‘Ik heb haar niet kunnen vinden omdat ik haar slavennaam niet weet’
Bob, Milan, Seppe ontmoeten
Jermaine, Sheranza, Jediël, Zephanayah en O’lyvelshjo van de Ritfeldschool in Paramaribo interviewen Soerdj Badrising (1940). Meneer Badrising is de overbuurman van Jermaine en is ook op zíjn uitnodiging naar school gekomen voor een interview. De groep gaat aan een grote tafel in de bibliotheek zitten en de kinderen stellen de eerste vragen.
Kunt u iets vertellen over uw ouders?
‘Mijn vader is op zee geboren toen hij vanuit India naar Suriname kwam. Hij was een baby toen het schip aan land kwam. Mijn moeder is in Suriname geboren. Ons gezin bestond uit acht kinderen: vijf dochters en drie zonen, onder wie een tweeling, en ik ben een van de tweeling. Mijn ouders zijn nooit naar school gegaan, ze konden niet lezen en schrijven. Ze leerden door wat mensen hen vertelden. Mijn oudste broer ging ook niet naar school omdat hij mee moest helpen met de zorg voor de jongere kinderen. Ik ben wel altijd naar school gegaan en dat vond ik helemaal niet erg. In rekenen was ik de beste, talen vond ik moeilijk.
Om naar school te gaan, moest ik heel ver lopen, weer of geen weer. We hadden geen fiets, en oh wee als je te laat was op school, dan werd je gestraft. Om de afstand te overbruggen, speelden we vaak wakka tjoepoe. Dan gooide je een knikker en ging je er achteraan, zo liep je spelenderwijs naar school. We hadden geen schoenen want we hadden niet genoeg geld.
Mijn oudste broer had een bananenmeelfabriek opgezet, na school moesten wij helpen bananen schillen, snijden, drogen en malen. Mijn vader deed het zware werk, het oogsten, en toen ik wat ouder was ging ik op de brommer om het meel te verkopen aan de winkeliers. In de weekenden moesten we naar het perceel van mijn vader, waar hij rijst plantte. Dan liepen we ’s ochtends vroeg met een kom eten op ons hoofd naar zijn plantage, dat was een heel eind lopen. We moesten ook door een rivier en er was geen brug, dus we liepen door het water met het eten op ons hoofd. Als we aankwamen, keek mijn vader naar de stand van de zon, dan kon hij zien hoe laat het was en als we te laat waren dan kregen we geen eten, dat was onze straf.
Mijn vader was een taaie man, hij is 70 jaar geworden. Hij ging nooit naar een dokter of tandarts, hij zei: ‘God heeft me ziek gemaakt, hij zal me ook weer genezen’. Hij was ook iemand die veel dronk. Uiteindelijk is hij overleden door een hersenbloeding.’
Wat was uw beroep?
‘Ik wilde militair of leerkracht worden. In Nederland deed ik de opleiding voor militair. Ze konden me niet verzekeren van een baan in Suriname als ik erin verder wilde gaan. Maar ik wilde zo snel mogelijk terug naar Suriname. Toen ben ik naar de universiteit gegaan en heb ik wiskunde en pedagogiek gedaan en zo ben ik leerkracht geworden. Ik werd docent op de kweekschool in Paramaribo, daarna onderdirecteur, toen onderdirecteur AMS (Algemene Middelbare School) en daarna ben ik minister van Justitie en Politie geworden. Dat was in het jaar 1973, ik was toen 33 jaar oud. Ik ben in de familie de enige die het zover heeft geschopt, mijn zussen zijn getrouwd toen ze 14, 15 jaar oud waren en hebben niet gestudeerd.’
Hoe heeft u de periode als minister ervaren?
‘Het waren geen gemakkelijke jaren, er waren veel acties en onrust, want de coup van 1980 was in voorbereiding. Maar als minister heb ik toch wat kunnen doen, de Wet van de valhelm is door mij ontworpen op verzoek van meneer Ferrier. Ook heb ik de wet dat vrouwen en mannen gelijke rechten hebben en de wet van strafvordering ontworpen. Ik ben ook de minister geweest die president Santokhi naar Nederland heeft gestuurd om de politieopleiding te volgen. Hij was destijds een goede student.
Ik was maar kort minister, want toen de coup werd gepleegd moesten we vluchten. Mijn hele familie is naar Nederland vertrokken. Ik ben toch gebleven, want ik vond dat ik niks verkeerd had gedaan. In 1982 zijn de moorden gepleegd. De militairen zijn toen langs geweest bij mij om mij op te halen, maar ik was niet thuis. De buren zeiden later toen we thuiskwamen: ‘we adviseren jullie om weg te gaan’. Toen ben ik ondergedoken, en zijn we naar Frans-Guyana gevlucht. Vrienden van mij zijn doodgeschoten. Ik heb meneer Bouterse nooit willen ontmoeten, omdat ik die ellende heb meegemaakt.’
Welke adviezen heeft u voor ons ?
‘Je moet niet lui zijn om te werken. Pak hard aan om op een eerlijke manier aan je geld te komen en te verdienen. Ga studeren en blijf je best op school doen ondanks de moeilijke tijd waarin we leven. Ondanks de moeilijke periode in mijn jonge jaren heb ik toch het beste van mijn leven kunnen maken en een bijdrage kunnen leveren aan de Surinaamse samenleving. Neem daar een voorbeeld aan. Je moet de wil hebben om vooruit te komen. Het ligt helemaal aan jou.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.