Erfgoeddrager: Kenza

‘Hier in huis spreken we geen Surinaams’, zei mijn moeder.

Ashika, Lehan en Kenza van het Edith Steincollege in Den Haag, interviewden Jean Milan. Ze werd geboren in 1947 in Paramaribo.

Hoe was het leven toen in Suriname?
‘Ik kom uit een gezin met vijf kinderen. Mijn vader had zijn eigen zaak, hij was begrafenisondernemer en mijn moeder was huisvrouw. Zij zorgde voor de kinderen en deed af en toe ook de catering op recepties, voor de directie van de KLM. Wij kwamen uit de middenstand. Elke dag hadden wij te eten, maar er was geen luxe. Ik heb de onafhankelijkheid in Suriname, 43 jaar geleden meegemaakt. Ik ben naar het stadion gegaan waar de nieuwe vlag werd gehesen. Dat maakte mij trots.’

Hoe was het op school?
‘Wij schreven op een lei en later op de middelbare school met een pen met een veer, die je in inktkoker moest dopen. Surinamers zijn erg streng met kinderen en de leerkrachten waren acht uur per dag je moeder en je vader. Er waren meisjes- en jongensscholen. Op mijn school zaten Hindoestanen, Japanners, Chinezen en Libanezen. Pesten bestond niet!  We waren allemaal Surinamers. De Nederlandse taal, was de enige officiële taal, andere talen waren verboden. Je leerde de Surinaamse taal gewoon op straat, onderling spraken we dat, maar thuis mochten we dat niet! Surinaams is een taal die door de slaven werd gesproken, zodat de witte mannen het niet konden verstaan. Het is een mengeling van verschillende talen. Het bestaat o.a. uit het Frans en het Engels.

Ik heb de lagere school gedaan, daarna de MULO. Op mijn vijftiende,  ging ik in het weekend helpen in het ziekenhuis. Op mijn achttiende mocht ik de verpleging in en daarna heb ik de opleiding psychisch zorg gedaan, om met mensen te werken met een geestelijke beperking.’

Wat is het verschil in het hebben van respect in Nederland en Suriname?
‘In Suriname kun je geen scheldwoorden gebruiken, het is veel strenger. Hier gaan mensen vaak in discussie met elkaar. Je moet niet met je ouders in discussie gaan. Je mag inspraak hebben, dat is goed, maar er zijn grenzen. Bij Surinamers blijft je kind heel lang thuis, wij kennen geen studentenflats. Je blijft thuis tot je trouwt met iemand.

Als laatste wil ik jullie dan ook meegeven, respect voor je ouders moet je altijd hebben, wanneer je ze niet meer hebt, merk je wat je mist!’

Erfgoeddrager: Kenza

‘Om aan eten te komen, zochten we graan op het land van boer Jansen’

Mevrouw Van Soest ontving Branwen, Kenza, Amber, Kees en Rutger van Et Buut vriendelijk in haar huis in Zaandam. Zij vond het fijn om de kinderen mooie verhalen te vertellen. Maar soms had ze ook wel wat moeite om iets naars te vertellen. Het was dan te emotioneel voor haar.

Heeft u meegemaakt dat er Joodse kinderen werden meegenomen?
‘Ik was zes jaar toen ik voor het eerst naar school ging. In datzelfde jaar begon de oorlog. Een vreselijke tijd, niet te begrijpen. Ik woonde in de Burgermeesterbuurt en zat op de Klaas Katerschool, waar nu de Fluxus zit. Op een dag werden alle Joodse kinderen de klas uit gehaald. Wij werden de school uitgejaagd en moesten vluchten.’

Zag u op straat veel gevechten?
‘We hebben gezien dat er op de Burcht en de Prins Hendrikkade werd gevochten en dat er tien mensen werden neergeschoten. De doden werden in vuilniswagens afgevoerd en anderen werden opgepakt en in vrachtwagens afgevoerd. Je moest heel erg oppassen op straat.’

Hadden jullie onderduikers in huis?
‘Bij ons thuis waren mensen ondergedoken, kennissen maar ook vreemden. Ik vond dat spannend. Soms dook de broer van mijn moeder bij ons onder. Hij verstopte zich in de kledingkast in de gang. Een keer werd midden in de nacht door de Duitsers op de deur gebonsd. Klaas, mijn broer, moest mee. Mijn zus is snel naar de overbuurman gegaan om te waarschuwen dat de Duitsers kwamen en dat ze moesten vluchten. Ons gezin, mijn ouders, mijn broer en zus en ik, vluchtten ook. In jolletjes (roeibootjes) gingen we via de sloten het weiland in. Ons huis keek namelijk uit over de weilanden en molen de Poelenburg.’

Hadden jullie genoeg te eten?
‘Om aan eten te komen, moesten we graan zoeken op het land van boer Jansen. Het graan maakten we fijn zodat mijn moeder er koekjes van kon maken. Als er echt niets te eten was, kregen we bloembollen, zoals tulpenbollen en narcissenbollen. Of zelfgemaakte pudding. Dat smaakte heel vies, het leek net een drankje. Soms moesten we dagen lopen om aan eten te komen. Dan gingen we langs bij kennissen die een boerderij hadden. Onze familie woonde in Friesland en stuurde wel eens spek en aardappelen. Maar het kwam nooit bij ons aan, de Duitsers hadden het al in beslag genomen. Soms moesten we eten stelen, dat deden we dan bij mensen die fout waren in de oorlog.’

    

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892