voor het gezin als zij gingen werken. We gingen ’s morgens om zes uur met oma naar de kerk voor de dienst van zeven uur. Oma heeft ons goed opgevoed met het katholieke geloof. Ons is altijd geleerd om zelfstandig te zijn en niet de slaaf van een ander te worden. Ook moesten wij Nederlands praten, en was het verboden Surinaams te spreken. Ik heb niet veel van de slavernij in Suriname meegekregen, omdat daar nooit over gesproken werd. In mijn jeugd werd er niet naar het verleden gekeken, alleen naar de toekomst.’

Wat was de reden dat u naar Nederland ging? En zijn er meer familieleden meegekomen?

‘Ik ben naar Nederland gekomen voor studie. In Suriname haalde ik mijn diploma toen ik achttien was en kreeg ik een baan als onderwijzeres. Mijn plan was eigenlijk om een mooi huis te laten bouwen voor mijn ouders en mij. Ik wilde ze weg uit die ellende. Maar mijn moeder stimuleerde mij om verder te studeren. Dit kon niet in Suriname. In Nederland ben ik toen naar de Pabo gegaan. Na vier jaar heb ik ook mijn ouders en twee zusjes naar Nederland gehaald. Uiteindelijk heeft een groot deel van mijn familie in Nederland gewoond, maar zijn er ook weer een aantal teruggegaan naar Suriname.’

U bent toen bij uw oom gaan wonen in Limburg. Had u nog meer familie in Nederland?

‘Ik had nog wel meer familie in Nederland, maar daar had ik geen contact mee. Toen ik naar Nederland kwam, zou ik eerst op kamers in Utrecht gaan wonen. Mijn oom en tante uit Limburg kwamen mij van Schiphol ophalen en zouden mij naar Utrecht brengen. Maar omdat het nog twee weken duurde voordat mijn opleiding begon, ging ik met ze mee naar hun huis. Drie maanden later had ik mijn eigen huis in Brunssum.’

Vindt u het belangrijk dat de geschiedenis gedeeld wordt, en zo ja, waarom?

‘Ja, In Suriname leer je alles over Nederland, maar hier in Nederland leren de kinderen veel te weinig over Suriname. Niemand leert hier iets over de provincies of de verschillende seizoenen. En er wordt veel te weinig aandacht besteed aan de historie, bijvoorbeeld over de slavernij en de rol van Nederland hierin. Ook weten maar weinig mensen dat er veel Surinamers hebben meegevochten in de TweedeWereldoorlog. Zij waren in dienst van Nederland en werden uitgezonden naar Nederland. Sommigen keerden na afloop weer terug naar Suriname, anderen bleven in Nederland. Mijn neef heeft hier ook meegevochten en hij was laatst op de televisie in een programma over de herdenking. Ik ben hier heel trots op!’

Erfgoeddrager: Tessa

‘Het waren angstige uren, opeengepakt met nog meer mensen, terwijl de grond schudde en de bommen vielen’

Jeanette Krijgsman-Snoeck woonde tijdens de oorlog in Den Helder, maar maakte het begin ervan in alle hevigheid in Rotterdam mee. Aan Charlotte, Tessa en Juste van basisschool De Cilinder in Alkmaar vertelt ze over de oorlog en over de onrechtvaardigheid die ze toen en nog altijd voelde.

Hoe wist u dat het oorlog was?
‘Er werd al heel wat geroezemoesd over de Duitsers die er aankwamen, maar het leek allemaal niet zo’n vaart te lopen. Ik werd in het voorjaar van 1940 samen met mijn oudste broer naar mijn lievelingstante in Rotterdam gestuurd waar ik een aantal maanden zou logeren. Mijn broer zat daar op de zeevaartschool. Op 14 mei van dat jaar ging het luchtalarm af. Mijn broer nam me snel mee naar het souterrain. Het waren angstige uren, opeengepakt met nog meer mensen, terwijl de grond schudde en de bommen vielen. Toen we weer naar boven konden, zagen we dat alle huizen aan de overkant van de straat verwoest waren. Alleen de trappen stonden er nog. Wonder boven wonder had het huis van mijn tante lichte schade. De oorlog was een feit en angstig dichtbij gekomen.’

Moest u onderduiken?
‘Ik woonde met mijn ouders in Den Helder. We werden uit ons huis gezet en kregen 24 uur de tijd om wat spullen bij elkaar te rapen. Verder moesten we alles achterlaten, waaronder best wat mooie antieke spullen, bijzondere klokken en meubels. M’n ouders hadden het allemaal opgeborgen in een kamer met een slot, maar na de oorlog was alles weggehaald.
We woonden de rest van de oorlog in Sint Pancras. Eerst allemaal opgesplitst bij andere families en later met mijn oudere broer, die in het verzet zat, en mijn ouders in een aardappelschuur waar een soort huisje van gemaakt was. Tijdens een razzia had mijn broer geen tijd zich te verstoppen. Mijn verzwakte, bleke moeder ging snel op bed liggen, met hem verstopt achter haar. Toen de Duitsers binnenkwamen, kuchte en rochelde ze overdreven en zei ze dat ze heel ziek was en dat het besmettelijk was. Daar werden ze door afgeschrikt; ze wisten niet hoe snel de deur weer dicht moest.
Ik vond het verschrikkelijk om in een dorp te zitten zonder al mijn vriendinnetjes. De mensen hier waren niet Rooms-katholiek en we werden niet altijd zo vriendelijk behandeld vanwege ons geloof. Ik vond dat als klein meisje zo oneerlijk en kon me niet voorstellen dat dat geloof van hen goed was als je je naasten zo slecht behandelt.’

Voelde u angst tijdens de oorlog?
‘Ik was een heel gevoelig meisje en piekerde veel. Ik vond het zo verschrikkelijk dat er opeens bordjes hingen en dat er van alles verboden was voor Joden. Ik heb gezien dat Joden werden afgevoerd in een vrachtwagen, moeders met kinderen ook. Ik reed op mijn autoped rond en zong zelfgemaakte liedjes over dat er ‘nooit, nee nooit meer oorlog zou moeten zijn’.
Er werd ook verboden om met meer mensen samen op straat te lopen en toen ik op een dag met drie vriendinnetjes gearmd over straat liep, begon een Duitse soldaat te schreeuwen. Hij schoot eerst in de lucht en toen richtte hij zijn geweer op ons en riep dat we uit elkaar moesten gaan. Vier meisjes van een jaar of zeven, acht jaar, doodsbang door die schreeuwende soldaat, die daarna heel hard lachte. Ik vloog een winkel in. Ik werd door een mevrouw naar huis gebracht en was totaal van slag’.

Wat voelde u toen de bevrijding daar was?
‘Ik kon mijn geluk niet op, er kwamen vliegtuigen over met voedselpakketten – de honger was het laatste jaar vreselijk – en het was groot feest, met dansen op straat, genieten van het vrij zijn én we konden weer terug naar Den Helder.
Ik denk nog wel eens aan de oorlog en had zo graag gewild dat ik alle onschuldige mensen had kunnen redden. Ooit kreeg ik ruzie met een Duitse man op het strand, omdat hij de voetbal van spelende kinderen had afgepakt. Ik kneep met mijn lange nagels in zijn arm tot hij de bal teruggaf. De boosheid over de onrechtvaardigheid in de oorlog ben ik nog niet te boven.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892