Mijn vader schreef: ‘Marie, ik leef nog. Verbrand dit briefje meteen.’


Bobbi, Jacob en André vertellen het verhaal van Carmen Rosendaal
Indonesië

Carmen Rosendaal (1961) staat al in de deuropening als de kinderen de lift uitlopen. Ze vindt het gezellig dat Bobbi, Jacob en André van basisschool De Talisman in Eindhoven haar vragen komen stellen over haar jeugd. Ze woont op de negende verdieping. Vanuit haar ruime, lichte huis kijken ze uit over de hele stad en proberen ze de Gerarduskerk te vinden, die naast hun school staat. Mevrouw Rosendaal heeft veel te vertellen. Ze is geboren in Indonesië, maar heeft ook in Suriname gewoond. Op haar vijftiende kwam ze naar Nederland. Haar vader was een Surinaams-Nederlandse KNIL-militair.

Wat kunt u nog herinneren van de tijd in Indonesië?
‘Ik ben geboren in de Bersiap-periode (het gewelddadige begin van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, red.). Ik was nog maar anderhalf jaar oud, maar heb toch angst ervaren. Die onrust zat overal. Het kwam door groepen Indonesiërs, ook wel ‘ploppers’ genoemd, die vonden dat wij weg moesten. Mijn vader was militair in het Nederlandse leger en had eerst veel vrienden, maar ineens werden dat vijanden.

We woonden in een huis op palen, met schelpenzand eronder en eromheen. Mijn moeder hoorde vaak geluiden. Dan pakte ze ons snel op en bracht ons naar een schuilplek in huis. Het was een onveilige tijd. Ook al ben je zo jong, je voelt dat. Op foto’s zie je het ook terug: ik had een angstige blik, was bang voor alles en iedereen. Die spanning maakte ik voortdurend mee. Daardoor kan ik me nu ook goed voorstellen wat kinderen in oorlogssituaties voelen als ze moeten vluchten en alles achterlaten.

Op een dag zei mijn vader tegen de overheid dat zijn gezin met spoed naar Nederland moest. Binnen een week vertrokken we met het vliegtuig. De reis duurde drie dagen. Zo zijn we in Nederland aangekomen. Mijn moeder was toen in verwachting. We gingen eerst bij mijn oma wonen, in de Hofstraat in Tongelre, hier in Eindhoven. Later werden we weer naar Suriname gestuurd.’

Is er een verhaal wat u is bijgebleven?
‘Mijn vader werd tijdens de oorlog krijgsgevangen genomen. Hij zat op een eiland in een Japans kamp. Hij was pelotonscommandant. Op een gegeven moment kreeg hij hulp van mensen uit een kampong; een klein afgeschermd inheems dorpje, om hem te helpen ontsnappen.

Ze regelden een kleine boot en gaven hem wat voedsel en drinken mee. Mijn vader vroeg anderen om mee te gaan, maar niet iedereen durfde. “We weten niet waar we naartoe gaan”, zei hij tegen ze. Uiteindelijk gingen er een paar mee, maar gaandeweg bleef hij alleen over. Hij heeft bijna een maand min één dag op zee gezworven. Hoe hij dat heeft overleefd, heeft hij ons nooit echt verteld, maar het moet een zware en eenzame tocht zijn geweest. Uiteindelijk werd hij gevonden door Indonesische vissers die hem hebben verzorgd en weer op de been geholpen.

Na zijn herstel schreef mijn vader een briefje aan mijn moeder: ‘Marie, ik leef nog. Verbrand dit briefje meteen.’ Hij had een donkere huid en een zwarte baard, waardoor hij niet direct als Nederlandse militair werd herkend. Dat hielp hem om onder te duiken. Gelukkig vond hij zijn weg terug naar mijn moeder en samen probeerden ze een nieuw bestaan op te bouwen. Ze bakten pindakoekjes en verkochten die in een Chinese winkel. De koekjes noemden ze ‘Pinas-koekjes’ naar onze achternaam.’

Heeft uw Surinaamse familie slavernij meegemaakt?
‘Mijn overgrootvader was tot slaaf gemaakt. Wat bijzonder is, is dat hij later zelf een plantage bezat. We kregen ooit een foto van zijn graf, een heel mooi graf, en iemand zei: ‘Dat kan niet kloppen, hij was toch slaaf?’ Als kind kende ik dat graf al, maar later bleek dat er een bijzonder verhaal achter zat. Ondanks het gruwelijke leven dat overgrootvader had, vond hij tijd om houtsnijwerk te maken. Toen kwamen de Hernhutters naar Suriname, protestantse zendelingen uit Duitsland. Zij hebben veel betekend op het gebied van onderwijs, opvoeding en geloof.

Mijn overgrootvader kwam met hen in contact. Hij werd door hen geholpen en groeide uiteindelijk uit tot voorganger binnen de Evangelische Broedergemeente. Hij doopte en trouwde mensen.

Dankzij die ontwikkeling kon hij een eigen plantage kopen, een houtplantage, zo groot als Nuenen. Mijn dochter heeft dit familieverhaal verder uitgezocht. Dat kan je lezen op onze familiewebsite  Pinas Roots.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892