‘Als mijn moeder je iets aanbood, moest je altijd ja zeggen’
Imogen, Nora, Marisol en Raffi vertellen het verhaal van Sandra Felter
SurinameAmsterdam-Zuid
Sandra Felter (60 jaar) heeft haar angisa die ze draagt, zelf gemaakt. Imogen, Nora, Marisol en Raffi kijken mee in de tas, naar wat mevrouw Felter nog meer heeft meegenomen voor het interview op het Montessori Lyceum Amsterdam. Bij het zien van een foto van toen ze jong was, zeggen ze hard: ‘Oh, wat bent u mooi!’
Hoe oud was u toen u naar Nederland migreerde?
‘Ik was 7 jaar toen mijn ouders besloten om naar Nederland te komen. Het leven in Suriname was niet zo goed in de jaren zestig. Mijn vader had verschillende broers, ze hadden niet allemaal geld om apart met hun gezinnen te komen. Dus hadden ze besloten dat de oudste broer van mijn vader als eerste naar Nederland ging. Ze hebben met z’n allen geld gespaard en een ticket voor hem geboekt.
Die oom heeft in Nederland een plek geregeld, maar ook meteen een plek voor zijn broers. Weer hard werken en sparen, en toen konden de andere broers en hun gezinnen ook overkomen, telkens een voor een. En zo woonden we met z’n allen in de binnenstad van Amsterdam, in een pension. In Suriname zat ik al in de tweede, maar in Nederland dacht de juf dat het beter was als ik de eerste en tweede hier overdeed. En mijn ouders spraken haar niet tegen want ‘de juffrouw weet het beter’.’
Hoe was het om in Nederland een nieuw leven op te bouwen?
‘We kwamen aan in februari, hartje winter, er lag een dik pak sneeuw. Na twee weken kregen mijn zusje en ik heimwee. We wilden naar onze nichtjes en neefjes waar we zo vaak mee speelden in Suriname. Bij onze aankomst waren we vanaf het Centraal Station naar ons huis gelopen. Dus ik zei tegen mijn zusje: we gaan naar Suriname. Dan gaan we eventjes spelen en dan komen we daarna weer terug.
Dus we gingen naar het station want daar ligt Suriname, dacht ik! En daar gingen we, zonder jas, maar we kwamen niet verder dan de hoek, want toen rende een mevrouw uit het café en die vroeg: ‘Waar gaan jullie heen?’ We vielen wel op natuurlijk, twee donkere kinderen zonder jas in de sneeuw. ‘Nou, we gaan naar Suriname.’ Die mevrouw bracht ons naar het politiebureau in de Warmoesstraat, en daar haalde mijn vader ons op.’
Voelde u zich weleens buitengesloten?
‘Nee, eigenlijk niet. Er waren maar twee Surinaamse families in de straat, dus wij waren heel bijzonder en iedereen wilde graag met ons spelen. Op de middelbare school veranderde dat. Toen wist ik: van oktober tot december moet ik geen ruzie maken of in een strijd terecht komen, want dan word ik uitgescholden voor zwarte piet. Ja, dan voel je je wel buitengesloten. Van oktober tot december moest ik op mijn tenen lopen. Maar voor de rest, eigenlijk niet.
Ze zagen ons ook als voorbeeld, als nette kinderen. Want in Suriname moet je echt met ‘u’ en ‘meneer’ en ‘mevrouw’ spreken. Je kan in Suriname niet bij iemand binnen komen en zeggen: hoi. In Nederland kan dat wel, maar bij mijn ouders moest je zeggen ‘dag mevrouw’ en ‘dag meneer’. Ik heb weleens gehad dat ik een Nederlands vriendinnetje meenam, Els, en die zei wel ‘hoi’. En toen zei mijn vader dat ze weer naar buiten moest, en opnieuw naar binnen moest komen met ‘dag meneer’. Daarna, als ik vriendinnen meenam naar huis, dan zei ik al op de trap je moet wel ‘dag mevrouw’ en ‘dag meneer’ zeggen.
En als mijn moeder je iets aanbiedt, of je iets wil drinken dan moet je altijd ja zeggen! Want als je nee zegt ziet mijn moeder het als een belediging. Dan zei ze, waarom willen ze mijn eten niet? Bij Surinamers is het zo, je mag iedereen mee naar huis nemen. En mijn moeder kookte voor iedereen die thuis kwam. Dus soms op de woensdag zat de halve straat bij ons thuis. Als ik soms bij iemand anders thuis kwam, dan kreeg ik een koekje, of ranja. Maar kwamen ze bij ons thuis, dan werd er gegeten, en spelletjes gespeeld.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.