Oorlog in mijn Buurt
‘We waren getraind om de onderduikers snel te verstoppen’
Filiz, Kars, Olle, Ysoie ontmoeten Trees Janssen-Oeverhaus
Fillin, Luuk en Fatih van basisschool de Talisman in Eindhoven gaan op bezoek bij Guus Bruno. Meneer Bruno is geboren in het voormalige Nederlands-Nieuw-Guinea dat tegenwoordig bij Indonesië hoort. Hij verhuisde in 1960 als 9-jarig kind naar Nederland. Hij vertelt over zijn bijzondere jeugd ver weg van Nederland en over de uitdagingen die hij tegenkwam in een land dat hem niet altijd met open armen ontving. De kinderen stellen om de beurt een vraag van het papiertje dat ze bij zich hebben.
Hoe was uw jeugd?
‘Ik ben geboren in Nieuw-Guinea toen het nog bij Nederland hoorde. Nieuw-Guinea behoorde deels tot Nederland en deels tot Australië. Ik woonde er samen met mijn ouders en acht broers en zussen. Het was daar heel anders dan hier in Nederland. We leefden dicht bij de natuur, met veel bossen en de oceaan in de buurt. Achter ons huis was eigenlijk alleen maar jungle. Ik ging als kind vroeg naar school en was dan klaar rond twaalf uur. Om twaalf was het al heel warm en zwommen we in de oceaan. Ik had een hele fijne jeugd in Nieuw-Guinea.’
Heeft u bijzondere herinneringen aan uw jeugd daar?
‘In de jungle leefden verschillende stammen. Sommigen zijn zelfs tot op de dag van vandaag nooit ontdekt. Als kind leerde ik dat sommige stammen in de jungle gevaarlijk waren. Ik ben eens met mijn broertje en vrienden de jungle in gegaan en toen werden we gespot door een aantal mensen uit zo’n stam. Ze hadden grote messen bij zich en begonnen achter ons aan te rennen. We moesten echt keihard wegrennen om veilig thuis te komen. Het was: òf onthoofd worden, òf zo hard mogelijk rennen. Die gevaarlijke stammen werden door velen van ons koppensnellers genoemd. We noemden ze zo omdat ze dus mensen onthoofden. Maar daar bleef het niet bij… Ze aten de onthoofde mensen ook op.’
Waren jullie gelovig thuis?
‘Mijn vader was katholiek en mijn moeder was moslim. Mijn moeder heeft haar geloof deels opzij moeten zetten omdat mijn vader niet wilde dat wij mee zouden doen met de ramadan. In Nieuw-Guinea, en ook in Indonesië, duurt de Ramadan veertig dagen in plaats van een maand. Mijn vader vond dat wij als kinderen niet voor zo’n lange tijd moesten leven zonder overdag te eten of drinken. Mijn moeder heeft ons altijd de keus gegeven: wil je moslim worden? Dan mag dat. Wil je katholiek blijven? Dan is het ook oké. Mijn moeder was de dochter van een Maharaja, een soort koning. Zij had dus de titel ‘prinses’. Ze heeft haar titel opgegeven toen ze met mijn vader trouwde.’
Waarom moest u weg uit Nieuw-Guinea?
‘Mijn vader werkte bij de KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Hij en zijn collega’s kregen een tip, namelijk dat de toenmalige president Soekarno het hele eiland onafhankelijk wilde maken en dat het niet langer veilig was voor ons om er te blijven. We moesten toen zo snel mogelijk weg. We hebben al onze spullen ingepakt en toen begon een lange reis. Eerst moesten we met een bootje naar het eiland Biak, waar een klein vliegveldje was. Vanuit daar vlogen we naar Jakarta en daar stapten we over op een groter vliegtuig, richting Europa. We maakten ergens een tussenstop in Duitsland. De deurtjes van het vliegtuig gingen open, en opeens bevonden we ons midden in de wintertijd. Voor het eerst van mijn leven had ik het echt koud! En sneeuw had ik nog nooit gezien.’
Waar ging u wonen in Nederland?
‘Mijn vader moest nog een jaar uitdienen bij het leger. Samen met mijn moeder, broers en zussen zijn we bij mijn tante in Den Haag gaan wonen. Daarna zijn we verhuisd naar een klein dorpje vlakbij Tiel, dat heet Echteld.
In Nieuw-Guinea had ik de kleuterklas al lang gevolgd. Maar toen wij in Nederland kwamen, moest ik weer terug naar de kleuterklas. Ze dachten volgens mij dat wij geen Nederlands konden spreken. Maar dat konden wij wel! Mijn moeder had altijd gezegd: jullie zitten op een Nederlandse school in Nieuw-Guinea, dus jullie spreken thuis ook Nederlands.’
Hoe werd u ontvangen door andere kinderen uit de buurt?
‘In het dorp waar we terechtkwamen waren ze niet gewend aan mensen met een andere huidskleur. Daardoor ontstonden er vaak ruzies tussen mij en klasgenoten. Je moest jezelf echt bewijzen om erbij te horen. Het was een harde tijd. Ik moest als het ware vechten voor mijn plekje in de maatschappij.’
Heeft u nog bijzondere herinneringen aan uw jeugd in Nederland?
‘Op een ochtend tijdens de winter had mijn moeder mij gewaarschuwd: niet op het ijs staan. Maar goed, ik was jong en eigenwijs… Met een paar vrienden ben ik er toch op gegaan. Ik gleed over het ijs en ineens zakte ik erdoorheen! Ik kwam onder het ijs terecht. Ik heb tegen het ijs geslagen en gestampt tot ik boven kwam. En mijn vrienden? Die stonden alleen maar te kijken en liepen vervolgens weg. Rillend als een gek ben ik toen weer thuis aangekomen. Mijn moeder zag me aankomen. Ze zei: wat had ik vanmorgen tegen jou gezegd? Niet op het ijs. En ik kreeg een pak slaag. Mijn moeder was heel klein maar kon heel hard slaan! Met de pollepel.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.