‘Als pastoor kan ik niet zomaar om babyspullen bedelen’
Oscar, Siep, Leena en Bo vertellen het verhaal van Wil Sartorius
DurgerdamAmsterdam-Noord
Oscar, Siep, Leena en Bo van De Twiskeschool interviewen Wil Sartorius. Ze is geboren in 1942 in Durgerdam en heeft vier jongere broers. In de oorlog was ze nog een baby, maar ze kan veel over de oorlog in Durgerdam vertellen. Ze kwam niet uit een rijk gezin, maar er werd veel gedeeld en geruild. Mevrouw Sartorius is altijd in Durgerdam blijven wonen in een dijkwoning met uitzicht over het IJsselmeer.
Hadden jullie ruimte voor veel onderduikers?
‘Ze kwamen niet tegelijk, hoor. Er was een jongen die lange tijd bij ons was. Hij zat ondergedoken bij een buurman verderop en toen werd hij verraden. Hij was een Joodse Duitse jongen die voor de oorlog uit Duitsland gevlucht was. Toen hij bij ons kwam, was hij al zeventien, maar hij was veertien toen hij in de Achterhoek ondergedoken was. We woonden in een klein huis met veel mensen en hij wilde graag naar buiten. Om hem niet op te laten vallen, werd gezegd dat hij onze doofstomme neef was. Hij sprak een beetje Nederlands en Duits. Op straat mocht hij niet praten, omdat dat zou opvallen. Maar thuis probeerde hij met mij zo goed mogelijk Nederlands te praten en met mijn jongere broertje zong hij Duitse kinderliedjes.
Verder waren er overdag mensen die bij de buren sliepen, maar die buren wilden ze overdag niet in huis hebben, omdat het te druk werd en dan kwamen ze bij ons.
Hadden jullie genoeg eten?
Mijn vader was tuinman en omdat hij voor de voedselvoorziening zorgde werd hij vrijgesteld om in Duitsland te moeten werken. Hij huurden twee weilanden om groente en fruit te verbouwen en had hierdoor het geluk dat hij veel kon ruilen en delen. Overdag gingen we hout sprokkelen voor de kachel en probeerden we overal wat van te maken. Ik herinner mij nog goed dat er een bakker bij ons ondergedoken was. We hadden wat meel. Met Pasen kreeg ik een grote paashaas van brooddeeg, met een kalkei; een nep-ei erin; dat vond ik zo bijzonder. Het voelde als een echt cadeau.’
Waarom namen uw ouders zoveel risico om al die mensen in huis te nemen?
‘Mijn moeder zei altijd: ‘Daar kies je helemaal niet voor. Ze staan ineens bij je op de stoep, en dan kun je niet zeggen: ‘Dit wil ik niet.’
Het zijn mensen die groot gevaar lopen. Er waren mensen die wisten dat wij onderduikers hadden, zoals de buren en zij stuurden de mensen dan door naar ons.’
Hadden jullie genoeg kleding?
‘Mijn moeder kon heel goed naaien, maar stof was moeilijk te krijgen. En als je bijna niet kunt wassen en kleine kinderen hebt, is het niet handig om kleren te maken van witte oude lakens of tafelkleden. Ik herinner mij dat mijn broertje en ik vaak een soort bolbroekje droegen, vaag oranje met een groen bloemetje. Een buurjongetje waarmee ik in de zandbak speelde, had altijd een rood geruit broekje aan. Mijn moeder zei later dat die kleren ooit keukengordijntjes waren geweest. En ik kan mij nog de wollen onderbroekjes herinneren die mijn moeder maakte. Die kriebelde ontzettend. Waarschijnlijk ben ik daardoor heel snel zindelijk geworden.’
Heeft u nog een mooie herinnering uit de oorlog?
‘Boeken waren haast niet te krijgen te krijgen in de oorlog. ’s Avonds ging mijn moeder ons voorlezen. Bijvoorbeeld uit Piggelmee, een bekend kinderboek. Je mocht ’s avonds geen licht aan hebben. Ze had het verhaal al zoveel keer had verteld, dus kende ze het gewoon uit haar hoofd. Wij intussen ook en verbeterden we haar: ‘Nee, dat stond er niet hoor.’ Dat waren grappige momenten.’
Hoe wisten jullie dat er onderduikers waren in de kerk?
‘De soldaten hadden de school van Durgerdam ingenomen, daarom gingen lessen tijdelijk door in de kerk. In de buurt waren ook kerken met kelders waar onderduikers verstopt zaten, maar daar praatte natuurlijk niemand over. Een ondergedoken vrouw die in de kelder van de kerk op de Nieuwendammerdijk zat, was zwanger. De pastoor fietste naar ons dorp, omdat hij via een verloskundige wist waar mensen met baby’s woonden. Hij bracht lakens mee om te ruilen voor babyspullen, en zei: ‘Ik kan wel om eten of andere dingen vragen, maar als pastoor kan ik niet zomaar om babyspullen bedelen, want dan zou ik de onderduikers verraden.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.