‘Onderin de pan was de soep dikker en lekkerder, dus stonden we expres achter in de rij’


Bilal, Semih, Elif en Sara vertellen het verhaal van Leo van Zadel

Bilal, Semih, Elif en Sara van OBS De Spiegel in Zaandam mogen met Fatima, de moeder van Bilal mee in de auto naar Oostzaan. Daar worden ze opgewacht door Leo van Zadel en zijn vrouw.  Ze worden warm ontvangen, krijgen wat drinken en iets lekkers. Hoe het  met gaat? Trots vertelt hij dat hij bijna 93 jaar is, nog aan badminton doet en erg actief is. Hij kan veel over de oorlog vertellen en was ongeveer 7 jaar toen de oorlog begon. De familie woonde aan de J. Franklinstraat. Hij vertelt over de periode 1940-1945 in Amsterdam.

Hoe was het in de oorlog in Amsterdam-West?
‘Aan het begin van de oorlog had bijna niemand een radio. Mijn vader wel. Hij had een grote radio en zette die in de vensterbank met het raam open, zodat iedereen in de straat kon horen dat de oorlog was begonnen.
Verder merkte je eerst weinig. De Duitsers zagen we pas later. Mijn moeder zei altijd dat de soldaten eigenlijk gewone jonge mannen waren, van zo’n twintig tot vijfentwintig jaar. Ze waren beleefd en stonden in de tram op voor vrouwen. ‘Dat waren geen slechte mensen’, zei ze, maar jongens die verplicht naar Nederland waren gestuurd.’

Wat merkte u als kind van de oorlog?
In het begin merk je als kind weinig van de oorlog. Je gaat gewoon naar school en hoort wel dingen, maar je begrijpt het nog niet. Ik was toen zeven jaar.
Later, toen de oorlog langer duurde en ik ouder werd, veranderde er veel. Er kwam minder eten, vooral vanaf 1943. We moesten zelf zorgen dat we iets te eten kregen.
Er waren gaarkeukens, vaak in een schoolgebouw. Daar kreeg je soep als je met een pan kwam. Mijn broertje was zes en ging met mij mee. Je stond lang in de rij. Als er net een nieuwe pan werd neergezet, was de soep dun. Daarom probeerden we expres later aan de beurt te zijn, want onderin was de soep dikker en lekkerder.’

Moest u en uw familie onderduiken?
‘Nee. Mijn vader werkte bij de PTT, bij de post. Hij bracht post rond met een fiets en een karretje.
Hij kreeg wel een oproep om zich te melden in de Euterpestraat in Amsterdam. Nederlandse mannen moesten in Duitsland gaan werken. Mijn vader ging daarheen, maar hij had zichzelf van tevoren verwond. Hij had een snee gemaakt en daar iets ingestopt zodat het ging ontsteken. Daardoor werd hij afgekeurd en teruggestuurd. Twee weken later moest hij zich opnieuw melden. Daar heb ik nog brieven van, van de Sicherheitsdienst.’

Waarom moest u zo vaak van plek veranderen?
‘Mijn moeder lag vaak in het ziekenhuis en was erg zwak. Mijn broer en ik moesten daardoor al jong voor onszelf zorgen. Alles was op de bon, ook brood. Soms deden we alsof we de bon al hadden gegeven, zodat we toch extra brood konden krijgen. Je moest slim zijn. Mijn broer en ik zijn twee keer in een sanatorium geweest.
Op een gegeven moment konden mijn ouders niet voor ons zorgen, dus gingen we naar het Burgerweeshuis. Na 14 dagen haalde mijn vader ons op en bracht ons naar een Luthers weeshuis. Ook daar zijn we niet lang gebleven, daarna moesten we naar Friesland.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892