Erfgoeddrager: Keith

‘Het verzet in IJssalon Koco’

Op nummer 149 in de Van Woustraat, waar nu Sishalounge 555 zit, zat vroeger IJssalon Koco. Koco behoorde tot een keten van meerdere ijssalons. De gehele keten was in het bezit van Alfred Kohn (Ko) en Simon Cohen (co). In de Van Woustraat runde Alfred Kohn de zaak samen met Ernst Cahn. Cahn en Kohn zaten in het verzet. Keith, Pelle en Tyson gingen naar het Joods Historisch Museum en zochten in de archieven naar het verhaal achter het verzet bij Koco. Ze vertellen:

De inval
“IJssalon Koco werd door Joodse knokploegen gebruikt als vergaderplek. Op 19 februari 1941 deed de Duitse politie een inval in de ijssalon. Het verhaal gaat dat tijdens die inval één van de eigenaren een fles ammoniakgas richtte op de indringers. De politie begon te schieten, bestormde de winkel en pakte later op de avond de ontsnapte eigenaren op. Alfred Kohn stierf na deportatie en Ernst Cahn werd op 3 maart 1941 geëxecuteerd.”

Andere versie
“Bij ons onderzoek vonden we ook een ander verhaal over deze inval. De Duitse politie zou zelf per ongeluk op een buis hebben geschoten waardoor ammoniak vrijkwam. We zijn er niet achter gekomen welke versie de juiste is, en wat er nou precies gebeurd is tijdens de inval.”

Razzia’s en Februaristaking
“Na de inval van de Duitse politie bij Koco volgde de vervolging en dood van de twee eigenaren. Maar de Duitsers namen meer strafmaatregelen. De eerste grote razzia’s vonden plaats: twee dagen durende razzia’s op Joodse mannen. In totaal werden toen 427 Joden opgepakt en gedeporteerd.

Als reactie op deze razzia’s riepen arbeiders en Joden samen op tot een grote staking. Op 25 februari 1941 werd op verschillende fabrieksterreinen in Amsterdam en op andere plaatsen gestaakt. Dat was de beroemde ‘Februaristaking’ die nu nog ieder jaar wordt herdacht.” 

Uit de politiearchieven van politiebureau Pieter Aertszstraat: “Rapport Bp. Ertzen dat circa 10 uur, door Duitsche Politie een inval is gedaan in perceel Van Woustraat 149, ‘IJssalon Koco’, eigenaar Alfred Kohn, 50 jaar, woont Van Woustraat 149 I. Volgens verklaring dezer (Duitsche) Politie werd uit het perceel op hen geschoten en werden zij binnentreden met ammoniak bespoten.”

Erfgoeddrager: Keith

‘De Oranjeschool: verzet in de Oranjestraat’

Wij zijn Keith, Aysa en Nancy, 12, 10 en 11 jaar oud. We spraken mijnheer Dubiez in het huis waar hij al zijn hele leven woont. In de oorlog woonde hij er met zijn vader en Joodse moeder. Mijnheer Dubiez vertelde heel goed. Het leukste vond ik dat hij vertelde dat hij midden in de Hongerwinter een keer bij de slager mocht eten. Hij kreeg daar vlees, aardappels en lof. Hij zag het eten en dacht toen: bah, lof!

Wat deed u overdag?
“Ik ging naar de Oranjeschool. Die was in de Tolstraat op nummer 84. Elke dag liep ik van huis naar school, door de Diamantstraat en de Lutmastraat. Regelmatig kwam ik onderweg Duitse soldaten tegen. Die deden je niets. ’s Middags speelde ik op straat met vriendjes. Als het luchtalarm afging, schuilden we even in een portiek. Daarna speelden we weer door.

Soms waren er razzia’s, dan mochten we niet de straat op. Mijn moeder moest dan ook extra oppassen. Stiekem keek ik dan door het raam. Ik heb gezien hoe de familie De Haan werd meegenomen, een jongetje met zijn ouders. Hij had een handdoekje bij zich. Met zijn vader en moeder liep hij in de richting van de tram, onder toezicht van soldaten van de ‘Grüne Polizei’. Dat was de laatste keer dat ik de familie De Haan heb gezien. Hun huis stond leeg. Er kwamen weer andere mensen wonen: een familie met drie kinderen. Die kinderen werden vriendjes.”

Was iemand die u kende betrokken bij het verzet?
“De hoofdonderwijzer van de Oranjeschool was actief in het verzet. Dat was mijnheer Cappon. Hij woonde tegenover ons huis. Hij heeft onze Joodse overburen, de familie Prins, gered. Tijdens een razzia stond de familie in hun portiek klaar voor transport. Op één of andere manier werd het gezin over het hoofd gezien door de Duitsers. Mijnheer Cappon zag dat en deed gauw zijn deur open: ‘Kom snel naar binnen! Ze zien jullie niet.’ De familie Prins is de rest van de oorlog ondergedoken in hun eigen huis. Mijnheer Cappon heeft voor hen gezorgd. Vanuit het verzet kon hij aan valse bonkaarten voor eten komen.

Op de Oranjeschool was overigens meer verzet. Er werden daar ook illegale kranten gedrukt. Pas na de oorlog heb ik deze verhalen gehoord.”

Was u bang in de oorlog?
“Nee. Ik zag het gevaar niet, en realiseerde me niet wat er gebeurde met mijn eigen familie. Mijn grootouders en mijn tante woonden bij ons in de straat. Ik kwam veel bij hen over de vloer. Ik was er kind aan huis. Mijn tante naaide prachtig. Ze zijn alle drie vermoord in concentratiekamp Sobibor. Toen ze dood gingen waren ze jonger dan ik nu ben. Ze hadden niets misdaan.

Mijn moeder heeft haar leven te danken aan het feit dat ze met een niet-Joodse man was getrouwd.” 

“Op deze foto zie je mij met mijn nichtje Josephine, en in het midden mijn neefje Maurice. Maurice is vijf jaar geworden. Hij is samen met zijn ouders vergast in Auschwitz.
Tijdens het interview

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892