Erfgoeddrager: Famke

‘Ik zei: “Dank je wel, rotmof!” en toen begon hij te huilen’

Als Sil, Boele, Famke, Febe, Julia en Hansje van de Bosschool in Bergen aankomen bij de Ruinekerk om het interview met Gerrit Sijpheer voor te bereiden blijkt de lange tafel waar ze willen interviewen bezet. Daarom ploffen ze in het gras en bereiden daar de vragen voor. De 80-jarige Gerrit komt er gezellig bij zitten. Hansje is jarig en iedereen zingt voor haar. En dan kan het gesprek beginnen. Halverwege schuift het gezelschap op naar de schaduw.

Hoe was het in Bergen in de oorlog?
‘Bergen was bijzonder, omdat we hier een vliegveld hadden. De militairen en luchtmacht waren hier de baas, maar ze waren minder streng en minder erg dan op andere plekken.
Wij woonden aan de Prinsesselaan. Mijn drie jaar oudere broer moest altijd op mij passen en dat vond hij heel vervelend. We gingen vaak met vriendjes – Leo, Theo, Siem en Hans – slootje springen. Ik donderde altijd in de sloot, omdat ik heel klein was en nooit die grote sprongen kon maken. Dan was mijn moeder weer kwaad op me omdat dat water smerig was met kroos.’

Wat deden uw ouders?
‘Mijn vader was meteropnemer. Hij kwam bij iedereen aan de deur en wist dus ook van iedereen waar onderduikers terecht zouden kunnen. Mijn moeder moest voor de hele meute eten koken; voor haar drie kinderen en acht onderduikers. Ik vind het geweldig knap dat het haar altijd gelukt is om iedereen te eten te geven. Mijn vader was leider van de ondergrondse en degene die zich in Bergen bemoeide met het onderbrengen van Joodse onderduikers. Ook mijn ome Freek had onderduikers. Hij werkte bij de PTT en op een dag werd hem door een Joodse meneer gevraagd om zijn familie onder te laten duiken. Mijn vader vertrouwde het niet en hij bleek gelijk te hebben. Het bleek om Joodse mensen te gaan die door de Duitsers gedwongen werden om anderen te verraden. Toen ome Freek terugkwam van zijn werk zag hij dat alle onderduikers bij hem in huis werden opgepakt. Zijn vrouw was hoogzwanger; die lieten ze achter.’

Was u bang?
‘Ik was bang voor de mannen met die grote geweren die in het dorp rondliepen. Ik herinner me een soldaat die op me afliep met een groot geweer. Ik schrok me rot en rende heel snel terug naar huis. Mijn moeder deed de deur open en ik zag de Duitse soldaat de hoek omkomen. Hij kwam naar ons toe en vroeg aan mij: “Heb je honger?” Natuurlijk had ik honger! Toen kreeg ik een hele dikke pil brood met kaas ertussen. Ik zei: “Dank je wel, rotmof!” De soldaat begon te huilen. “Wat is er aan de hand?” vroeg mijn moeder. Net die dag was zijn dorp in Duitsland helemaal platgebombardeerd en zijn hele familie was omgekomen. Hij had ook een kind van mijn leeftijd en daarom moest hij huilen. Mijn moeder was een verzetsvrouw en moest toen een Duitse soldaat troosten. Ik herinner me ook dat ik vliegtuigen laag over de huizen en weilanden zag vliegen en verderop zag neerstorten bij de Vinkenbaan. Dat bleken Poolse vliegeniers. Dat maakte zo’n indruk, dat blijft me altijd bij. Hun graven liggen achterin de begraafplaats hier in Bergen.

Had u veel contact met de onderduikers bij u thuis?
‘Ze waren mijn familie! Mijn grote zus van nu 93 jaar zat bij ons ondergedoken. En ook een jongen, David. Hij was twaalf en mocht zelden naar buiten en verveelde zich natuurlijk. Maar mijn vader was een goede goochelaar en vermaakte de onderduikers, die vrijwel altijd binnen zaten, met zijn optredens. David leerde van mijn vader fantastisch goochelen. Na de oorlog is hij over de hele wereld op gaan treden en heeft een beroemde act gemaakt en zijn geld ermee verdiend!’

        

Erfgoeddrager: Famke

‘De Duitsers belden niet netjes aan’

Marian Schaap trakteert Famke, Zen, Jady en Ichiro van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord op drinken en zelfgebakken koekjes. Ze is tijdens de oorlog geboren, waardoor ze er zelf geen herinneringen aan heeft. Toch kan ze de kinderen veel vertellen. Ze luisteren geboeid terwijl de kat van mevrouw Schaap af en toe over de tafel wandelt en ondeugend aan één van de koekjes likt.

Hoe kwam u erachter dat uw pleegzus niet uw echte zus was?
‘Toen ik geboren werd, was mijn zusje er al. Zij is als Joods onderduikstertje van 10 maanden bij mijn vader en moeder in huis gekomen. Haar vader en moeder woonden in de Rivierenbuurt in Amsterdam, maar werden op een dag opgehaald met een vrachtauto. Op het allerlaatste moment heeft de moeder van mijn zusje besloten haar bij de buren te brengen, die niet Joods waren. Wij woonden toen in Zaandam, waar een grote verzetsgroep actief was onder leiding van een boekhandelaar, meneer Brinkman. Hij heeft toen gekeken waar het kindje het beste naartoe kon. Mijn ouders hadden al aangegeven dat ze wel een onderduikertje in huis wilden nemen. Zo is mijn zus, waarschijnlijk door een arts en een verpleegkundige, bij mijn ouders gebracht. Ik wist eerst niet dat zij niet mijn echte zusje was. Maar op mijn 12e zag ik een brief op de kast liggen met daarin de echte achternaam van mijn zusje. Op school werd ze met onze achternaam genoemd, dus Schaap. Maar officieel stond ze nog steeds met haar oorspronkelijke achternaam geregistreerd. Ik heb mijn moeder toen gevraagd hoe het zat.’

Wat aten jullie in de oorlog?
‘Wat ik zelf heb gegeten, weet ik niet want ik was nog heel jong. Maar mijn ouders kregen soep uit de gaarkeuken. Dat was water met een kleurtje. Ze hebben veel honger gehad. En ze gaven eerder het eten aan ons dan dat ze het zelf opaten. Bij de bevrijding hadden de Canadezen chocola mee genomen. Chocola… daar wordt een mens blij van! Mijn zusje had een reep gevonden en hem opgegeten. Het was voor het eerst dat ze weer iets luxe hadden.’

Hoe hebben uw ouders de Bevrijding meegemaakt?
‘Ik denk dat ze heel opgelucht ademhaalden. Ze leefden al die tijd in spanning met de vraag of ze werden verraden. Ik heb zelf nooit die spanning gevoeld van soldatenlaarzen op straat. Hoe je dan misschien kramp in je maag krijgt bij de gedachte dat ze deur konden inrammen. De Duitsers belden niet netjes aan: ze wilden binnen zijn voordat iemand iets kon verstoppen.’

Erfgoeddrager: Famke

‘De fiets van mijn opa werd afgepakt, we moesten lopend naar huis’

Met de auto gaan Siem, Olle, Kai en Famke van de Mathieu Wiegmanschool in Bergen naar Alex Waslander. Ze worden warm welkom geheten in zijn huis dat vol kleurrijke moderne schilderijen hangt. De jonge interviewers gedragen zich voorbeeldig en de kwieke 84-jarige vertelt graag aan zijn bezoek over de oorlogsjaren in hun buurt.

Hoe was het als kind in de oorlog?
‘In de oorlog had je geen elektriciteit en dus geen licht; dat moest je zelf maken. Ik had van planken een propeller gemaakt en die zette ik op een fietsdynamo die weer verbonden was aan een fietslampje. Dat zette ik op een bezemsteel of op een stok op het dak. Door de wind ging de dynamo draaien en dan had je een klein lichtje.
We hadden geen douche. Eén keer per week gingen we in de tobbe en die dag kregen we dan schoon ondergoed. We aten gebakken bloembollen en eten van de gaarkeuken. Ook kregen we bonnenboekjes voor kleding. Af en toe kreeg ik briefjes mee. Die moest ik dan ergens bezorgen. Ik heb nooit geweten waar dat voor was. Als een Duitser iets vroeg moest ik zeggen dat ik van niets wist, werd me gezegd.’

Bent u bang geweest?
‘Honderden vliegtuigen kwamen dagelijks over om de schepen in het kanaal te bombarderen. Als dat gebeurde, doken we op school achter de boekenkast of achter de kolen in de bollenschuur. We waren heel bang. Mijn oom Dik fietste op een dag langs het kanaal toen een Engelse Spitfire een Duits schip aanviel. Hij werd geraakt door één van de kogels en heeft het niet overleefd. Gedood door zijn eigen mensen; dat is echt pech!
En een keer werd ik met mijn opa, we fietsen naar Alkmaar en ik zat achterop, bij het station aangehouden door een Duitse soldaat die dacht dat wij Joods waren. Gelukkig hadden we een identiteitskaart bij ons en mochten we weer verder. Wel werd de fiets afgepakt. We moesten lopend naar huis terug.
Goede herinneringen heb ik een de Bevrijding. Een colonne Canadese auto’s kwam met een noodgang over de vlotbrug langs het kanaal aanrijden. De soldaten deelden chocoladerepen uit en dat was lekker! Dat kun je je nu niet meer voorstellen.’

U woonde met uw moeder en zusje. Waar was uw vader?
‘Mijn vader was marinier en vocht in die tijd op de Javazee. Mijn moeder was altijd bang dat hem iets zou overkomen. Het Rode Kruis had geregeld dat mariniers iedere twee maanden een berichtje naar huis mochten sturen, zoals ‘alles goed, ik hou van jullie’. Als dat bericht niet kwam, was de kans heel groot dat hij overleden was. Mijn moeder had zoveel stress hiervan tijdens de oorlog dat zij altijd last van haar hart heeft gehouden.
Kort na de oorlog werden we gebeld door de politie dat mijn vader – na zes jaar – terug zou komen. Ik zat keurig te wachten, me afvragend hoe hij eruit zag. In de verte zag ik opeens een marinier met een plunjezak aan komen lopen. “Bent u mijn vader?:  vroeg ik hem eenmaal dichtbij. En hij antwoordde: “Als jij Alex bent, ben ik jouw vader”. Het was best vreemd. Na zoveel jaar moest ik hem opnieuw leren kennen. Ook mijn moeder en hij moesten erg aan elkaar wennen.’

         

Erfgoeddrager: Famke

‘Ongelooflijk dat we het allemaal hebben overleefd!’

Fien Benninga-Warendorf (1932) woonde tijdens de oorlog in de Gerrit van der Veenstraat en in de Chopinstraat. Ook kwam zij in verschillende kampen terecht. Madara, Silwan en Famke van de Olympiaschool interviewden haar.

Hoe was uw gezinssituatie?
Ik woonde in het begin van de oorlog in de Euterpestraat, die nu de Gerrit van der Veenstraat heet, met mijn ouders, mijn broer en zus. Mijn vader was jurist en was voor de oorlog al betrokken bij verschillende illegale krantjes. Tijdens de oorlog heeft hij geholpen met de oprichting van Het Parool. Hij zat vaak met zijn gedachten ergens anders. Dan was hij er wel, maar niet echt. Ik zat op school aan de Pieter Lastmankade, maar tijdens de oorlog moest ik verplicht naar de Joodse school. Ik had daar nooit bij stil gestaan. Ik voelde mij gewoon Nederlander, maar pas door de oorlog werd ik als Jood bestempeld. Voor mij ging het leven gewoon door. Ik speelde buiten en maakte plezier. Wij wisten van niets, er werd ook niets verteld, ook niet door mijn vader. Je bent nooit voorbereid op wat er zou gaan gebeuren.

Wat gebeurde er?
Een aantal mensen van Het Parool werd opgepakt en toen is mijn vader naar Engeland gevlucht. Op een dag in november 1942 werd er aangebeld. Er stond een bekende NSB’ er voor de deur en het hele huis werd doorzocht. Boven was een kamer op slot, daar stonden onze Sinterklaascadeautjes in. Die dag werden wij opgepakt en als ‘strafgeval’, omdat mijn vader in het verzet zat, naar de gevangenis gebracht. Daar kwam ook een andere familie binnen. Omdat zij opgepakt waren zonder ster moest de grote man die erbij was een shirtje van mij aan. We zijn naar Westerbork gebracht en daar zijn we anderhalf jaar gebleven.  Daarna zijn we naar Bergen-Belsen gestuurd. Daar stonden barakken met stapelbedden. Ik sliep met mijn zusje in een bed en mijn broertje sliep naast mijn moeder. De vrouwen gingen altijd recepten opnoemen. Dat krijg je als je honger hebt, dan heb je het alleen maar over eten. En elke dag moesten we door weer en wind op appèl staan. Mijn moeder had werk in een fabriek buiten het kamp. Daardoor hadden we wat extra eten. Zij moet heel sterk geweest zijn.

Hoe liep dat af?
In april 1945 werden we bevrijd. Mijn moeder en ik zaten op een bankje. We waren uitgehongerd, maar de zon scheen en je voelde dat de bevrijding op komst was. Toen werden we in een trein gestopt en hebben we dagen rondgereden. Bij Frankfurt zijn we door de Russen bevrijd. We mochten in een dorp op zoek gaan naar eten en een tijdelijk huis. Ik ben toen op zoek gegaan, want mijn moeder was heel ziek. Andere meisjes die daar ook waren, maakten rokken van gordijnen. Uiteindelijk zijn we door de Amerikanen naar huis gebracht. Op 29 juni kwamen we weer in Amsterdam aan. Ik vind het ongelooflijk dat we het allemaal overleefd hebben. Vlak na de oorlog zijn we naar mijn vader in Engeland gegaan en heb ik daar drie jaar op kostschool gezeten. We mochten niet meer over de oorlog praten, dat is een tragiek. Je besefte toen niet veel van die narigheid; je ging gewoon door met touwtje springen.

Erfgoeddrager: Famke

‘Mijn vader kwam met een lijkbleek gezicht mijn kamer binnen en zei: ‘Het is oorlog geworden’.’

Mevrouw De Gaay Fortman woont in hetzelfde huis als waar zij tijdens de oorlog woonde. Haar verhalen maken veel indruk op de kinderen die haar interviewen. Vooral als ze vertelt over onderduikers.

Hoe heeft u het begin en het einde van de oorlog ervaren?
Wij zagen de oorlog allemaal wel een beetje aankomen. Ik was 10 jaar toen de oorlog begon. Mijn vader kwam met een lijkbleek gezicht mijn kamer binnen en zei, ‘Het is oorlog geworden’. Ik lag in bed en sliep daarna gewoon lekker verder. Aan het einde van de oorlog was ik al een tiener. Mijn vriendinnen en ik hadden de leeftijd om meer bezig te zijn met jongens dan met oorlog. Aan het einde van de oorlog was ik dan ook aan het flirten met Amerikaanse soldaten.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
Ik woonde aan het begin van de oorlog op hetzelfde adres als waar ik nu woon. Wij moesten daar op een gegeven moment weg, aangezien de hele wijk ontruimd werd. Dat maakte toen heel veel indruk op mij, want verplicht verhuizen is op die leeftijd best heftig. Wij zijn naar Voorburg verhuisd, maar wilden later graag terug naar ons oude huis. Daarom haalde mijn moeder alle lichtknoppen en deurknoppen uit het huis, zodat in de tussentijd niemand ons huis in zou willen gaan. Hartstikke onhandig: een huis zonder knoppen en lichtknoppen. Maar voor ons was dat wel een handig truc.
Ik heb nog een periode op een boerderij in Friesland gewoond. Ik werd daar samen met een vriendin heen gebracht, omdat er thuis vrijwel geen eten meer was. Mijn ouders hadden veel last van de hongerwinter. Ik heb daar in Friesland weinig van gemerkt. Daar was wel genoeg te eten. Ik heb het daar ook best leuk gehad. We woonden bij twee ouderen van een jaar of 65. Door onze komst was het voor hun net alsof ze twee kleinkinderen hadden gekregen. We deden veel spelletjes en maakten soms huiswerk, dat ons werd opgestuurd. Later kwam mijn zus er ook nog bij.

Heeft u ooit onderduikers gehad?
Ja, in Voorburg hadden wij er twee. Een zwager en een meisje dat ik voor die tijd niet kende. Ze was een jaar of 18. Ik vond haar toen helemaal niet zo aardig. Ik kan me nog herinneren dat het altijd even schrikken was als de deurbel ging. De twee onderduikers vluchtten dan snel via een trap de kelder in van onze buren. Die wisten dus ook dat wij onderduikers hadden, maar zij waren wel te vertrouwen. Wij waren overigens niet de enigen met onderduikers. Je zag vaak bij mensen uit de straat vreemden naar binnen gaan. Eigenlijk wilde je daar dan zo min mogelijk over weten, zodat je ook niemand kon verraden.
Na een tijd konden we weer terug in ons oude huis, waar inderdaad niemand anders in was gaan wonen. In de straat zagen we dat bekenden van vroeger ook terugkwamen naar hun oude adres.

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892