Erfgoeddrager: Cato

‘Ik hoorde de gebrandschilderde ramen versplinteren’

Minke, Cato en Julia van de Weidevogel in Ransdorp zijn een beetje te vroeg bij de flat van Harry Sablerolle in Amsterdam. Ze maken daarom maar eerst even een wandelingetje, en bellen dan aan. Meneer Sablerolle woont helemaal bovenin, met prachtig uitzicht over het Amsterdam-Rijnkanaal. Als ze dat hebben bewonderd, kan het gesprek beginnen.

Hoe wist u dat het oorlog was?
‘Ik was 6 jaar toen de oorlog uitbrak. In Amsterdam is niet gevochten, behalve op Schiphol. Ik speelde buiten met mijn Vliegende Hollander en zag opeens een auto, die had je toen nog niet veel. Een buurman was chauffeur van een belangrijke meneer van Schiphol. Die auto was van hem. In de autodeur zat een rond kogelgat. Zo hoorde ik dat het oorlog was. Maar ik wist niet wat dat betekende: legers, tanks en kanonnen…’

Had u ook Joodse vrienden?
‘Nee. Mensen van verschillende geloven leefden erg gescheiden van elkaar. Omdat wij katholiek waren, woonden we in een straat met woningen van een katholieke woningbouwvereniging. En ik zat op een katholieke school. Wel zag ik een keertje in de stad mensen met een ster op hun jas. Ik vroeg mijn moeder waarom. Ik had geen idee wat Joden waren.’

Wat gebeurde er tijdens het bombardement op de Ritakerk?
‘Op 17 juli 1943 vierden we dat de kerk 25 jaar bestond. We moesten binnen blijven omdat het luchtalarm ging. Ik hoorde een gegier, de bom sloeg door het dak en ontplofte in de grond. Ik hoorde de gebrandschilderde ramen versplinteren. Vreselijk gekrijs! Door het stikdonker van het gruis ben ik over puin en houtsplinters naar buiten gekropen. Er waren elf doden gevallen. Veel misdienaartjes, die kregen de bom praktisch op hun hoofd. Mijn broer was ook misdienaar, maar mijn moeder had hem naar Jamin gestuurd om suiker te halen. Dat was zijn geluk. Twee van zijn vriendjes waren dood. De bommen waren een vergissing, de Amerikanen wilden de Fokkerfabriek raken. Ik heb nooit wrok gehad tegen de Amerikanen. Nu zou je therapie krijgen, maar wij konden bijkomen in Lutjebroek. Dat was een katholiek dorp. De bewoners hebben wel 150 kinderen opgenomen.’

         

Erfgoeddrager: Cato

‘Mijn adem stond stil’

Terwijl Annyk, Cato en Mare van de Michaelschool in Leeuwarden bezig zijn met hun interview met mevrouw Kwast, komen er twee mannen haar huis binnen die melden ‘dat de sport op een ander tijdstip zal zijn’. Ze worden netjes, maar kordaat weggestuurd door mevrouw Kwast. Even later komt er mevrouw binnen die de boodschappen had gehaald. Ook zij wordt kordaat, maar netjes weggestuurd door mevrouw Kwast. Tegen het einde van het interview verschijnt er nog een kleinkind dat ‘even in de buurt was’, en die mag blijven!

Zat u ook in het verzet?
‘In de oorlog bracht ik samen met mijn vriend, later mijn man, de Trouw rond. Dat was nog niet een echte krant, het waren eigenlijk gewoon blaadjes. Ik had een vaste route om de blaadjes te bezorgen. Die route mocht ik niet op een briefje schrijven. Al die blaadjes deed ik onder mijn trui en dan ging ik de adressen langs. Later in de maand liep ik bij dezelfde mensen langs om geld te halen voor de krant. En dan kwam er weer iemand dat geld ophalen. Het moest allemaal stiekem gebeuren. Ik weet niet wat er in de krantjes stond, dat wist alleen mijn vriend. Een keer was het heel spannend… We liepen in de regen met pakken van die blaadjes onder de kleren toen we voetstappen achter ons hoorden lopen. Het kon niet anders zijn dan dat die van Duitsers waren. Hele zware stappen. Mijn adem stond stil. Gelukkig, ze liepen door en keken niet naar ons. Als ze ons toen hadden gepakt, was het niet best geweest.’

Hoe kwamen jullie aan eten?
‘Ik ben drie keer op en neer geweest van Utrecht naar Groningen. Met de fiets. Dat vond ik heel spannend omdat je onderweg bombardementen kon meemaken. Ik sliep soms in scholen op stro, dat had het Rode Kruis geregeld. Dan lag ik naast allemaal andere mensen, zo bij elkaar in het stro. Ik fietste in de herfst. Onderweg zag ik soms vreselijke dingen. Mensen die hun schoenen hadden uitgedaan omdat hun voeten pijn deden, en waar nu bloed uit hun voeten sijpelde. Meestal duurde de reis drie dagen tot ik bij familie in Groningen aankwam. Een oom van mij was bakker en gaf mij meel mee naar huis en een andere oom die fietsenmaker was, nam mijn fiets onder handen. Hij heeft ook mijn massieve banden vervangen voor luchtbanden.’

Kwam u wel eens met lege handen terug?
‘Ik ging nooit voor niks naar Groningen, ik kreeg altijd iets mee. Geperste olie en eten van onze familie… Een keer kwam ik in Hoogkerk bij andere familie aan. Mijn oom zei tegen mij dat ik maar lekker moest gaan slapen omdat ik al zo’n lange reis achter de rug had. Hij is toen zelf verder gegaan naar de familie. Een keer toen ik in Meppel was, vroeg ik aan mensen waar de post van het Rode Kruis was om te slapen. Ze zeiden dat het helemaal vol was, maar ik mocht mee met hen. Toen mocht ik bij hun dochter in bed slapen. Die mensen waren geweldig! Voor zondagavond moest ik de IJsel over want daarna zou de overtocht tijdelijk dichtgaan. Zondagochtend ben ik eerst met hen naar de kerk geweest en in de middag heb ik de oversteek over de IJsel gemaakt. Ik heb nog jarenlang contact met ze gehad. Als ik het nu moest doen, dan had ik het nooit gedaan. Ik vind het daarom bijzonder dat mijn vader en moeder mij dit hebben laten doen want het waren lange tochten met veel omwegen.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892