Aankomst in mijn buurt
‘Versta je de taal niet en mensen lachen, dan denk je snel dat het om jou gaat’
Danyaal, Robin, Tamer ontmoeten Angelines Castro
Samen met Emmy Gooiker-Zink gaan Alina, Djullien, Nola en Almira aan een tafeltje zitten in het zonnige restaurant van verpleeghuis Douvenrade. Ze zijn naar het verpleeghuis gekomen om ouderen te interviewen over hun herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog in Heerlen. Ze hebben er zin in. Djullien gaat foto’s maken bij het interview.
Mevrouw Gooiker houdt van kinderen. Ze vertelt hen dat ze pas drie jaar was toen de oorlog begon. Ze was de jongste thuis, een nakomertje. Ze had twee zussen en een broer. Haar vader kwam uit Duitsland, uit Hamburg, en haar moeder uit Roemenië. Ze waren naar Limburg gekomen omdat ze hier werk kon vinden in de mijnen. Zo ging dat in die tijd. Maar in de oorlog werd dat ineens lastig, want als je vader Duits was, dan werd je zelf ook als Duits gezien.
Wat moesten jullie doen als het luchtalarm afging?
‘Als het luchtalarm ging, wisten we precies wat we moesten doen: naar de kelder. Onder ons huis was een kelder met bedjes. Daar zaten we dan met het hele gezin te wachten. Je hoorde dat loeiende geluid en dan wist je: we moeten naar beneden.
Ik was nog klein en begreep niet wat er gebeurde, maar ik voelde dat het niet goed was.’
Waren er ook bombardementen?
‘Ja, in 1942 werd ons huis gebombardeerd. We zaten weer in de kelder toen ons huis werd geraakt door een fosforbom, een brandbom. Dat was levensgevaarlijk. We moesten snel wegvluchten uit de kelder. Ik herinner me nog het beeld dat iemand boven aan de keldertrap stond te roepen: ‘Emmy, je moet snel naar boven komen!’ Aan de voorkant van het huis stond alles al in brand. Maar ik zei alleen maar dat ik mijn schoenen niet kon vinden. Dat beeld, die trap, dat geroep, dat staat nog altijd op mijn netvlies.
Achteraf bleek dat het een vergissingsbombardement was, een ‘friendly fire’. De bommen hadden eigenlijk op Aken moeten vallen, maar ze kwamen op Heerlen terecht. We mochten tijdelijk schuilen in de kelder aan de overkant, bij mijn vriendinnetje. De brandweer kwam iedereen controleren en zelfs aan je kleren ruiken, om te kijken of je geen fosforspatjes op je had. De ruiten van ons huis waren helemaal gesmolten.’
Gingen jullie gewoon naar school tijdens de oorlog?
‘Toen ik zes was ging ik naar de lagere school. Dat was midden in de oorlog. Maar die school werd door de Duitsers ingenomen. Dus moesten wij naar een andere school, in Meezenbroek. Dat betekende elke dag ver lopen. Algauw kreeg ik te horen dat ik naar een Duitse school moest omdat mijn vader Duits was, maar dat wilde mijn moeder niet. Daarom ging ik vanaf mijn zesde jaar naar een kostschool, ver van huis. Het was een nonnenschool.
Misschien ben ik daardoor wel zo’n braaf meisje geworden. Eén keer per maand mocht ik op zondag naar huis. Dat was altijd bijzonder. Tot mijn zestiende ben ik bij de nonnen gebleven. Ze hadden daar ook een kweekschool, de pabo van nu, en zo ben ik in het onderwijs terechtgekomen. Daar heb ik veel aan te danken. Toch heb ik altijd het gevoel gehad dat ik een dubbeltje was en nooit een kwartje kon worden.
We hadden thuis genoeg te eten. Mijn vader en moeder hadden een café, en achter in het café kon je frietjes kopen. De drank uit het café werd geruild voor eten. Zo kwamen wij de oorlog door.’
Hoe was het om half Duits te zijn in de oorlog?
‘Omdat mijn vader Duits was, golden wij ook als Duits. Dat maakte alles moeilijker. Mensen keken anders naar je. Mijn zussen waren achttien en werden opgeroepen om naar Duitsland te gaan om daar te werken voor de Duitsers. Dat wilden ze absoluut niet. Ze zijn toen snel getrouwd met een Nederlander, zodat ze niet hoefden te vertrekken. Dat waren oorlogstrucjes, maar soms had je geen keuze.’
Werd uw broer ook opgeroepen om te vechten voor het Duitse leger?
‘Mijn broer is ondergedoken bij een boer. Hij werkte daar en probeerde uit handen van de Duitsers te blijven. Maar toen hij vijftien was, is hij alsnog opgepakt.
Tijdens het Ardennenoffensief, aan het einde van de oorlog, werd hij opgeroepen om te vechten. Hij was pas zeventien. Veel te jong. Hij is bij die gevechten in zijn been geschoten. De Duitsers hebben hem laten liggen. De Amerikanen hebben hem gevonden, gevangengenomen en naar een ziekenhuis gebracht. Hij is zelfs nog in Engeland in een ziekenhuis geweest.
Toen hij uiteindelijk thuiskwam, had hij geen benen meer. Ik heb mijn moeder in haar hele leven maar één keer zien huilen. En dat was om hem.’
Wat weet u nog van de bevrijding?
‘Ik zie de bevrijding nog voor me: de Amerikaanse jeeps die Heerlen binnenreden. Ze kwamen via Maastricht Nederland binnen. De soldaten stonden bij hun jeeps en wij probeerden met ze te praten, maar ze verstonden ons niet. Dat vonden we heel raar.
We kregen kauwgum, koekjes en chocolade. Als kinderen liepen we te bedelen om lekkers. Dat voelde als vrijheid.’

Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.