‘Op een middag, in september 1945, kwam ik niet terug bij Janna’


Bertug, Elisa, Belinay en Amjad vertellen het verhaal van Betty Mock
President BrandstraatAmsterdam-Noord

Het is een gezellige ochtend bij Betty Mock. Bij aankomst liggen op tafel al een grote speculaaspop en allerlei andere lekkernijen te wachten om opgegeten te woorden. Bertug, Elisa, Belinay en Amjad van De Vier Windstreken in Amsterdam-Noord vinden het verhaal van mevrouw Mock heel verdrietig. Maar ze vinden het wel erg mooi dat ze dit allemaal vertelt. Mevrouw Mock is geboren in 1943, als dochter van Joodse ouders die de oorlog niet hebben overleefd. Zelf ging ze onderduiken bij de familie Wittenberg, waar ze werd opgenomen als een derde kind. Maar voor haar is de oorlog niet voorbij als de oorlog voorbij is.

Hoe zag uw familie eruit in de oorlog?
‘Ik ben begin 1943 geboren en was het eerste kind van mijn ouders. Zij waren Joods, net als mijn grootouders. Mijn vader was al in oktober 1942 opgepakt. Hij is van huis naar een werkkamp gegaan, van het werkkamp naar Westerbork en van Westerbork naar Auschwitz. Mijn moeder heeft halverwege ’43 een brief gekregen van de Duitsers, of ze zich wilde melden in de Hollandsche Schouwburg. Maar ik ben niet opgepakt, want ik zit hier. Wat is er gebeurd? Ik ben zes weken na mijn geboorte door mijn moeder weggegeven aan de beste vriendin van mijn moeder. En ik ging onderduiken.’

Bij wie bent u ondergedoken?
‘Mijn onderduikmoeder, Janna, was de beste vriendin van mijn biologische moeder, en mijn onderduikvader, Albert, kwam uit Paramaribo en die zag er dus heel opvallend uit. Ik ben tot het einde van de oorlog bij ze gebleven. Ik had daar een broertje, Albert, en een zusje, Tine, en ik had het daar ontzettend goed. Ze waren heel lief voor me. Toen de oorlog was afgelopen, zou ik bij mijn onderduikmoeder blijven, want zij had aan mijn moeder beloofd dat ze voor mij zou zorgen…’

Wat is er na de oorlog met u gebeurd?
‘Mijn onderduikvader die eerder in de oorlog was opgepakt, kwam na de Bevrijding niet terug. Janna had zoiets van ‘het is mijn eigen kind, die voed ik gewoon op’. Ik was toen 2,5. Maar er gebeurde iets vreselijks. Er waren nog één oom en tante. Hij was een broer van mijn biologische moeder en was getrouwd. Zij woonden aan de overkant en daar ging ik een keer in de week spelen. Janna vond dat ik mijn biologische familie moest leren kennen, wat er nog van over was. Ze hadden een groentezaak en iedere woensdagmiddag ging ik daar spelen. Wat ik me daarvan herinner, is dat dat niet leuk was.

‘Op een middag, in september 1945, kwam ik niet terug bij Janna. Ik werd die middag meegenomen naar Laren. Daar woonden een Joodse man en vrouw die ook ondergedoken hadden gezeten. Zij waren kinderloos en wilden graag een Joods kind opvoeden. Zij hebben een deal gesloten met mijn oom en tante. En ik vermoed, maar ik weet dat niet 100 procent zeker, dat daar geld voor is betaald. Ik moest daar meteen papa en mama zeggen. Mijn oom en tante waren heel arm na de oorlog, maar ineens hadden ze een delicatessenzaak in de Maasstraat. Ik ben gewoon weggeroofd van Janna. Ik heb haar nooit meer gezien.’

Wat is er met uw onderduikvader gebeurd?
‘Hij was koerier. Toen de oorlog uitbrak, is hij lid geworden van de communistische partij en die bracht verzetskrantjes uit. En hij heeft die illegale krantjes rondgebracht. Dat deed hij niet alleen. Er waren in Amsterdam alleen al dertig mensen die dat deden. Maar er is iemand op straat opgepakt in april 1944 en die man had een lijst met die dertig verzetsmensen. Ze zijn allemaal van huis gehaald, onder wie Albert, mijn onderduikvader.

‘Hij is dus opgepakt en naar Duitsland gebracht, naar een concentratiekamp waar ze dwangarbeid moesten verrichten. Hij is aan het einde van de oorlog, in april 1945, meegenomen in wat ze dodenmarsen noemen. De Duitsers wilden niet dat de geallieerden de kampen zouden vinden, dus die hebben ze ontruimd. En ze hebben al die mensen die uitgemergeld waren na jaren gevangenschap, ziek en zonder kleding door Duitsland laten zwerven. En toen hebben ze hem met duizend anderen opgesloten in een graanschuur en die hebben ze één dag voor de Bevrijding in de fik gestoken. De Amerikanen kwamen de volgende dag en die hebben dat aangetroffen.

‘In Gardelegen, waar dit gebeurde, ben ik wel eens geweest. De bevolking van dat plaatsje heeft al die stoffelijke overschotten moeten begraven. Dat is een begraafplaats met duizend kruizen, een erebegraafplaats. Er is een ijzeren boek met alle namen van de mensen die daar begraven liggen.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892