Erfgoeddrager: Abel

‘Thuis had hij horrorverhalen over Surinamers gehoord’

In een lokaal op het OSB ontmoeten Diaz, Obed, Jeen, Abel uit de derde klas de 68-jarige Waldy Neijhorst. Waldy zet vooraf de stoelen in een kringetje, om het contact zo informeel mogelijk te laten verlopen. Achter de leerlingen zet hij een grote banner neer, met een foto van zichzelf als succesvol ondernemer erop. ‘Daar heb ik hard voor gewerkt, succes krijg je niet cadeau, je moet er hard voor werken,’ is zijn les.

Toen u 13 jaar was verhuisde u van Curaçao naar Suriname, waarom?
‘Mijn vader was voor zijn werk als elektricien bij Shell van Suriname naar Curaçao verhuisd, omdat ze daar arbeiders zochten. Mijn ouders waren al best oud en toen ik dertien jaar was, ging mijn vader met pensioen en verhuisden we terug naar Suriname. Daar werd ik op een dag op straat door een basketbaltrainer ontdekt. Ik was een lange jongen; de trainer zag me en vroeg of ik mee wilde trainen. Ik bleek getalenteerd en heb jarenlang op hoog niveau gebasketbald.’

Merkte u iets van het koloniale systeem in Suriname?
‘Omdat ik aardig kon basketballen had ik het makkelijk in Suriname, maar discriminatie op kleur was er wel. Mijn moeder had een
levensfilosofie: focus je niet op één doelgroep, probeer ook andere mensen in je leven te betrekken. Dat waren overblijfselen van de koloniale gedachte. Zij moedigde me aan om witte vrienden te maken. Als kind dacht ik daar niet zo over na. Maar als je lichter van kleur was, kon je sneller een bepaalde positie in Suriname veroveren. Ik had daar toen geen mening over, voor mij was het een levensfilosofie. Pas later realiseerde ik me dat het discriminatie was op kleur.’

Hoe was het om in Nederland te komen wonen?
‘Ik was opgevoed met het idee dat Hollandse mensen superintelligent waren. Mijn vader had altijd een soort adoratie voor de Nederlanders. Dat kreeg je mee als kind. Tot ik in Nederland kwam wonen en tijdens mijn opleiding naast een Hollandse jongen zat die niet kon rekenen. Toen dacht ik: wat is dit? Ik ging toen aan mezelf twijfelen: dat hij iets wist dat ik nog niet wist. Mijn overtuiging was: hij is blank, hij moet alles kunnen. Achteraf bleek dat hij op de opleiding zat, omdat zijn vader directeur was van het Ministerie van Onderwijs. Dat was mijn eerste confrontatie met wit privilege en mijn eigen manier van denken. Ik vond het ongelofelijk dat een witte jongen dat niet kon. Als je niks doet dan word je vuilnisman, zeiden mijn ouders altijd. Als je niet je best doet, dan ben je de sjaak. In Nederland zag ik voor het eerst witte mannen als vuilnismannen. Hoe kon het dat een witte man achter een vuilniswagen aan moet lopen? Ik begreep daar niets van.’

Zijn er nog meer dingen die u erg verraste toen u naar Nederland kwam?
‘Ik moest heel erg wennen in het begin. Ik miste de warmte. En in Suriname werd ik echt gepamperd bij mijn ouders thuis. Mijn moeder was er altijd. Hier kwam ik terecht in een huis met een hospita. Ik woonde in een kamer in een pension Als ik naar de wc wilde, moest ik via de buitendeur naar beneden om buitenom bij de wc terecht te komen. Dat was verschrikkelijk. Tijdens mijn opleiding deed ik stage bij de voetbalclub AZ. Ik leerde onder andere masseren. De eerste keer dat ik kwam moest ik een voetballer masseren. Hij huilde en ik begreep niet waarom. Hij was bang geweest dat ik zou afgeven. Thuis had hij horrorverhalen gehoord over zwarte Surinamers. Daardoor kon hij alleen maar huilen. Dat beeld gaat nooit meer van mijn netvlies. Ik heb geleerd dat verschillen subtiel worden doorgegeven. Als je in deze samenleving woont, en je komt van elders, dan moet je er iets harder voor werken. Dat is een realiteit. Het heeft geen zin om te doen alsof het er niet is. Mijn advies is: probeer niet te voldoen aan het beeld wat anderen van jou hebben. Maar weet wat jij zelf wilt.’

    

Erfgoeddrager: Abel

‘De oorlog eindigde voor mijn vader pas toen hij in 2001 overleed’

Dick Neijssel (70) heeft de oorlog niet meegemaakt, maar kreeg als kind al veel over deze vreselijke tijd te horen. Zijn vader was namelijk de verzetsstrijder Dirk Neijssel (1922-2001), die zijn zoon vertelde wat hij had meegemaakt. Aan Jack, Melle en Abel van de Dongeschool vertelt Dick – op de plek waar het allemaal gebeurde – op zijn beurt over buitengesloten worden, angst, verraad en moed.

Waarom ging uw vader bij het verzet?
‘Hij groeide op in een heel arm, communistisch gezin. Hij werd vaak gepest om de drie Amsterdamse kruisjes op zijn kleding, wat betekende dat hij die van ‘de steun’ had gekregen. Dus toen Joodse mensen gediscrimineerd werden, herkende hij dat verschrikkelijke gevoel. Joodse kinderen mochten bijvoorbeeld niet meer naar hun eigen school, ook niet naar de Dongeschool, waar jullie op zitten. En in de speeltuin aan de Gaaspstraat waar we nu zijn, kwam een markt voor Joodse mensen, want naar gewone winkels mochten ze niet meer. Een aantal Amsterdammers pikte die maatregelen van de Duitsers niet en kwam in protest. Een van de eerste daden van verzet was de Februaristaking in 1941. Mijn vader deelde toen hier om de hoek bij de tramremise affiches uit met de tekst ‘Staakt!!! Staakt!!! Staakt!!!’. Het openbaar vervoer ging plat en veel mensen gingen niet naar hun werk. Het was een succes, maar de Duitsers sloegen hard terug en veel van mijn vaders kameraden werden opgepakt. Daarna ging hij bij het gewapend verzet.’

Was uw vader bang in de oorlog?
‘Mijn vader woonde al op zijn vijftiende, drie jaar voor de oorlog, samen met zijn broer op het Meerhuizenplein, omdat hun moeder niet voor alle kinderen kon zorgen. Hij was dus pas achttien toen de oorlog begon, nog amper volwassen. Maar dat werd hij toen snel. Hij wist heel goed dat de oorlog eraan kwam. Zijn oudere broer had al meegevochten in Spanje tegen Franco, een vriendje van Hitler, en wist wat er in Europa aan de hand was. Toen de oorlog uitbrak was mijn vader niet bang. Zijn eerste taak in het verzet was om Joodse mensen naar onderduikadressen te brengen, vaak helemaal naar Brabant of Limburg. In de kelder van de speeltuin hielp hij mee een verzetskrant te maken. Vanaf 1942 kreeg hij de opdracht om verraders te liquideren. Dat waren ontzettend gevaarlijke mensen die voor geld aan de Duitsers vertelden waar Joodse mensen woonden. Het engste vond mijn vader de uren nadat hij de opdracht had gekregen om iemand dood te maken. Want ook al was het voor ‘een goed doel’, het is het ergste wat je kunt doen. Daar heeft hij tot aan het einde van zijn leven verschrikkelijk veel last van gehad.’

Hoe beleefde uw vader de bevrijding?
‘Hij was blij toen de Canadezen hier over de Berlagebrug de stad binnenkwamen, maar zag ook nog voor zich hoe vijf jaar eerder de Duitsers over diezelfde brug aankwamen. Mijn vader is altijd bang geweest dat er opnieuw oorlog zou komen. Hij bewaarde in de linnenkast zijn revolver en twee handgranaten. Toen mijn moeder daar eens iets uitpakte, ging vlak daarna een van de granaten af. Hoewel ik heel klein was, kan ik mij de klap nog goed herinneren. De kamer was verwoest, maar het liep goed af. Mijn vader heeft wel de fout gemaakt om mij alle gruwelen van de oorlog te vertellen toen ik nog jonger was dan jullie. Door alle wrede details voelde het voor mij later alsof ik de oorlog zelf had meegemaakt. Mijn vader wilde altijd dat iedereen doordrongen was van de gevaren van onrecht, discriminatie en uitsluiting. De oorlog bleef hem achtervolgen en eindigde eigenlijk pas toen hij overleed.’

           

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892