‘Ik kan niet naar bed, zei ik, want ik heb geen beer meer!’


Biek, Arturo en Enes vertellen het verhaal van Jan Spoorenberg
Eindhoven

Verspreid in twee auto’s rijden Biek, Arturo en Enes naar het huis van Jan Spoorenberg. De leerlingen van De Klimboom in Eindhoven gaan zitten in een mooie kamer, met allerhande ouderwetse en historische objecten. Meneer Spoorenberg vertelt over zijn ervaring als jong kind tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was twee jaar toen de oorlog begon. Na het interview drinkt de groep nog gezellig een glaasje Fanta.

In wat voor soort huis woonde u in de oorlog?
‘Ik ben geboren op de Emmasingel, in een bovenwoning. Beneden zat een hoedenwinkel. In 1942 is dat gebombardeerd bij het Sinterklaasbombardement. Het hele huis was kapot. Met alleen de kleding die we toen aan hadden zijn we gaan wonen op de Boschdijk, bij mensen die ruimte over hadden.

Later zijn we naar de Aalsterweg verhuisd. De tuinman had er een groot gat gemaakt, met palen eroverheen, en daar werd weer gras en zand op gelegd. Het was een grote schuilkelder in de tuin.

Er waren ook twee boomgaarden, met appels en peren. Buren uit de omgeving, die niet zo’n grote tuin hadden, vroegen of ze ook zo’n gat in onze tuin mochten maken. Dus wij hadden vier of vijf grote gaten in de tuin. Als er gevaar dreigde, dan gingen de sirenes, en gingen wij de schuilkelder in.’

Hoe was het Sinterklaasbombardement in 1942 voor u?
‘Ik zat er middenin. Het begon ‘s morgens. Mijn vader had bezoek, toen de sirene afging. Mijn moeder kwam snel en toen zijn we door de hoedenfabriek naar beneden gegaan, naar de Demer toe. Het hele huis is uiteindelijk verwoest.

Mijn vader probeerde weg te komen met ons, maar hij mocht de deur niet uit. Op straat liepen mensen van de luchtbescherming. Zij zeiden dat het te gevaarlijk was op straat. Toen het later wat rustiger werd, mochten we wel naar buiten. Mijn vader nam een grote zak mee met allemaal spullen, en mijn moeder droeg mijn broertje. Ik liep tussen hen in. Mijn vader wilde naar Woensel toe want hij dacht dat het daar veilig zou zijn. Maar dat kon niet, want op de overweg stond de trein stil. Ze hadden die uit voorzorg stilgezet, want als de rails kapot zouden gaan door het bombardement zou de trein kunnen verongelukken. Daarom konden we niet oversteken.

Toen we op de Dommelstraat kwamen, begon het bombardement opnieuw. Bij het bankgebouw stonden mensen die er werkten of woonden. Zij wuifden ons naar binnen. We konden er schuilen in de brandkast, waar al een heleboel mensen zaten. Iemand ging toen een glaasje water halen, zodat we allemaal iets konden drinken tegen de schrik. Ik dronk ook een beetje. Ik had geen dorst en ik begreep ook niet waarom we allemaal iets dronken. Ik dacht: het hoort bij die rare dag vandaag, alles is anders, dan moet je blijkbaar ook water drinken.

‘s Avonds zijn we naar kennissen gegaan om te slapen. Ik denk met een koetsje, die kon je huren als een soort taxi. Toen werd het langzaamaan tijd om naar bed te gaan. Ik zei: dat kan niet, want ik heb geen beer meer! Ik had een beer thuis op de Emmasingel, maar die hadden we niet meegenomen. Toen heb ik een beer gekregen uit de box van het kind van de mevrouw waar we logeerden. Die beer heb ik nog steeds.’

Had u veel vrienden in de oorlog?
‘Ja, een heleboel. Er waren veel kinderen in de buurt, met wie wij speelden. We speelden met jongens, maar we speelden ook vadertje en moedertje met meisjes. We speelden verstoppertje, en tikkertje. Een buurjongetje van mij had allerlei autootjes. Dan speelden wij op zijn kamer met zijn autootjes, daar moest ik heel voorzichtig mee zijn.

Vroeger wilden we ook weleens wat snoepen. Mijn moeder had daar wat op gevonden. We hadden een appelboom in de tuin. De appels werden geschild en gedroogd, en met een naald werd er een draadje doorheen geregen. Zo konden ze aan de waslijn drogen. Als ze droog waren, kon je ze bewaren en in een trommeltje doen. Als er dan gesnoept moest worden, kon je een appelschijfje opknabbelen. Je moest ze wel eerst goed wassen, want buiten kwamen er nog wel eens vliegen op.

Tijdens het spelen is het ook een keer verkeerd gegaan. Na de bevrijding hebben de Duitsers nog een keer gebombardeerd op de Aalsterweg. Er werden splinterbommen gegooid. In de tuin stond een hele grote oude boom. Het was net beukennootjes tijd, dus veel kinderen uit de buurt waren beukennootjes aan het zoeken. Sommige kinderen werden geraakt door scherven van de bom en sommigen zijn ook overleden in het ziekenhuis. Het was heel triest. Ik zat er middenin, maar ik besefte niet wat er gebeurde.’

Wat had u allemaal te eten tijdens de oorlog?
‘Ik weet nog dat mijn vader ziek was tijdens de oorlog. De zusters kwamen toen aan hem vragen hoeveel hij wilde eten. Zes boterhammen, zei hij. Dat vonden de verpleegsters wel veel, maar ze regelde het toch. Dan at mijn vader drie boterhammen en stopte hij de andere drie in zijn nachtkastje voor mijn moeder, die nam ze mee naar huis.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892