Erfgoeddrager: Crystal

‘We vroegen ook om ‘cigarettes for daddy’. Maar die rookten we stiekem zelf op.’

Leen Commers zit aan het begin van de oorlog op school in de Viljoenstraat. Maar Duitse soldaten nemen de school over, waardoor alle leerlingen verplaatst worden naar een school in de Spionkopstraat. In 1944 wordt een huis tegenover die school geraakt door een brandstoftank van een Duits gevechtsvliegtuig. Het huis vliegt in brand en twee kinderen komen om.

Hoe heeft u het begin van de oorlog ervaren?
Op 10 mei 1940 werd ik ‘s morgens om 04:00 uur wakker van overvliegende Duitse vliegtuigen. Ik maakte snel mijn vader en moeder wakker. Mijn vader zei dat ik weer moest gaan slapen, maar mijn moeder die het lawaai ook gehoord had, zei dat mijn vader uit bed moest komen. We gingen naar buiten, net als alle andere buren, en we begrepen al snel dat de oorlog was begonnen. Vanuit de vliegtuigen gooiden de Duitsers kleine pamfletten met een oranje randje notabene. Hierop stond dat ze niet tegen Nederland vochten, maar tegen Engeland. Wel voegden ze er aan toe, dat iedere gewelddadigheid, die door de bevolking werd begaan, met de dood bestraft zou worden. Mijn ouders waren oorspronkelijk Rotterdammers en toen die stad werd gebombardeerd op 14 mei 1940, ben ik achterop bij mijn vader met de fiets naar Rotterdam gegaan, om te zien hoe het met onze familie ging. Gelukkig was iedereen ongedeerd.

Wat is het spannendste dat u heeft meegemaakt?
Als 10-jarig jochie stond ik op een dag op de Moerweg, vlakbij de Hadewychstraat, toen er boven het Zuiderpark heel laag een vliegtuig overvloog. Het was een Amerikaanse bommenwerper, die geraakt was door Duits afweergeschut en in grote moeilijkheden verkeerde. Het zag er heel duidelijk naar uit dat hij zou neerstorten. Ik had op die leeftijd nog nooit een vliegtuig van dichtbij gezien en vond het erg indrukwekkend. Een aantal bemanningsleden sprong met parachutes boven de voetbalvelden tegenover de Moerweg naar beneden en het vliegtuig stortte neer op de grens van Rijswijk en Wateringen. De twee piloten zijn daarbij om het leven gekomen. Vier bemanningsleden werden krijgsgevangen gemaakt en vijf mannen zijn met behulp van de ondergrondse ondergedoken in het Westland en in Den Haag. Zij hebben de oorlog allemaal overleefd.

Wat kunt u zich herinneren van de Hongerwinter?
In Den Haag was er niets meer te krijgen. We kregen van het Interkerkelijk Bureau extra eten, maar ook dat was niet genoeg. Er gingen ook veel mensen naar de boeren om meel te halen en dan kon je met dat meel bij de bakker een brood laten bakken. Mijn vader dacht slim te zijn door bloembollen te vermalen in de koffiemaler en dan mijn moeder daarmee naar de bakker te sturen. Dat werd vermengd met al het andere meel, dus wij kregen een goed brood. Maar mijn vader werd overmoedig en probeerde het nogmaals, maar toen had de bakker het door en gaf mijn moeder een heel klein broodje dat gemaakt was van die vermalen bloembollen. Dat was toch vies! Mijn vader heeft toen uit pure wanhoop het restant van dat broodje verkocht voor 50 gulden op de zwarte markt in de Hemsterhuisstraat. Hij heeft zich na de oorlog nooit meer durven laten zien in die straat. Ik werd door mijn ouders op een gegeven moment naar familie in Rotterdam gebracht om aan te sterken. Daar was bij boeren in de Hoeksche Waard nog eten te krijgen. Maar ik had enorme heimwee. Niet lang nadat ik terugkeerde vanuit Rotterdam, werden we bevrijd. Na de bevrijding stonden er op het Kaapse Plein allemaal Canadese voertuigen. Mijn vriendjes en ik gingen erheen en kregen chocolade. En we vroegen ook om ‘cigarettes for daddy’. Maar die rookten we stiekem zelf op!

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892