‘Als ik naar school wandelde, stond men voor de ramen naar ons te kijken’


Stephen, Pleun, Kira en Agnes vertellen het verhaal van Ingrid van der Smitte
Nieuw-Guinea

Stephen, Pleun, Kira en Agnes van basisschool de Talisman in Eindhoven bezoeken Ingrid van der Smitte en haar man in hun Aziatisch-ingerichte huis, vol planten, houten meubels en olifantsbeelden. Mevrouw Van der Smitte, derde van twaalf kinderen, werd geboren op Java en verhuisde als baby naar Nieuw-Guinea. Haar Nederlandse vader diende eerst bij het beroepsleger, maar begon later een houtzagerij. Haar moeder was van Indonesische komaf. Toen ze 9 was, vluchtte het gezin naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Azië?
‘Ik ben in Indonesië geboren, maar daar was het heel onrustig en toen moesten alle Nederlanders weg. We zijn naar Nieuw-Guinea verhuisd, want dat hoorde destijds bij Nederland en daar woonde ik tot mijn negende jaar. Toen kwam daar oorlog en vluchtten we naar Nederland.

Nieuw-Guinea was een heel mooi land. We woonden met ons hele gezin in een Quonset-barak, een halfronde barak van gegolfd staal. In de ramen zat geen glas, maar gaas. Soms zag je een glimmend spoortje over het gaas en dan wist je dat er een slang was geweest. We hadden een hele grote tuin met veel fruit; je kon de sinaasappels gewoon plukken. We hadden een papegaai en die kon een beetje praten en altijd ‘Elly!’ riep, want zo heette mijn moeder.

Ik herinner mij dit tijd als een heel gelukkige periode. Ik had twaalf broers en zussen, dat was heel gezellig, want er was altijd iemand om mee te spelen. We gingen naar een Nederlandse school. Mijn ouders waren lief en streng. Mijn vader was militair en hield van regels en mijn moeder was ook streng; dat moest ook wel met zo’n groot gezin. Mijn vader fotografeerde graag; ik zal jullie het fotoboek van mijn familie laten zien.

De Papoea’s waren de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Guinea en ze leefden in stammen, met eigen taal en gewoontes, vaak dichtbij de natuur. Ik vond ze altijd een beetje spannend omdat ze er zo anders uitzagen: ze droegen vaak bijna geen kleding, hadden een soort schortje aan en ze beschilderden hun gezichten voor feesten en maakten veel geluid door op boomstammen te slaan. We vonden het een beetje een wild volk. We hadden Papoea’s in dienst die hielpen in het huishouden, zorgden voor de kinderen (baboes) en de tuin verzorgden. Dat was toen heel normaal, maar nu besef ik me dat dit ook met onderdrukking te maken had: je maakte gebruik van mensen. Ze kregen wel loon en onderhielden daarmee hun familie. Maar nu ik wat ouder ben vind ik het heel triest voor de Papoea’s: je mag niemand zijn eigen land afnemen of onderdrukken.’

Hoe vond u het om in Nederland te gaan wonen?
‘Het weer in Nederland verraste me. In Azië was ik alleen warme dagen gewend, maar hier wisselen de seizoenen. Dat vond ik het leukste aan Nederland. De eerste keer dat ik sneeuw zag was voor mij magisch: alles zo mooi wit en schoon, al het lelijke is dan even weg.

We kwamen aan met het vliegtuig en hadden bijna geen bezittingen mee kunnen nemen. Ook hadden we veel te dunne kleding aan. Het was ijskoud! Ik ben nog een keer teruggegaan naar Nieuw-Guinea, maar ik kan de warmte nu niet goed meer aan.

We moesten erg wennen aan eten met vork en mes. Ik was gewend om met vork en lepel te eten (dat doe je als je rijst eet). We hebben heel lang geen eigen huis gehad en verhuisden van pension naar pension. We hadden daarom geen eigen keuken en aten met de pot mee: meestal stamppot. Eerst vonden we dat helemaal niet lekker, maar moesten dat toch gewoon opeten. We aten veel liever rijst!

Heeft u last gehad van discriminatie toen u in Nederland aankwam?
‘Ja, dat hebben we zeker, maar in het begin had ik dat niet zo erg door. Ik ben naar een lagere school gegaan in Dommelen. We waren in dat dorp de enige mensen met een kleurtje. Als ik met mijn broers en zussen naar school wandelde stond men voor de ramen naar ons te kijken, zo bijzonder vonden ze ons.

Maar we werden ook heel vaak uitgescholden door mensen buiten de school, voor ‘Pinda’ of ‘Zwartje’ of ze wilden niet naast ons zitten omdat ze bang waren dat we zouden ‘afgeven’. We werden als ‘vreemd’ beschouwd en waren al snel het pispaaltje. Dat vond ik heel erg. Mijn ouders konden er ons niet mee helpen, we moesten voor ons zelf opkomen. Maar we waren daar te verlegen voor.

Ik herinner me dat ik bij de kaasboer vaak met opzet werd overgeslagen als ik voor mijn moeder boodschappen deed. Ik durfde dan niet voor mezelf op te komen en niemand hielp mij. Nu zou dat me niet meer overkomen; ik heb geleerd voor mezelf op te komen. Mijn kinderen en kleinkinderen maken nog steeds discriminatie mee, maar die gaan er gelukkig tegenin.’

Welke sporen heeft het koloniale verleden achtergelaten?
‘Dat ik heel erg opkom voor anderen die gepest of buitengesloten worden. Iedereen is gelijk, hoort erbij en niemand mag apart gehouden worden. Ik hoop dat mensen leren dat welke kleur je ook hebt, uit welk land je ook komt, dat je allemaal hetzelfde bent.

We werden vroeger zo erg uitgescholden, onbegrijpelijk… Ik heb eraan overgehouden dat ik hier heel gevoelig op reageer: noem mensen bij hun naam, niet zwart of wit. Vroeger werden we ‘zwartje’ genoemd, dat deed pijn. Nu mag ‘neger’ zeggen niet meer, maar ‘zwarte man’ wel. Ik kan dat niet zeggen, want voor mij is dat schelden. Dat kunnen Nederlanders niet aanvoelen. Discriminatie speelt nog steeds, eigenlijk over de hele wereld. Ik hoop dat een project als dit zorgt voor meer wederzijds begrip.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892