Erfgoeddrager: Keano

‘Niets van hen is teruggevonden, zelfs geen schoen’

Adrie Beeks woonde tijdens haar jeugd in de Pastoriestraat in Eindhoven. Keano, Ravi en Mohamed gaan met de auto over kleine landweggetjes naar de boerderij van haar zoon in Best, waar het huisje van de 93-jarige Adrie ook staat. De leerlingen van basisschool Atalanta zijn een beetje zenuwachtig. ‘Je gaat toch bij een vreemde op bezoek,’ zegt Keano. Maar Adrie neemt bij binnenkomst direct hun zorgen weg. ‘Kom maar mee met ons moeder!’ Elf jaar was Adrie toen de oorlog begon. Ze was de middelste van zeven kinderen. Haar vader werkte bij de spoorwegen. Zijn seinhuis is in 1944 door het Duitse leger opgeblazen.

Hadden jullie een schuilkelder in de oorlog?
‘Onder de trap hadden we een kelder, die helemaal onder de gang liep. Daar konden we in schuilen. Mijn vader werkte bij het spoor, voor de Duitsers. Soms moest hij onderduiken, omdat Duitse soldaten mannen kwamen ophalen om in Duitsland te werken. In de huiskamer onder het vloerkleed hadden mijn ouders een gat in het zeil gezaagd. Dat ging naar een extra, geheime schuilkelder. Als hij zich daar verstopte, zat hij er helemaal opgevouwen in. De soldaten zochten het hele huis door, maar konden nooit iets vinden. Als het luchtalarm ging terwijl ik op school zat, moesten we schuilen op de gang bij de kleuters. Dat heb ik één keer gedaan. Ik vond het vreselijk; al die kinderen huilden en schreeuwden. Ik klom dan over de poort en liep zo hard als ik kon naar huis. Maar daar aangekomen, stuurde mijn moeder mij gewoon weer terug naar school.’

Wat herinnert u zich van het Sinterklaasbombardement?
‘Ik weet nog dat ik met mijn zus uit het slaapkamerraam keek, over de velden richting Son. We zagen heel laag vliegtuigen over gaan. Het waren Engelse vliegtuigen, die de Philipsfabriek kwamen bombarderen. Ze vlogen bijna over de grond, om zo onder de radar te blijven. Bij ons huis trokken ze dan weer op. Mijn zus en ik zwaaiden naar de piloten. Eenmaal bij de Philipsfabriek aangekomen, begonnen de bombardementen. Wij gingen schuilen in de kelder. Mijn oudste zus was zo bang. Ze riep: “Heilige Maria, moeder van God….” Ze maakte iedereen gek. Ik zei tegen mijn moeder: “Geeft haar er een, geeft haar er een.” Er is ook een keer aan het begin van de Kruisstraat een V1-raket neergestort. Mijn oudste zus wilde die avond net met haar vriendinnen naar de stad, maar mocht niet uit van vader. Haar vriendinnen gingen wel en waren precies op de plaats waar de raket neerstortte. Er is niets meer van hen teruggevonden, zelfs geen schoen.’

Kende u ook Joodse mensen die opgepakt zijn?
‘Tegenover ons woonde een Joods gezin met drie kinderen. Op een ochtend kwam er een grote militaire vrachtwagen de straat in rijden. Er sprongen allemaal Duitse soldaten achter uit de klep. De soldaten gingen naar binnen en even later zag ik ze met de vader en de kinderen Hansje en Lucie naar buiten komen. Een soldaat had een geweer op hen gericht. Hun moeder was net de hond uitlaten. Ze had het kunnen overleven, maar ze rende hard naar hen toe. Ze wilde niet alleen achterblijven. Ze zijn allemaal vermoord. Alleen hun baby, die ze naar een onderduikadres hadden gebracht, overleefde de oorlog. In diezelfde straat woonden ook NSB’ers, waarvan de dochter bij mij in de klas zat. Omdat niemand met haar wilde spelen en ik dat zielig vond, speelde ik maar met haar. Zij kon er niets aan doen. Op een dag zaten ze in hun zwarte uniformen in de kerk. De pastoor weigerde hun de hostie te geven. Dat vond ik net goed. Wij gooiden ook altijd bij NSB’ers de ruiten in. Dan renden we snel naar de tuin van de pastoor om ons daar in de struiken te verstoppen.’

Heeft u ook mensen dood zien gaan in de oorlog?
‘Op een dag liet een hele aardige Engelse soldaat aan wat jongens bij ons in de straat zien hoe je een handgranaat scherpstelt. Ik stond met mijn buurmeisje ernaar te kijken. De soldaat struikelde echter over een uitstekende wortel van een boom. De granaat stond nog scherp en ontplofte, waardoor de soldaat en een andere, die vlakbij stond, omkwamen. Ook een vader die twee huizen verderop bij de deur stond, was op slag dood doordat een scherf zijn hoofd raakte. Mijn buurmeisje kreeg een scherf in haar been. Die ging aan de ene kant erin en aan de andere kant eruit. Ik had een klein scherfje in mijn arm. Je kunt het litteken nog zien.’

Wat weet u nog van de bevrijding?
‘Toen kwamen er veel Engelse soldaten naar Eindhoven; ze sliepen in de jongensschool, vlak bij ons huis. Wij hadden een hele brede stoep en die zetten de Engelsen helemaal vol met kisten met munitie. Zo hoog als dit plafond. Ze deden er camouflagenetten overheen, zodat vliegtuigen dat vanuit de lucht zagen. Als er een bom op zou zijn gegooid, was heel Woensel de lucht in gevlogen!’

 

Erfgoeddrager: Keano

‘Ik was vreselijk bang dat hij zou zien dat Kareltjes haar geverfd was’

Keano, Jorrit en Kris van de H.J. Piekschool kennen de weg in Wageningen goed en rijden zo naar het huis van Iet Schoorl. Het is een prachtig huis op de begane grond, met uitzicht op een magnolia en het Torckpark. “In mijn jeugd zouden we nu door een dik pak sneeuw lopen en schaatsen,” begint mevrouw Schoorl het gesprek.

Waar woonde u in de oorlog?
‘Ik ben geboren en opgegroeid in Wageningen. Ik heb hier altijd gewoond, maar niet tijdens de oorlog. Toen huurden mijn ouders een huis in Bennekom. Mijn vader had een laboratorium waar veel Joodse mensen ondergedoken hebben gezeten. Ik vond het erg gezellig dat er onderduikers waren. Na schooltijd ging ik altijd even langs. Ze stelden me dan vragen over school. Ze hadden natuurlijk veel tijd en vonden het ook leuk dat wij kinderen daar langskwamen. Ik kom uit een groot gezin en mijn ouders waren altijd erg druk; met het fruitbedrijf en met het verzamelen van voedsel voor zoveel mensen. Mijn ouders hebben in de oorlog vijftig mensen gered. Daar ben ik heel trots op, maar ik heb er ook trauma’s van. Het was allemaal zo verschrikkelijk. Niet iedereen overleefde het natuurlijk. Ik denk momenteel vaak aan twee Joodse jongens, Ben en Joost. Die zijn opgepakt en vermoord. Ik heb ze nooit meer gezien. Ook mijn vader is opgepakt en gevangengezet, omdat hij Joodse mensen verborgen hield. Een spannend moment was die keer dat we op de fiets onderweg waren naar een schuilplaats. Er was een Joods jongetje bij ons, Kareltje. Zijn haar was geblondeerd, zodat hij er niet Joods uitzag. Onderweg kwamen we een Duitser tegen die een arm om Kareltje sloeg. Hij was vriendelijk, maar ik was vreselijk bang dat hij zou zien dat Kareltjes haar geverfd was.’

Hadden jullie een auto in die tijd?
‘Mijn ouders hadden een auto voor de oorlog, een Oostenrijkse Steyr. Mijn grootvader had er zelfs twee! Dat was erg bijzonder in die tijd. Mijn grootvader is in de oorlog gestorven en na de oorlog mochten wij zijn auto hebben. Dat was een Ford V8. Ik herinner me nog dat we na de Bevrijding de verjaardagen van mij en mijn zusje hebben gevierd. We mochten toen met al onze vriendinnetjes in Wageningen naar de bioscoop. We reden er met de Ford V8 naartoe. We zaten met z’n tienen in en op de auto, dat was een feest!’

Ging u tijdens de oorlog naar school?
‘Ja. Ik heb vroeger ook op de Piekschool gezeten. Ik zat bij meneer Koenders in de klas en herinner me hoofdmeester Piek nog goed. Hij stond altijd zo rechtop. Mijn zoon heeft later ook op de Piekschool gezeten en ook ooit een werkstuk over de oorlog gemaakt. Hier is het, de voedselbonnen zitten erin. Afgelopen jaar heb ik op 17 september in Wageningen een toespraak gehouden. Er kwam een nieuw monument voor de slachtoffers van het bombardement op de wijk Sahara, op 17 september 1944. Het was een bom van de geallieerden die op een Duits doelwit gericht was, maar op de woonwijk terecht kwam. Dat was vorig jaar precies 75 jaar geleden. Op mijn toespraak ben ik wel trots, dat ik daar stond als een dame. Ik was geen verlegen meisje meer.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892