Oorlog in mijn Buurt
‘Toen Harry Duitse soldaten zag, gooide hij de zak graan weg’
Dina, Ginger ontmoeten Dré en José Korting
Richi, Gannah en Miral mogen in de directiekamer zitten van basisschool de Klimboom voor hun interview met Dré Rennenberg. Hij was vier jaar toen de oorlog begon en woonde met zijn ouders en broer in de Leostraat in Eindhoven. Meneer Rennenberg is een ervaren verteller. Met een kopje thee in de hand vertelt hij van alles over de oorlog en het leven daarna.
Kende u iemand die Joods was?
‘Er zat een jongen bij mij in de klas en die heette Dicki Gans. Hij was een sportief manneke. Hij was ook een Jood, maar dat wist ik niet. Eigenlijk een half Jood, zijn vader was Jood en zijn moeder was katholiek. Op een dag kwam het hoofd van de school bij ons binnen. ‘Dicki is er nu even niet’, zei hij. ‘Maar hij komt nog wel terug, hoop ik.’ We hebben Dicki nooit meer gezien.
Een vriend van mij vroeg zich af wat er met Dicki aan de hand was, daarom gingen we kijken bij zijn huis op de Aalsterweg. Ze hadden een bloemenzaak, maar daar stond geen bloem meer in. Wij hebben aangebeld, maar er werd natuurlijk niet opengedaan. De Duitsers hadden heel de familie meegenomen en ook de inhoud van de winkel.
Ik ben heel lang bestuurslid geweest in de stadskerk en daar lag een boekje over het oorlogsverleden van de stad. Er stond in dat tweehonderd Eindhovenaren afgevoerd waren naar concentratiekampen. In het boekje kwam ik de naam Gans weer tegen. Toen kwam ook de herinnering aan Dicki terug. Een vrolijke jongen met een gestreepte trui, die plotseling uit mijn leven verdwenen is. Dicki was toen vijf of zes jaar oud.’
Had u genoeg eten?
‘Wij hebben altijd genoeg eten gehad. Wij hadden een hele grote tuin, waar we groente en fruit kweekten. Dat was wel een uitkomst, al aten we wel eens tien keer achter elkaar sla omdat dat het enige was wat er was. Vroeger deelden we dat eten niet, maar later heb ik in Eindhoven de stadsakkers op gericht. Die verbouwen en geven voedsel aan de voedselbank.
Als we zelf geen eten hadden, konden we gebruikmaken van Philiprak. De Phillipsfabrieken zorgden voor eten. Ze reden met een grote wagen de straat in, met een pijp er op, het rookte allemaal flink. Je kon er stamppot halen. Die was zo dun, het leek wel soep, maar je had toch te eten.
Op de Aalsterweg kon je weleens vis halen, een of twee haringen per gezin. Dan stond ik ‘s morgens om 6 uur in de rij, om half 8 kwam mijn broer en om 9 uur als de zaak openging kwam mijn moeder om twee haringen te halen. Je kreeg maar een heel klein stukje, daar moest je het mee doen.
Ik heb nooit honger gehad. Mijn vader werkte op de bouw, dat was hard werken. Als hij ‘s avonds thuis kwam, kreeg hij een vol bord eten van onze moeder, met een heel klein stukje vlees. Telkens als zijn bord half leeg was, had hij geen honger meer. Mijn broer en ik mochten dan het bord leeg maken. Hij had wel honger, maar hij stond het af. Toen wist ik dat niet, maar nu begrijp ik dat heel goed.’
Kende u iemand die is opgepakt door de Duitsers?
‘In oktober 1944 is mijn opa gearresteerd. Hij luisterde altijd naar de Engelse zender, en dan ging hij met anderen over het nieuws praten zodat ze ook wisten hoe het ervoor stond. Op een dag deden de Duitsers een inval en namen mijn opa mee naar Kamp Vught. Hij had een zware longontsteking en die werd hoe langer hoe erger. In december 1944 is hij gestorven.
Mijn vader zat bij de ondergrondse, maar die is heel goed weggekomen. Op een dag moest hij met een groep andere mensen de wachthuisjes op het vliegveld schilderen. Toen hebben ze elk huisje met lichtgevende verf een kruisje gegeven. Zo konden de Engelsen in de lucht zien dat ze bij het vliegveld waren.’
Heeft u geschuild?
‘Ik zeg weleens: ik ben ook vluchteling, maar dan wel een van een half uur… Wij stonden op 18 september op de Aalsterweg de bevrijders toe te juichen. De dag erna kwam het bombardement op Eindhoven… dat betekende: vluchten! Mijn vader pakte de noodkoffer en we verlieten snel ons huis. Toen we goed en wel buiten waren, viel er een voltreffer op het huis naast ons. Ons huis was zwaar beschadigd. Mijn moeder zei tegen mij: lopen, lopen, lopen en niet om kijken. Toch keek ik om en zag ik grote stofwolken. We zijn naar de Kamillestraat gevlucht, en daar hebben we zo’n vier weken gewoond. Als ik nu op televisie mensen zie vluchten, kan ik me dat goed inbeelden hoe dat is.
Joris van Beek, een van mijn klasgenoten, zat met vijftig anderen in een schuilkelder. Er kwam een voltreffer die de schuilkelder schampte, waardoor er allemaal grond in het gat van de schuilkelder werd gestuwd. Bijna alle mensen in die schuilkelder zijn gestikt, behalve Joris en zijn broer.
In november viel er nog een splinterbom. Dat is een bom die op de grond in duizend stukken uiteen spat. Zo kwamen een maand na onze bevrijding nog 29 mensen om het leven.’
Heeft u ook nog leuke herinneringen aan de oorlog?
‘Ja hoor! We hadden in de parochie een zangkoor. Die organiseerde weleens een gezellige avond voor ons, dan kregen we chocomel en een koekje. Dat was feest.
Iedereen was na de bevrijding verplicht een geallieerde militair op te nemen in huis. Wij hadden William Whitman en nog twee ander militairen in ons huis. Van hen heb ik plumpudding gehad.
De nachtmis heeft ook veel indruk op me gemaakt in de oorlog. Het was pikkedonker want alles was verduisterd. Wat hadden ze toen gedaan? Ze hadden een witte streep gemaakt op de grond, die iedereen kon volgen naar de kerk.
Ik heb tijdens de oorlog gewoon nog met vrienden gespeeld. Het gekke is, we speelden dikwijls ‘oorlogje’. Dan was de ene Duitser en de andere Amerikaan. We hadden een pannetje op ons hoofd, dat was dan je helm. We maakten ook wel eens schuttersputjes in de straat.
De bevrijding was natuurlijk ook heel mooi. Toen gebeurde er plotseling allerlei dingen die ik nog nooit had meegemaakt. Voor de oorlog hadden we geen bal, wij maakten ballen van elastiek. Na de oorlog werden er voetbalclubs opgericht.
Na de oorlog waren er bijna geen huizen waar niet twee naamplaatjes op stonden. De mensen die al in het huis woonden, kregen de benedenwoning, en de mensen die er later bijkwamen woonden boven. Mensen leefden destijds veel dichter bij elkaar.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.