Koloniale sporen in mijn buurt
‘De geschiedenis van slavernij is onze gedeelde geschiedenis’
Sam, Valerie ontmoeten Carla Milan
Edgar Comvalius (1960) ontmoet Xavi, Renaja, Drishti, Ghivar en Alicia onder de grote manjaboom op het schoolplein van de Ritfeldschool in Paramaribo. Hij laat de leerlingen een groene gulden zien, een briefje geld dat nu niet meer bestaat. Het was vroeger meer waard dan een Nederlandse gulden. De leerlingen mogen het niet vasthouden want het valt al bijna uitelkaar. Als iedereen zit, stellen de leerlingen de eerste vraag.
Waar bent u geboren?
‘Ik ben te Saramacca geboren, in het inheemse dorp Colombia, ik ben van de Caraïben-stam. Ik ben indiaan, van ouds af heb ik die benaming geaccepteerd, maar in de moderne tijd zegt men ‘inheems’. En mijn familie is ook meer aan het mixen, want mijn broers en zussen hebben Creoolse en Hindoestaanse partners.’
Hoe was het bij u thuis toen u klein was?
‘Mijn ouders hebben twaalf kinderen gehad, vijf meisjes en zeven jongens en er was altijd een gezellige drukte. We speelden spelletjes, zoals djompo futu, djoel, gòngotè, combat en knikkeren. Wij waren niet rijk, maar leefden gelukkig. We aten vis, vlees, kippen en cassave en we plantten bananen thuis. Mijn vader was altijd bezig. Hij kweekte kippen, deed van alles, hij was niet lui. Maar we kwamen toch niet vooruit, want mijn moeder ving iedereen op. Mijn moeder zei nooit dat iemand weg moest gaan, iedereen kon blijven slapen en ze had altijd eten voor de gasten. Al was het alleen maar rijst met groente. Creolen, Javanen, Chinezen en Boeroes, ze kwamen allemaal bij ons thuis.
Wij hadden veel respect voor onze ouderen, voor broer, zus, opa of oma. Wij noemden onze broer of zus niet bij hun naam. In onze inheemse taal is zus wà wà, broer is sèwò, opa is àwò en oma is pìpì. En zo werden ze netjes toegesproken. Mijn vader was streng. We konden niet dicht bij hem zitten, hij bleef op een afstand. We moesten om zes uur thuis zijn om het erf schoon te maken. Als niet, dan wachtte de riem op je. Of een touw. Je kreeg een pak slaag, vooral mijn oudste broer. Mijn vader mishandelde hem. Pappa was streng, maar mamma was lief.’
Waar bent u naar school gegaan?
‘Ik ging naar de rooms-katholieke basisschool, vlak bij het huis waar ik woonde. Er waren paters en een kerk, we kregen ook godsdienstles op school van de paters. Het was gezellig en we hadden heel veel respect voor onze leerkrachten. Er was ook goed contact tussen de leerkracht en de ouders, vandaar dat wij ons best ook deden. Daarna heb ik ulo gedaan, later heette het lbo (lager beroepsonderwijs) en nu vmbo. Dat heb ik afgemaakt en daarna ben ik gaan werken, ik was toen 16 jaar. Ik wilde mijn eigen boontjes doppen want mijn ouders hadden het moeilijk thuis. Nu ik terugkijk op die tijd heb ik toch spijt dat ik school vroeg heb verlaten. Eerlijk gezegd was ik ook een beetje lui om naar school te gaan. Een keer had m’n oom me gepakt, toen ik was gaan spelen. Hij stuurde me weer naar school.
We kregen wel pak slaag vroeger, dat is nu niet meer, daarom zijn de kinderen nu heel anders dan vroeger. Jullie hebben het nu te goed. Ik mag mijn kinderen nu niet aanraken. Als hij of zij fout is, dan moet ik praten, maar hoelang blijf je praten? Soms wil ik een tikje geven, maar dat mag niet. De mens is veranderd, de bossen zijn er nog met schaduw en al, de natuur is er gewoon, wij mensen veranderen. We lopen nu met andere gedachten dan vroeger.’
Hebben uw grootouders u verteld over de slaventijd?
‘Ja, zo’n beetje. Mensen moesten onder erbarmelijke omstandigheden werken op die cacaoplantages werken en ze moesten bossen open kappen, kregen weinig eten en weinig rusttijd en werden mishandeld, geslagen. Ja, ik heb ervan gehoord hoe die slavenmeester met hen omgingen. En als ze ziek waren, waren ze in feite ten dode opgeschreven. Want ze konden niet werken, en kregen dus geen voeding meer. Zo was het. Het waren slaven en de Nederlanders waren de wreedste slavenhouders. Dat heb ik gehoord.’
Wat vindt u nu van Suriname?
‘Suriname is een lekker land, ik ben hier opgegroeid en ik wil hier ook sterven. Ik zeg het uit m’n hart. Je kan hier van alles krijgen. Als je bij iemand langsgaat, dan krijg je eten, je wordt gastvrij ontvangen.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.