Erfgoeddrager: Jade

‘Mijn Joodse hoofdmeester werd uit de klas gehaald’

Jade, Isabella, Dante, Jean-Pierre en Nadia van de Bosschool in Bergen interviewen de 89-jarige Frans Busselman in de tuin. Op anderhalve meter afstand. Hij was negen toen de oorlog begon en woonde toen in de Spaarndammerbuurt in Amsterdam.

Hoe was het leven in de oorlog? Hoe anders was die tijd dan nu?
‘Het was een hele andere tijd sowieso. Kleding zag er heel anders uit, minder kleurrijk vooral. Meisjes droegen geen broeken; dat kon niet in die tijd. Je had toen ook geen telefoon thuis, en een smartphone was er natuurlijk al helemaal niet. Er was wel een enkel telefoonhokje, maar meestal belde je bij een bedrijf of garage. Kinderen speelden op straat; daar groeide je op. We pinkelden of we gingen putten, een soort voetbal waarbij de putten aan weerskanten van de straat het doel waren. Er waren bijna geen auto’s. In onze straat was er één. Die reed op gas en had een ballon vol gas op het dak. Een andere auto verderop werd op hout gestookt. Op school was er scheiding van geloof en in zwembaden werden meisjes en jongens  gescheiden. Ik droomde ervan om een beroemd zwemmer te worden. Ik zwom en trainde iedere dag.’

Hadden jullie honger in de oorlog?
‘Ik kwam uit een arm gezin. De eerste drie jaar van de oorlog ging het nog wel, maar de laatste twee jaar hadden we honger. Er was geen eten, omdat alles naar de Duitse legers ging. Wij kregen voedselbonnen en plakzegels die je in kon leveren. Ook maakten we hongertochten; we gingen op de fiets naar boeren om spullen te ruilen voor voedsel. Geld was niets waard, omdat er bijna niets te koop was. Daarom ruilden mensen dingen voor eten. En wat er te koop was, was heel duur: één ei of een fles slaolie kostte 100 euro! Er ontstond veel zwarte handel waar veel geld mee werd verdiend. Na de oorlog was al het oude geld niets meer waard. Er werd nieuw geld gedrukt en iedereen kreeg een tientje. Met het oude geld kon je de muren behangen.’

Wat vond u het ergste toen?
‘Dat we zo weinig te eten hadden en dat er iedere nacht duizenden vliegtuigen overvlogen op weg om Duitsland te bombarderen. Een keer zagen we een vliegtuig recht in de kerk belanden. Ook is mijn Joodse hoofdmeester toen de oorlog begon door de Gestapo uit onze klas gehaald en afgevoerd naar Duitsland. We woonden in een buurt met veel Joodse mensen. In die tijd woonden mensen van een bepaalde groep – Joden, katholieken, communisten – bij elkaar in de buurt. Onze buurt werd afgezet met borden. ‘Joods kwartier’ stond er op. Veel Joden doken onder. Er waren Nederlanders die hen verraadden en daar geld voor kregen, maar er waren ook Nederlanders die ze in huis namen; dat was best gevaarlijk.’

Hoe was de Bevrijding?
‘Toen bekend werd dat we bevrijd waren, ging ik naar de Dam in Amsterdam. Het stond er vol mensen. Ineens begonnen Duitsers te schieten op de menigte. Ik stond daar middenin. Dat was heel eng. Iedereen rende weg. De burgerstrijdwachten konden de boel niet handhaven. Ik ben hotel De Roode Leeuw ingevlucht.’

           

Erfgoeddrager: Jade

‘Bij de grenspaal spraken we met mijn Duitse oma’

Ilse van Bakel was vier jaar toen de oorlog begon. Ze woonde toen met haar ouders en vier broers – twee oudere en twee jongere – op hetzelfde adres als waar ze nu woont. Twee broers overleden door de oorlog. Haar opa en oma waren Duits en ook haar opa kwam om in de oorlog, in het Duitse leger. Aan Francesco, Quin, Jade en Marwa van basisschool De Troubadour in Eindhoven vertelt ze haar herinneringen.

Hoe kwam u aan eten?
‘Mijn moeder haalde rogge bij de boeren, die dat helemaal niet mochten verkopen of ruilen van de Duitsers. Ze had een soort gordel voor onder haar kleren gemaakt, met allemaal vakjes erin. Daar kon ze de rogge indoen en dan zag niemand dat ze dat bij zich had. Je leek wel wat dikker, maar met een jas eroverheen viel dat niet op. Ze heeft onder andere de kinderwagen die ze niet meer nodig had geruild voor eten. We hoefden zo geen honger te lijden. Mijn drie jaar oudere broer ging een keer met haar mee. Een boerin haalde speciaal voor hem een beker melk. Hij zei tegen mijn moeder dat die melk niet lekker was. Daarna werd hij heel erg ziek – ze wisten niet wat er aan de hand was – en is hij overleden. “Fred komt niet meer terug,” zei mijn moeder toen ze uit het ziekenhuis terugkwam. Dat was natuurlijk heel triest. Jaren later hebben ze dat uitgezocht en toen kwamen ze erachter dat die boer en boerin allebei tyfusdragers waren. Dat krijg je als je onder slechte omstandigheden leeft.’

Bent u nog meer familie kwijtgeraakt door de oorlog?
‘Mijn andere broer, Walter, overleed na de oorlog door een granaat. Die had hij met een vriendje op het vliegveld Welschap gevonden en op zijn kamer gelegd. Toen hij op een dag huiswerk maakte met een vriendje, ging hij ermee spelen. De granaat viel, hij wilde ‘m oprapen en toen is ie in zijn gezicht ontploft. Bij het vriendje was zijn hele hak eraf geslagen. Mijn broer is overleden. Heel triest. De oorlog was al lang voorbij.’

U had Duitse grootouders, hoe was dat?
‘We hebben de hele oorlog geen contact gehad met mijn moeders familie in Duitsland. Direct erna zijn we ergens in Limburg bij een grenspaal gaan staan. Wij mochten niet de grens over naar Duitsland en mijn grootmoeder niet naar Nederland. We hebben toen bij die paal staan praten. Ik kende mijn oma nauwelijks meer want we hadden haar de hele oorlog niet gezien. Later mocht je onder de slagboom door en mocht je in een cafeetje een uur wat drinken met elkaar.’

Wat was het heftigste bombardement in Eindhoven?
‘Ik herinner me dat we hier in het halletje bij de voordeur stonden te schuilen. De voordeur moest openblijven bij een bombardement, want als er een bom viel dan kreeg je een bepaalde luchtdruk waardoor de deur uit zijn voegen getrokken kon worden. Het vliegveld werd een keer gebombardeerd met brandend fosfor. We zagen een rood gordijn van dat spul over de velden langstrekken. Dat was heel griezelig. Eén bom is hier in de zijstraat gevallen, in de gang bij de achterburen. De bewoner daar zat net op de wc. Hij kon er niet uit omdat de bom niet was ontploft. Bij de minste of geringste beweging kon die toch nog ontploffen. De brandweer heeft die man heel voorzichtig bevrijd. Wij moesten daarvoor allemaal het huis uit.’

           

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892