Erfgoeddrager: Koen

‘Vader bleef maar doortrappen’

Koen, Viggo en Kees van basisschool De Weidevogel wonen alle drie in Durgerdam op de dijk. Daar woont ook al 55 jaar Waling van Wijngaarden. Dat is meteen al leuk: een buurman interviewen! Tijdens de oorlog was meneer Van Wijngaarden wel jong, maar sommige dingen herinnert hij zich nog goed. Hij woonde in die tijd in de Indische buurt. Dat was nog een vrij nieuwe buurt, vlakbij een park en bij het water.

Had u het door dat het oorlog was?
‘Nou, dat kan haast niet want ik was nog zo jong. Maar ik kan me nog heel flauw herinneren dat ik vliegtuiggeronk hoorde en ook het schieten. Het was een beetje eng allemaal. Ik heb later van mijn broers gehoord dat bij ons thuis in de keuken altijd een tas met broodjes en kleding klaarstond. Dat was voor als er een bom op het huis zou vallen, dan konden we meteen weg. Maar dat is gelukkig nooit gebeurd.’

Woonde er ook NSB’ ers bij u in de buurt?
‘Bij sommige buren hingen posters voor het raam, en vlaggen met hakenkruisen. Die waren van de NSB. Naast ons woonde een NSB-familie. Met hun zoon speelde ik wel. Pietje Goudriaan heette ‘ie. Het was geen onaardige jongen, hoor. Hij liep aldoor in een zwart uniform want hij zat bij de Jeugdstorm. Ik had weleens een beetje ruzie met hem. Aan de achterkant van onze huizen hadden we een balkon en als ik weer eens kwaad op hem was, riep hij over die balkons: “Wat is er Waling, wat is er?” En dan riep ik terug: “Dat zwarte pak dat je aan hebt, dat stinkt. Dat vind ik een vies uniform. En jullie hebben een rot Hitler-vlag.” Dat zei ik en ging weer naar binnen. Ik reageerde mijn boosheid een beetje op hem af.’

Werden er ook mensen die u kende door de Duitsers afgevoerd?
‘Dat gebeurde meestal ’s nachts. Op de hoek van onze straat zat een drukkerij, Rotgans heetten die mensen. Ze hadden zoons met wie ik wel eens speelde. Die mensen waren ineens afgevoerd. Alles wat van waarde was in die drukkerij hebben ze toen geroofd.’

U hebt tijdens de oorlog ook nog in Wierden gewoond. Hoe kwam u daar terecht?
‘Op een gegeven moment ging het een stuk slechter in Nederland. We hadden niet meer zoveel te eten. De christelijke school waar ik op zat, de Derde Elthetoschool, regelde dat je kon worden geplaatst bij een gastgezin in de provincie om aan te sterken. Zo kwamen wij terecht bij de familie Ter Haar uit Wierden, dat is in Overijssel. Alleen moest je er zelf zien te komen. Eerst bracht mijn vader mijn oudere zus erheen, op de fiets. En begin 1943 gingen ook ik en mijn broer Hessel naar Wierden. Wij waren inmiddels 5 en 6 jaar oud. We gingen op de fiets bij mijn vader, die was oersterk, één voorop en één achterop. Mijn moeder had als proviand, pannenkoeken gebakken en water mee gegeven. Onderweg zagen we overal Duitse soldaten, bij het luchtafweergeschut, bij bruggen en rivieren…het was voor ons een avontuur. Onderweg vielen we in slaap, maar vader bleef maar doortrappen. Onvermoeibaar leek het. Na een paar dagen kwamen we aan in Wierden, op de Almelose Straatweg, het nummer ben ik vergeten. Daar werden we hartelijk ontvangen door de boerenfamilie Ter Haar. De vader van het gezin noemde ik opa. Hun twee zonen, Jan en Henk, waren een stuk ouder dan ik. Op de boerderij woonde ook dochter Dine en haar man Mans, en natuurlijk mijn eigen zus Gerrie. Opa werkte op de boerderij aan de overkant als boerenknecht. Ik werd liefdevol opgenomen in de familie, maar had aan het begin wel vreselijke heimwee. Ik had daar gelukkig wel veel vriendjes en ging ook gewoon naar school. Graag speelde ik bij op de boerderij aan de overkant. Het was een fijne tijd. Mijn broer Hessel zat bij de familie Lozeman die ook in Wierden woonde, maar dan helemaal aan de andere kant van het dorp. Ik zag hem niet vaak. Wel drie jaar heb ik bij die familie gewoond. Ik heb ook altijd contact met ze gehouden.’

Bent u ooit gevlucht voor de Duitsers?
‘In april 1945, ik was intussen 7 jaar en zat nog altijd bij de familie Ter Haar, stond ik met Henk voor het huis. We voelden dat er wat broeide. Opeens stopte een Duitse legerwagen bij ons en stapten er Duitse soldaten uit. Ze begonnen in de voortuin schuttersputten te graven. Dat deden ze ook bij de andere woningen aan de overkant. Het huis stond midden in het frontgebied. De Wehrmacht bezette de voorkant van de woning, dat was een soort erker, en plaatste er mitrailleurs. Wij moesten drie dagen en nachten een schuilkelder in. Die schuilkelder was in de wekkelder, die lag een paar meter onder de grond. Vroeger hadden de mensen nog geen koelkasten, en daarom stopten ze de groente en fruit in wekpotten en zetten die dan luchtdicht in de wekkelder. Zo konden ze in de winter ook groente en fruit eten. Van die kelder had de familie Ter Haar een schuilkelder gemaakt. Om de kelder lagen nog zakken zand als kogelvangers. Ik heb doodsangsten uitgestaan. We schuilden daar met vijf personen, ook de buren zaten er met z’n drieën. Er werd zwaar geschut in stelling gebracht, hoorde ik opa zeggen. Je kon stiekem kijken, maar eigenlijk mocht dat niet. Toen begon het… De hel brak los. Mitrailleurvuur uit het voorhuis en langs de Rijkstraatweg. Nog hoor ik de kogels fluiten en inslaan. Ik heb doodsangsten uitgestaan. Tijdens een frontpauze wilde de buurman even naar zijn huis. Opa raadde het hem nog af, maar hij ging toch. Buiten ontplofte er een mortiergranaat. De buurman was op slag dood.’

         

Erfgoeddrager: Koen

‘Ik voelde me zo rijk als ik met iets thuiskwam’

Toen de oorlog begon woonde Gerda Schipper in de Rozenhagestraat 40 en ze zat op de Kuyperschool. Dat is nu de Willem van Oranjeschool. Ze had een oudere broer van 15 en een jongere broer van 7 jaar. ‘Ik was even oud als jullie nu zijn’ vertelt ze. James, Koen en Janna van de Bos en Vaartschool zitten bij haar aan tafel en zijn nieuwsgierig naar haar verhaal.

Kunt u zich de eerste dag van de oorlog nog herinneren?
‘Ik weet het nog precies. We zaten in de tuin, het was 10 mei 1940 toen we de vliegtuigen hoorden. Mijn moeder riep: ‘Naar Binnen! Naar Binnen!’  De dag erna was ik jarig en werd ik 12 jaar. Dan begrijp je al een heleboel. We zagen de Duitse soldaten Haarlem binnen marcheren. Het was allemaal heel strak georganiseerd, echt gedrilde mensen. We gingen nog maar halve dagen naar school omdat in ons gebouw Duitse soldaten waren gestationeerd. Toen moesten we een ander gebouw delen met de katholieke school.

Ik speelde vaak met mijn overbuurmeisje Meta ten Brink. Op een dag was de hele familie meegenomen. Het was vreselijk, het waren hele aardige mensen. Haar moeder was ook zo lief. Mijn moeder troostte mij, want ik begreep niet waarom ze weg moesten. Ze waren Joods’.

Hoe kwam u aan eten?
‘Het eten werd slechter en slechter. Er was niets meer. Ik haalde waterige soep bij de gaarkeuken aan de Paul Krugerkade. We verlichtten de kamer met een fiets met dynamo, dan moest je trappen. Het was altijd koud. In de woonkamer stond een kacheltje met een pijp. Daarop zetten we een noodkacheltje, zo groot als een blik, om we eten op te warmen. Dat kacheltje stookten we met zaagsel. Vlakbij was een houthandel en ik mocht drie keer per week een zakje zaagsel opvegen. Uren stond ik in de rij bij het Krom, daar kreeg ik weleens een kooltje of een bietje. Ik voelde me zo rijk als ik met iets thuiskwam.

We hadden geen schoenen. Ik had een houten zool en in de Spaarnwoudestraat was een winkel waar je petroleumpitten kon krijgen. Die spande ik dwars over die houten zool en zetten ze vast met koperen spijkers aan de zijkant. Dat waren mijn schoenen.
We woonden naast een kruidenierswinkel. De buurman verkocht brood, dat hij haalde hij aan de Lange Margarethastraat, vlakbij de Hema. Maar met alle razzia’s durfde hij niet meer naar buiten. Toen moest ik van mijn moeder het brood halen, verstopt in een grote mand. Het was wel spannend want je kon zo overvallen worden. Ik was wel trots dat ik iets kon doen. Als dank kreeg ik op zaterdag een half broodje. Mijn moeder was zo blij als een hond met twee staarten!’

Wat was het spannendste dat u heeft meegemaakt?
‘De Sinterklaasrazzia, dat was heel eng. Mijn broer was inmiddels 18 en was ondergedoken. De soldaten kwamen bij ons thuis om mijn broer te halen. Ik vond het zo eng, en dat terwijl mijn broer niet eens thuis was. Ik zweette peentjes! Ze liepen door de kamer en die soldaat stak zo zijn bajonet door de matras. Stel je voor dat mijn broer zich onder het bed had verstopt, dan had hij dat niet overleefd. De buurjongens werden meegenomen, die heb ik nooit meer gezien…Toen alles voorbij was, kwam die mevrouw waar mijn broer was ondergedoken langs met de verlossende woorden, “Jan is er nog hoor”.
De bevrijding heb ik uitgebreid gevierd. De Canadezen kwamen met jeeps over de Jansweg. Ik sprong erop en ben helemaal meegereden tot de Jan Gijzenkade. Ik kreeg chocolade. Na de oorlog ging ik weer naar school, naar het ECL.’

 

Erfgoeddrager: Koen

‘De Japanse soldaten gaven mij soms een stukje chocolade, of een balletje rijst’

Paul Koster(1935) is een hartelijke man die heel goed kan vertellen over zijn jeugd in Nederlands-Indië. Dat ontdekten Angelo, Koen, Arda en Kevin toen zij hem interviewden in zijn huis aan de Rembrandstraat in Zaandam.

Hoe was uw situatie thuis, had u broers of zussen?

‘Ik woonde als kind in Semarang (Java) samen met mijn ouders en mijn twee zussen. Mijn ouders hadden goed werk, zodat we geen armoede leden. Mijn moeder was onderwijzeres en mijn vader had een hts-opleiding. Ik woonde op een suikeronderneming, maar vanwege de oorlog moesten we die verlaten. Thuis sprak ik altijd Nederlands, dat moest van mijn ouders. We hadden thuis een baboe. Zij deed vooral klusjes, maar ze lette ook op ons als onze ouders aan het werk waren. Op straat sprak ik een beetje Javaans en Maleis. Maleis was toen de handelstaal, de inheemse kinderen spraken vooral Javaans.’

Wat vond u zelf leuk om te doen als kind?

‘Ik vond het leuk om op straat te slenteren en te spelen met anderen uit de buurt. Toen het oorlog was, had ik geen school en dat vond ik geweldig. Ik speelde vaak op straat en dat was natuurlijk heel leuk op mijn leeftijd. Er werd soms ruzie gemaakt tussen groepen kinderen op straat, bijvoorbeeld tussen Indo’s en Indonesiërs. In de oorlog werd mijn vader krijgsgevangen genomen. Met mijn zussen bleef ik bij mijn moeder en mijn oma. Het was een rare tijd. Op straat liepen overal Japanse soldaten. Ze gaven mij en mijn vrienden soms een stukje chocolade, of een balletje rijst.’

Wat vond u ervan om naar Nederland te komen?

‘Niet één Indische man, vrouw of familie wilde graag naar Nederland vertrekken. Maar het moest, door het onderscheid van de blanken, en de (half) gekleurde mensen. Ik wist dat het moeilijk voor mij zou zijn om een goede baan of een hoge functie in een bedrijf te vinden, toch vertrok ik uiteindelijk op zeventienjarige leeftijd naar Nederland. Ik vond de ontvangst in Nederland vrij lastig. Ik kwam terecht in een internaat in Zuid-Holland. Tijdens mijn werk ben ik vier maanden in Japan geweest om schepen – die daar voor minder geld konden worden gebouwd – te bouwen en repareren. Ik werkte met mensen van allerlei nationaliteiten samen. Ik leerde ervan dat we elkaar allemaal konden aanvullen, want iedereen had verschillende vaardigheden. Het was een belangrijke levensles: elkaar niet discrimineren op uiterlijk of afkomst, maar kijken hoe goed we met elkaar op kunnen schieten en wat we van elkaar kunnen leren.’

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892