Lovis, Mads en Sophia van basisschool De Talisman in Eindhoven mogen met de auto naar Rob Berk. Het hagelt als ze naar de voordeur rennen. Zijn vrouw doet de deur open en heeft allerlei lekkere dingen klaargezet in hun mooi ingerichte huis. Meneer Berk is geboren in Indonesië in 1942. Hij was vijftien jaar toen hij in Nederland aankwam, slechts gekleed in een dun bloesje en korte broek. Hij steekt meteen van wal en vertelt openhartig dat hij nu hulp krijgt voor alles wat hij in zijn jeugd heeft meegemaakt.
Hoe was het leven in Indonesië en hoe reisde u naar Nederland?
‘Mijn ene grootmoeder kwam van Java, en de andere uit Sumatra. In die tijd trouwden Europese mannen vaak met lokale vrouwen. Zo ontstond een gemengde familie. Ook ik ben een kind van Nederlandse en Indonesische ouders. Mijn vader was Nederlands, vandaar mijn achternaam Berk.
Na 1945 kwamen mijn ouders uit de oorlog. De tijd in de Japanse kampen had diepe sporen nagelaten en de omstandigheden waren zwaar. Mijn ouders droegen veel trauma met zich mee. In 1949 brak opnieuw onrust uit, toen ik acht jaar was. De Indonesische bevolking wilde gemixte mensen zoals wij niet meer. We moesten het land uit.
We reisden per vrachtboot naar Nederland, samen met andere Indische families. De reis duurde een maand. Er was geen privacy en het was er heet, in het vooronder stonden veldbedden voor ons. Het waren geen fijne omstandigheden.
Een keer zaten we in de bioscoop. Achter ons zat een jongen die aan het haar van mijn zus trokken. Ik vroeg ze een paar keer om te stoppen, maar hij ging door. Uiteindelijk heb ik hem geschopt. Hij begon te huilen en ik werd naar de kapitein gestuurd en in een hok opgesloten. Ik vond dat oneerlijk. Ik ben opgevoed met het idee dat je meisjes met zachtheid moet behandelen. Mijn zus had een zacht karakter en ik voelde dat ik voor haar moest opkomen.’
Vertel eens over het spelen buiten?
‘Toen mijn vader, een KNIL-militair, krijgsgevangen werd gemaakt, kwam mijn moeder met vijf kinderen terecht bij een rijke oom. Hij was een dominante en strenge man. Als ik bijvoorbeeld te laat thuiskwam, mocht ik soms niet eten of buiten spelen.
Toch was ik een kind dat graag speelde en op een dag viel ik uit een boom en liep ik een flinke wond op. Ik moest naar het ziekenhuis. Het was in de tijd van de Japanse bezetting, waarin kleine jongetjes soms werden meegenomen. Terwijl ik achterop de fiets bij mijn moeder zat, probeerde een Japanse soldaat mij te pakken. Op dat moment greep een andere oom in en hij heeft mijn leven gered.’
Hoe was het in Nederland aan te komen?
‘Mijn vader ging ons voor naar Nederland om een huis en werk te zoeken. In Den Haag vroeg hij als repatriant hulp aan. Hij was beroepsmilitair geweest, maar na de oorlog werd hij ontslagen en we kregen geen geld.
Na de lange bootreis kwamen ook wij aan in Rotterdam. We werden in bussen gezet en naar Breda gebracht. Het was koud, ik droeg een korte broek en een dun bloesje.
We werden ondergebracht in pensions, vaak grote, statige huizen met veel kamers. In Breda kregen wij één kamer voor het hele gezin. We mochten niet zelf koken en kregen eten dat we niet gewend waren, zoals aardappelen, boontjes en soms spek. Ook in kleine dingen merkten we het verschil. Wij waren gewend om elke dag te douchen, maar in Nederland gebeurde dat vaak maar één keer per week. Dat vonden wij vreemd en onhygiënisch.
Ik ging naar de mulo, maar voelde me daar niet thuis. Ik was geen goede leerling en had moeite om me aan te passen. In de klas werd ik vooraan gezet omdat ik niet stil kon zitten. Ik kreeg ook vaak straf, ik werd uitgekafferd, ‘kaffer dat je bent’, dat betekent straatjochie. Ook werd ik uitgescholden vanwege mijn huidskleur, ‘zwartje, ga terug naar waar je vandaan komt’.
Pas jaren later realiseerde ik me: we hadden geen keuze. We moesten hier blijven en ons leven hier opbouwen. En dat heb ik gedaan, ik ging werken voor Philips en reisde als projectmanager de hele wereld over.’








