Oorlog in mijn Buurt
‘In het prikkeldraad zat de zoon van de Joodse slager helemaal verstrikt’
Diederik, Franz, Olivia ontmoeten Piet Hoppenbrouwers
Een beetje gespannen maar vooral heel nieuwsgierig vertrekken Liv, Fatima en Mannes vanuit basisschool de Talisman in Eindhoven naar de 90-jarige Dee van Eldik-Lippelt. Zij is geboren in Salatiga. Daarover gaat meteen de eerste vraag van hun interview met haar. Liv, Fatima en Mannes hebben wel gezocht op een kaart, maar konden het niet vinden. Mevrouw Eldik legt uit dat Salatiga een kleine stad is ten zuiden van de havenstad Semarang op Midden-Java.
Hoe was uw jeugd in Indonesië?
‘Ik had een hele fijne jeugd in Salatiga. Ik groeide daar op met mijn ouders. We waren Indo’s, dus we hadden een gemengde achtergrond en een Nederlands paspoort. Thuis spraken we ook Nederlands en ik ging naar een Nederlandse school.
Ik ging al vroeg naar school, eigenlijk een beetje te vroeg, want ik was best druk thuis en mijn ouders dachten: laat haar maar alvast beginnen. Maar toen, aan het einde van dat schooljaar, kwamen de Japanners en begon de oorlog. Alles veranderde ineens. De Nederlandse scholen gingen dicht en ik kon niet meer naar school.
Omdat wij van gemengd bloed waren, werden we niet opgesloten in kampen zoals de witte Nederlanders, maar het was zeker niet makkelijk. We moesten ons een beetje verborgen houden. In die tijd heb ik dus geen echte school gehad. Maar mijn ouders vonden leren wel belangrijk, dus thuis moest ik gewoon doorgaan. Mijn vader liet me Nederlands oefenen en mijn moeder liet me de tafels leren, van 2 tot en met 19.
Pas na de oorlog kon ik weer echt naar school. Maar die tijd zonder vergeet je niet. Je leven staat gewoon stil, terwijl je nog kind bent.’
Waarom kozen jullie ervoor naar Nederland te gaan na de onafhankelijkheid?
‘Na de Japanse bezetting werd het eigenlijk nog ingewikkelder. Indonesië wilde onafhankelijk worden van Nederland en dat zorgde voor veel onrust. Wij zaten daar een beetje tussenin, want we waren niet helemaal Nederlands, maar ook niet Indonesisch. Dat maakte het gevaarlijk.
Mijn vader werd in die tijd opgepakt en naar een kamp gebracht. Mijn moeder en ik kwamen later ook in kampen terecht. We hadden honger, waren vaak ziek en moesten steeds verplaatsen. Je had geen vrijheid meer, dat was misschien nog wel het ergste.
Mijn vader was op een gegeven moment best boos op de Nederlanders, omdat hij zich achtergesteld voelde. Daarom wilde hij eigenlijk niet naar Nederland. Toen kregen we de keuze: Indonesisch worden of Nederlands blijven. Mijn vader koos ervoor om Indonesisch te worden, dus we waren officieel geen Nederlanders meer. Ik moest zelfs van school af, terwijl ik daar zelf niks over te zeggen had.
Maar dat bleek geen goede keuze. De Indonesiërs zagen ons toch niet echt als een van hen. Veel mensen kregen daar spijt van, daarom werden we ‘spijtoptanten’ genoemd. We wilden ons Nederlanderschap terug, maar dat ging niet zomaar. We moesten er echt om vragen.
Mijn vader overleed ondertussen, dus mijn moeder stond er alleen voor. Zij mocht uiteindelijk wel naar Nederland, maar ik nog niet omdat ik te jong was. Mijn moeder liet mij niet alleen en bleef bij mij. Pas in 1960 mochten we samen naar Nederland vertrekken. Dat duurde dus heel lang.’
Hoe was het om in Nederland te komen?
‘Toen we eindelijk naar Nederland gingen, was dat een enorme verandering. Echt een cultuurschok. Alles was anders. Alleen al hoe mensen zich ‘wassen’ op het toilet, dat vonden wij heel raar, want wij gebruikten water. En het eten! We kregen aardappelen en groenten die helemaal doorgekookt waren, zonder smaak. Wij waren gewend aan kruidig, Indisch eten. Dat was echt even wennen. In het begin vonden we het helemaal niks.
We zaten eerst in een opvangkamp en daarna konden we pas een beetje ons eigen leven opbouwen. Toen konden we ook weer zelf koken zoals we gewend waren. Gelukkig ben ik wel snel gewend geraakt aan Nederland, maar die eerste tijd vergeet je nooit meer.
Als ik nu terugkijk, ben ik eigenlijk wel trots dat we erdoorheen zijn gekomen. Het was niet makkelijk, maar we hebben ons aangepast. Ik ben meteen gaan werken toen we in Nederland waren en had gelukkig snel een baan als boekhoudster. Mijn moeder was ook heel sterk. Na alles wat ze had meegemaakt in de oorlog, heeft ze zich hier toch goed aangepast. We hebben samen nog mooie dingen gedaan, zoals reizen door Europa.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.