Erfgoeddrager: Meinke

‘Als ik over de wereld reis, word ik me bij elke grens bewust van mijn huidskleur’

Het huis van Nelson Carrilho ligt midden in de Jordaan. Als Ginger, Keje en Teun van Het 4e Gymnasium binnen komen, staan ze in een kunstenaarsatelier. Grote bronzen beelden – lichamen zonder hoofd of met een masker op – staren hen aan. Nelson is 67 jaar, geboren op Curaçao en verhuisde naar Nederland toen hij elf jaar oud was. Hij deed de Rietveldacademie en heeft in Nederland als kunstenaar veel grote opdrachten gehad.

Hoe was uw situatie op Curaçao?
‘Mijn vader kwam uit Suriname en mijn moeder uit de Britse kolonie Antigua. Ze waren naar Curaçao gekomen om bij Shell te werken. Met m’n moeder sprak ik Papiaments, maar dat sprak m’n vader niet. Mijn ouders spraken Engels met elkaar. Als kind op Curaçao merkte ik niet zoveel van de Nederlanders. Zij woonden in aparte dorpen waar wij niet mochten komen. Er was bewaking. Omdat de Nederlanders hun eigen plekken hadden, was er niet een directe confrontatie in huidskleur. Je zag bijvoorbeeld wel dat alle hoofdonderwijzers blank waren. Op een gegeven moment was er voor mijn vader geen werk meer en is hij naar Nederland gekomen. Ik kwam een jaar later en nu woon ik hier al 56 jaar. Ik heb altijd wel een verlangen naar huis gehad – het leven is daar prettiger – maar ik ben toch Amsterdammer geworden. Ik zit hier op een mooie plek in de Jordaan. Het lijkt een beetje op Curaçao; de Jordaan is ook een dorp waar iedereen elkaar kent en nu met al die expats wordt er ook veel Engels gesproken.’

Merkte u in Nederland iets van discriminatie?
‘Ik kwam naar Nederland in de jaren 60. In die tijd waren er hier grote omwentelingen; jongeren zette zich af tegen hun ouders met het dragen van een minirok en roken op school. Wij Antilianen vonden dat prachtig. Aan de andere kant waren er wel heftige confrontaties, want als we uit gingen werden we wel eens geweigerd in een club. Maar ik was nog jong, voor mijn ouders was het moeilijker. De ouders van mijn moeder zijn in die tijd naar New-York geëmigreerd. Die woonden in de Verenigde Staten in de tijd dat Martin Luther King werd vermoord. Dat sloeg gigantisch in bij ons gezin. We hadden geen mobiel, dus we konden niet even naar Amerika bellen om te vragen hoe het ging. Ondertussen zaten wij in Nederland tussen bijna alleen maar blanken. Het volgende zwarte gezin woonde op 4 km afstand. We hadden geen zwarte kerk of buurthuis, dus die pijn moesten we binnen het gezin dragen. En dat voelde ik, die pijn van mijn ouders heb ik ook in mij. Zelf heb ik wel geluk gehad; mijn vader sprak goed Nederlands omdat hij uit Suriname kwam, daardoor sprak ik ook goed Nederlands en kon ik hier een opleiding doen. Mijn broers en zussen hebben ook allemaal gestudeerd en zijn goed terechtgekomen. Dus ik voel me geen slachtoffer. Ik zie heel veel slachtoffers met al die oorlogen en migratie tegenwoordig. Wie ben ik dan om slachtoffer te gaan zitten zijn?’ 

Waarom bent u kunst gaan maken?
‘Voor mij was discriminatie een uitdaging. Bij mij was er een drang om te werken met die pijn. Het is ook een collectieve pijn, dus het was een start om iets te doen voor de gemeenschap. Mijn beelden dragen bij aan die discussie over de ontmenselijking van het koloniaal verleden. Ik ben nu bezig met een beeld voor het Westerpark dat gaat over ‘de schoonheid zien in ieder ander’. De schoonheid in de ander zien, is ook de menselijkheid in de ander zien. Want het koloniale systeem was een systeem van ontmenselijking. Kinderen werden los gemaakt van hun familie omdat ze op school leerden dat Nederlands de enige goede taal was. En hoe donkerder je huid was, hoe minder je was, dus moest je zorgen dat je trouwde met iemand met een lichtere huid. Kroeshaar werd ook niet goed gevonden. Ons werd verteld dat alles wat ons toebehoorde – zoals haar, kleur en taal – minderwaardig was. Zo ging je haten wat je in de spiegel zag en waar je vandaan kwam. Als ik over de wereld reis, word ik me bij elke grens bewust van mijn huidskleur. Het koloniale systeem heeft ervoor gezorgd dat wereldwijd op een slechte manier naar onze huidskleur wordt gekeken.’

Erfgoeddrager: Meinke

‘Op school leerden we: ‘Eerst Nederland zien, dan sterven’

Het is dik tien minuten lopen van Het 4e Gymnasium naar de woning van Irving Gill (79). Daar is het behaaglijk warm. Irving is de kalmte zelf; hij straalt rust uit. Meinke (14) en Joost (14) wachten geduldig met vragen stellen tot Irving koffie heeft gezet. Irving kwam als 27-jarige vanuit Suriname naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Suriname?
Ik groeide op als drie na jongste in een groot gezin. Het was alsof we een voetbalteam waren. Iedereen had zijn taak, maar we deden ook veel samen. Het was de mooiste tijd van mijn leven. Je had nog niet zoveel informatie als nu; de wereld was klein en overzichtelijk. Alles wat je als leuk ervoer, bleef ook leuk. Nu hoor je over vluchtelingen en armoede. Dat was vroeger niet, dat kwam niet in je huiskamer. Toen ik zo oud was als jullie, was ik de koning te rijk. We hadden geen zorgen.’

Wanneer kwam u naar Nederland?
‘Ik was toen al getrouwd, maar ik ging alvast vooruit naar Nederland. Later kwamen ook mijn vrouw en zoon. Om eerlijk te zijn, was ik nooit van plan hier te komen. Ik werkte destijds bij de Koninklijke Marine als burgermedewerker. Ik had heel veel vrienden onder die jongens. Die hebben me zo bewerkt dat ik uiteindelijk de beslissing heb genomen om hier te komen. Ik had geen flauw idee wat ik zou gaan doen. Wij waren opgevoed onder de Nederlandse vlag. Op school leerden we: ‘Eerst Nederland zien, dan sterven.’ Nederland werd gezien als het moederland. De koningin was onze moeder.’

Hoe kijkt u naar de wereld?
Ik zie de wereld als mijn eigendom. Je kunt het zo mooi of lelijk maken als je zelf wilt. Ik mag je of ik mag je niet. Ik leg alles op een weegschaal. Wat me niet aangaat, laat ik aan me voorbij gaan. Heel veel Surinamers waren de kluts kwijt toen ze hier kwamen. Ze moesten zich aanpassen, dingen doen die ze niet gewend waren. Ik dacht: ‘Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan?’ Je moet je overal aanpassen vind ik. Ik heb een stichting opgericht die later de brede school is geworden. Ik had een constructie bedacht om mensen bij elkaar te brengen en te houden. ’s Ochtends werden de kinderen bij mij gebracht zodat de volwassenen konden gaan werken. Ik bracht om half negen de kinderen naar school. In totaal heb ik zo’n 500 kinderen opgevangen. Heel veel kinderen bleven bij mij hangen. Maar ik word ook een jaartje ouder, dus ik heb gezegd dat kinderen van 0 tot 12 jaar ondersteuning krijgen. Daarna moeten ze naar de ouders. Ik word ook wel de oppasopa van de buurt genoemd. Als het niet op z’n Hollands kan, dan doen we het op z’n Surinaams. Als iets niet lukt, moet je zelf iets bedenken en gewoon beginnen. Dat is altijd mijn motto geweest.’

Heeft uw huidskleur invloed gehad op hoe u over de wereld denkt en hoe de wereld over u denkt?
‘Als jij het niet leuk vindt, keer ik me van je af. Jij hebt dan een probleem met mij, omdat ik misschien een andere huidskleur heb. Maar dat zit niet in mijn systeem, want ik zie iedereen als mens. Daarom zeg ik ook: ‘De hele wereld is van mij.’ Ik zie geen huidskleur. We hebben elkaar nodig. Toen ik nog in het Surinaamse oerwoud als landmeetkundige werkte – ik kende het oerwoud als zeventienjarige niet zo goed – hoorde ik een innerlijke stem zeggen: ‘Je bént er, als je me weet te gebruiken, overleef je het.’ Al die jaren heb ik overeenkomstig de natuur geleefd en zonder problemen kunnen werken. Toen ik jaren later het besluit nam om hier te komen, hoorde ik die stem weer. Ik was geland op Schiphol. Er woei een koude wind. Ik stond bibberend te wachten op de mensen die me zouden ophalen. Nu zei de stem: ‘Als je doet wat ik wil, zul je overleven.’ Die twee stemmen moest ik op een weegschaal leggen om te weten hoe ik ermee om moest gaan. In Suriname moet je zelf achter alles aangaan, maar hier in Nederland is alles geregeld. Als ik ergens voor in aanmerking kwam, moest ik het gebruiken. Zo niet, dan moest ik zelf iets verzinnen. Alles is van jou, maar je moet weten hoe ermee om te gaan.’

Erfgoeddrager: Meinke

‘De kogels vlogen rakelings langs mij en m’n broertje’

Wietske Johanna Bakker Derksen was vijf jaar toen de oorlog begon. Als klein kind had ze het helemaal niet zo slecht toen. Ze ging gewoon naar school en had ook genoeg te eten, want ze woonden op het platteland en hadden een grote tuin. Ze was wel eens bang in de oorlog en de winters waren koud. Aan Meinke, Kyara en Iris van de 1e Montessorischool in Alkmaar vertelt ze wat ze nog weet.

Wat vond u van de oorlog?
‘Ik heb niet zo heel veel heeft meegemaakt tijdens de oorlog, maar sommige dingen blijven je wel bij. Zo moest ik bijvoorbeeld iedere dag echt ver lopen naar school aan de Munnikenweg. Ik herinner me dat ik altijd kousen aan had en koude benen had. Op een keer kwam er er een bus van het Rode Kruis langs en daar werd door de Duitsers op geschoten. De kogels vlogen rakelings langs mij en m’n broertje. We vluchtten snel in een greppel. Dat was heel eng.’

Was u in de oorlog arm?
‘Ja, wie was er in de oorlog niet arm. Van oude spullen werden nieuwe gemaakt en hout was er niet genoeg. Alles werd omgehakt. De ene dag stond er dan nog een rij bomen, de volgende ochtend waren die weg. Ik ging wel eens met vrienden houten deurtjes jatten; dan moesten we wegrennen voor de Duitsers. Eten was er in ons gezin wel genoeg. We hadden een grote tuin waar eten werd verbouwd en we hadden ook wat dieren. Zo werd er wel eens voor de Kerst een bokje geslacht, want dan hadden we iets extra’s.’

Kende u mensen die wel moeilijke dingen meemaakten in de oorlog?
‘Mijn vader heeft een tijd in Duitsland in een kamp gezeten. Daar weet ik verder niets over, want daar werd niet over gesproken thuis. Ze wilden ons zo beschermen. Ik had ook een Joods vriendinnetje dat ondergedoken zat en van wie de ouders werden opgepakt.’

Heeft u nog voorwerpen uit de oorlog?
‘Als enige heb ik nog een pop uit die tijd. Die heb ik samen met mijn vader bij de speelgoedwinkel Van Endel in Alkmaar gekocht. Mijn vader kwam toen uit België voor zijn werk en wilde me verrassen voor mijn verjaardag. Die pop bewaar ik goed en is me heel dierbaar.’

         

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892